Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/2.2.4
2.2.4 Waarom een wettelijke basis van nakoming in Nederland ontbreekt
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS382379:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een wettelijke basis kan mi. niet worden gelezen in het huidige art. 6:248 lid 1. Anders dan art. 1374 lid 1 BW (oud) beschrijft art. 6:248 lid 1 niet de werking van een verbintenis uit overeenkomst, maar haar inhoud.
Asser/Rutten 1961 (2-11), p. 26.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 919. Zie ook Meijers 1958, p. 51 e.v.
Zie voor het Engelse recht bijv. Furmston 2007, p. 797-800; en Treitel 2004a, nr. 27-001/27-0019, p. 15211531.
Asser/Rutten 1961 (2-II), p. 252.
Völlmar 1947, nr. 755, p. 240.
Terré, Simler & Lequette 2005, nr. 28.
Chazal 2001, p. 282-283.
Ancel 1999, p. 771-810.
Schmidt-Szalewski 2000, p. 26.
Asser/Scholten 1974 (alg. deel), p. 16-17, typeerde art. 1374 BW (oud) als zijnde van een treffende juistheid. Vgl. ook Asser/Harticamp 2005 (4-II), nr. 36. Het Avant-Projet de reforme du droit des obligation et du droit de la prescription 2005 laat art. 1134 C.c. in ongewijzigde vorm in stand.
Anders dan in het huidige BW bevatte het oud BW een bepaling, geënt op art. 1134 van de Napoleontische wet, waarop de materiële verplichting tot nakoming werd gebaseerd. Artikel 1374 lid 1 BW (oud) luidde:
Alle wettiglijk gemaakte overeenkomsten strekken dengenen die dezelve hebben aangegaan tot wet.
Deze bepaling vormde niet alleen de wettelijke basis van het materiële recht op nakoming, maar was ook een weergave van het pacta sunt servanda-beginsel waarop het recht op nakoming is gebaseerd.1 Rutten schrijft over art. 1374 lid 1 BW (oud):2
Het beginsel (van de verbindende kracht, DB) [wordt] door de wet in het eerste lid van art. 1374 B.W. gesanctioneerd (...). Naarmate de samenleving tot een hogere trap van ontwikkeling opstijgt, zal niet alleen de behoefte aan een groter aantal soorten contracten zich doen gevoelen, maar ook sterker worden de noodzaak, dat men op de nakoming van deze afspraken kan vertrouwen. Zonder dit vertrouwen, zonder de zekerheid dat dergelijke beloften worden ingelost, zou geen maatschappij tot economische ontwikkeling kunnen komen. (...) De trouw aan het gegeven woord is derhalve een eis der natuurlijke rede en moet daarom ook redelijkerwijze noodzakelijk door het recht worden gesteld. Om deze zelfde reden is die trouw ook een eis der natuurlijke zeden.
Meijers heeft ervoor gekozen niet een bepaling als art. 1374 BW (oud) in het nieuw BW op te nemen.3 In de eerste plaats zag Meijers geen toegevoegde waarde in een bepaling als art. 1374 BW (oud) naast de nieuwe regels over de (ver)nietig(baar)heid van rechtshandelingen. In de tweede plaats stoorde Meijers zich aan de formulering van art. 1374 lid 1 BW (oud). De tekst van art. 1374 lid 1 BW (oud) dat 'alle wettiglijk gemaakte overeenkomsten strekken dengenen die dezelve hebben aangegaan tot wet', was volgens Meijers niet accuraat, omdat het overeengekomene niet met de wet op één lijn mag worden gesteld.
Het eerste argument van Meijers om in het nieuwe BW geen bepaling als art. 1374 BW (oud) op te nemen, vind ik niet overtuigend. Uiteraard heeft een schuldeiser geen recht op nakoming als de overeenkomst (ver)nietig(d) is. Bij een geldige overeenkomst is het daarentegen geen vanzelfsprekendheid dat de schuldeiser een materieel recht op nakoming heeft. De `common law' is het voorbeeld van een rechtsstelsel waar de schuldeiser in beginsel geen recht op nakoming heeft, maar doorgaans alleen een recht op schadevergoeding (of ontbinding).4 Indien men echter met Meijers van mening is dat in de continentale rechtstradities een materieel recht op nakoming een onlosmakelijk deel van de overeenkomst is, dan zou het BW dé plaats zijn om deze vanzelfsprekende regel neer te leggen.
Het tweede argument van Meijers om art. 1374 BW (oud) niet over te nemen in het nieuw BW is de vergelijking die deze bepaling maakt, net als het Franse art. 1134 C.c., tussen overeenkomst en wet. Volgens Meijers is deze metafoor slecht gekozen. Het is echter maar de vraag of de vergelijking inderdaad zo slecht is gekozen. Volgens Rutten betekent de term 'wet' in art. 1374 BW (oud), dat:5
Zoals de wet recht schept ten aanzien van de aan die wet onderworpen burgers, de overeenkomst recht [schept] tussen hen die bij de die overeenkomst partij zijn.
Völlmar leest in art. 1374 BW (oud), dat bij een overeenkomst net als bij een wet regels worden opgesteld waaraan men is onderworpen. Het verschil is volgens Völlmar echter, dat een wet van algemene strekking is, terwijl een overeenkomst alleen tussen partijen van kracht is.6 De Franse auteurs Terré, Simler en Lequette vatten het begrip 'wet' in art. 1134 C.c. op als een uitdrukking van de gestolde partijwil. Op het moment dat de overeenkomst tot stand komt, versteent volgens de auteurs de partijwil zodat een partij bij een naderhand optredende wilswijziging de verbindende kracht van de eenmaal gesloten overeenkomst niet kan aantasten.7 Chazal ziet in de metafoor de gebondenheid van de rechter aan de inhoud van de door partijen gesloten overeenkomst.8 Ancel leidt uit het woord 'wet' af dat uit een overeenkomst niet alleen verbintenissen voortvloeien, maar ook gedragsnormen die niet in rechte afdwingbaar zijn.@9 Schmidt-Szalewski leest ten slotte in de term 'wet' dat bij de niet-nakoming van verbintenissen uit overeenkomsten de overheid mag interveniëren, net als bij een wetsovertreding.10
Gezien de variëteit aan betekenisvolle interpretaties van art. 1374 BW (oud) en art. 1134 C.c. valt, achteraf bezien, mijns inziens niet zoveel aan te merken op de woorden van deze bepalingen.11