Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/3.4.2.2.1
3.4.2.2.1 Exploitatie van vastgoed
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291246:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het begrip ‘exploiteren’ kan met betrekking tot een bezit betekenen: gebruiken om er voordeel uit te trekken (Groot woordenboek van de Nederlandse taal, Dikke Van Dale online, geraadpleegd op 2 april 2021).
Wordt voor de duurzame terbeschikkingstelling van vastgoed geen (afzonderlijke) vergoeding ontvangen, dan is van exploitatie geen sprake (vgl. HR 26 maart 1997, nr. 31.344, BNB 1998/142, m.nt. Finkensieper en HR 25 juni 1997, nr. 32.437, BNB 1998/143, m.nt. Finkensieper).
HvJ EG 4 december 1990, zaak C-186/89, BNB 1991/352, m.nt. Ploeger, r.o. 19 (Van Tiem).
HvJ EG 14 februari 1985, zaak 268/83, BNB 1985/315, m.nt. Simons (Rompelman).
HvJ EG 26 september 1996, zaak. C-230/94, V-N 1997/653, 22, r.o. 21 (Enkler).
HvJ EG 4 december 1990, zaak C-186/89, BNB 1991/352, m.nt. Ploeger (Van Tiem).
HvJ EG 20 juni 1991, zaak C-60/90, FED 1991/633, r.o. 13 (Polysar), HvJ EG 20 juni 1996, zaak C-155/94, V-N 1997/1034, 17, r.o. 32 (Wellcome Trust I), HvJ EG 15 september 2011, gevoegde zaken C-180/10 en C-181/10, V-N 2011/50.19, r.o. 36 (Slaby/Kuć) en HvJ EU 9 juli 2015, zaak C-331/14, V-N 2015/34.22, r.o. 23 (Kezić).
HvJ EU 19 juli 2012, zaak C-263/11, V-N 2012/51.19 (Rēdlihs).
HvJ EU 20 juni 2013, zaak C-219/12, BNB 2013/245, m.nt. Swinkels (Fuchs).
Het begrip ‘exploitatie’ wordt door het Hof van Justitie ruim uitgelegd. Op grond van het beginsel van de fiscale neutraliteit heeft de exploitatie van vastgoed betrekking op alle handelingen, ongeacht hun rechtsvorm, die bedoeld zijn om uit het vastgoed duurzaam opbrengst te verkrijgen. Deze uitleg strookt met het Nederlandse spraakgebruik.1 Van vastgoedexploitatie is sprake indien een (gebruiks)recht op (een gedeelte van) een onroerend goed wordt verleend tegen vergoeding2 en voor een bepaald tijdvak.3 Het Rompelman-arrest4 laat zien dat de verhuur van een showroom kwalificeert als de exploitatie van een zaak.5 Ook de vestiging van een opstalrecht voor de duur van 18 jaar tegen betaling van een jaarlijkse retributie heeft het Hof van Justitie aangemerkt als de exploitatie van een zaak.6 Of deze vestiging van het opstalrecht op grond van het nationale recht als een (eenmalige) levering of een (doorlopende) dienst wordt beschouwd, acht het Hof van Justitie voor de beoordeling van de belastingplicht irrelevant. Naar mijn mening terecht. Zoals de figuur in paragraaf 3.1 laat zien, komt de vraag of de verrichte handeling een levering of een dienst is (de belastbaarheid) pas aan bod nadat vastgesteld is dat degene die een handeling verricht een belastingplichtige is (en dus een economische activiteit verricht). Naast de reeds genoemde verhuur van vastgoed en de vestiging van een beperkt recht, kan bij de exploitatie van vastgoed ook gedacht worden aan de verpachting, huurkoop of leasing van vastgoed. Omdat exploitatie veronderstelt dat een (gebruiks)recht voor een bepaald tijdvak wordt verleend, kwalificeert de loutere overdracht van het eigendomsrecht door de eigenaar niet als de exploitatie van een zaak.7
Gelet op het voorgaande is het opmerkelijk en naar mijn mening onjuist dat het Hof van Justitie in het arrest-Rēdlihs8 de (regelmatige) verkoop van hout door de eigenaar van een privébos aanmerkt als de exploitatie van dit bos. Van het tegen vergoeding verlenen van een recht om dit bos gedurende een bepaald tijdvak te gebruiken is immers geen sprake. Rēdlihs ontvangt een vergoeding voor het leveren van hout dat afkomstig is uit dit bos. Naar mijn mening had het Hof van Justitie moeten oordelen dat de verwijzende rechter dient na te gaan of Rēdlihs voor de regelmatige verkoop van het hout actief stappen heeft ondernomen door middelen in te zetten die vergelijkbaar zijn met die welke een producent van hout of een handelaar in hout aanwendt. In het arrest-Fuchs9 maakt het Hof van Justitie naar mijn mening dezelfde denkfout. In deze zaak betreft het een particuliere woningeigenaar die zonnepanelen op zijn woning heeft geïnstalleerd en de opgewekte elektriciteit op grond van een overeenkomst voor onbepaalde tijd tegen vergoeding van de marktprijs levert aan een energieleverancier. Het Hof van Justitie oordeelt dat sprake is van een economische activiteit, omdat de zonnepanelen worden geëxploiteerd om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Naar mijn mening ten onrechte, omdat Fuchs van de energieleverancier geen vergoeding ontvangt voor het verlenen van het recht de zonnepanelen gedurende een bepaald tijdvak te gebruiken, maar voor de levering van de opgewerkte elektriciteit. Het Hof van Justitie had naar mijn mening moeten oordelen dat Fuchs voor de levering van de elektriciteit belastingplichtig is indien hij actief stappen heeft ondernomen door middelen in te zetten die vergelijkbaar zijn met die welke een energieproducent aanwendt. Het voorgaande betekent dat naar mijn mening in beide zaken een vergelijking van de betreffende natuurlijke persoon met ‘echte’ ondernemers (houtproducenten of -handelaren respectievelijk energieproducenten) had moeten plaatsvinden. Dit betekent dat de lat voor de belastingplicht voor deze activiteiten op grond van art. 9 lid 1 Btw-richtlijn hoger ligt dan het Hof van Justitie oordeelt. Met de arresten Rēdlihs en Fuchs zet het Hof van Justitie de deur van de belastingplicht open voor niet-ondernemers die ook geen exploitant van een zaak zijn. Voor een dergelijke verruiming van de toch al ruime belastingplicht is in art. 9 Btw-richtlijn en haar historie geen steun te vinden. Het zou op grond van de rechtszekerheid en de doelmatigheid daarom wenselijk zijn indien het Hof van Justitie deze door hem geopende deur weer sluit.