Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/2.2.2.3
2.2.2.3 De koopman – natuurlijk persoon en/of rechtspersoon
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180316:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het citaat betreft artikel 6 lid 2 WvK (zie paragraaf 3.2.1.2). Wijziging van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel betreffende de koopmansboeken en van de daarmede verband houdende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Strafrecht, V.V., 22 juli 1921, W. 10743.
Artikel 37 WvK, in werking getreden op 1 april 1929. W.L.P.A. Molengraaff, Leidraad bij de beoefening van het Nederlandsche Handelsrecht, Haarlem: De Erven F. Bohn 1930, zesde herziene druk, eerste deel, p. 60, H.F.A. Völlmar, De nieuwe wet op de naamloze vennootschappen (wet van 2 juli 1928 Staatsblad no. 216), Gids voor de praktijk, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon 1933, vijfde vermeerderde druk, p. 64. Zie ook Rechtbank Amsterdam 2 maart 1934, NJ 1934, 729.
Artikel 2 van de Wet van den 28sten Mei 1925, houdende nieuwe wettelijke regeling van de coöperatieve vereenigingen (Stb. 1925, 204). Zie ook: O. Gezelle Meerburg, W.H. Verloop en C. Weststrate, De Wet op de coöperatieve vereenigingen, met commentaar ten deele ontleend aan de tusschen regeering en Staten-Generaal gewisselde stukken, aan de openbare beraadslaging en aan de bestaande jurisprudentie, voor zoover deze van belang blijft, Alphen aan den Rijn: N. Samsom 1925 en J. Rutgers, Openlegging en overlegging van boekhouding (diss. Groningen), Zwolle: Uitgevers- maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1949, p. 73.
C.H. Pastoor, Grondbegrippen van ons handelsrecht (diss. Utrecht), Arnhem: G.W. van der Wiel & Co 1942, p. 2 en H.F.A. Völlmar, Het Nederlands Handelsrecht, eerste deel, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon 1946, zesde bijgewerkte druk, p. 11.
W.L.P.A. Molengraaff, Leidraad bij de beoefening van het Nederlandsche Handelsrecht, eerste deel, Haarlem: De Erven F. Bohn 1930, zesde herziene druk, p. 60.
Ook bij de totstandkoming van de wijziging van artikel 6 WvK in 1922 is geen aandacht besteed aan de hoedanigheid van de koopman, als natuurlijk persoon of als rechtspersoon. Uit een opmerking uit het Voorlopig Verslag kan worden afgeleid dat ook de rechtspersoon – naamloze vennootschap – koopman kon zijn:1
“Zij zouden het ten zeerste betreuren, indien ten gevolge van de thans door de Regeering voorgestelde redactie van art. 6 van het Wetboek van Koophandel kooplieden in de toekomst het opmaken van de jaarlijksche balans straffeloos zouden kunnen nalaten. In het bijzonder zou dit zeer ongewenschte gevolgen hebben voor de aandeelhouders in de vele naamlooze vennootschappen, welke hier te lande bestaan. En niet minder voor den fiscus. Want voor de vaststelling der aanslagen van kooplieden in de rijksinkomstenbelasting zijn de balansen van groot belang.”
In aanvulling op de aanwijzingen dat de wetgever in 1838 al van mening was dat zowel een natuurlijk persoon als een rechtspersoon koopman kon zijn, en de bevestiging daarvan in het hiervoor vermelde citaat uit het Voorlopig Verslag, geldt dat na de wijziging van het Wetboek van Koophandel in 1922, voor zowel de naamloze vennootschap2 als voor de coöperatieve vereniging3 expliciet werd gemaakt dat zij koopman waren in de zin van de wet.
Voor iedere coöperatieve vereniging gold vanaf 1925 en voor iedere naamloze vennootschap vanaf 1929 dat zij koopman waren in de zin van het Wetboek van Koophandel. Zij waren koopman op grond van de wet ook wanneer zij van het verrichten van daden van koophandel niet hun gewoon beroep maakten en ongeacht welke handelingen zij wel verrichtten.4 Als handelingen van – op grond van een expliciete wettelijke basis als zodanig gekwalificeerde – kooplieden, waren de handelingen van naamloze vennootschappen en coöperatieve verenigingen daden van koophandel.5