Einde inhoudsopgave
Sturen met proceskosten (BPP nr. XII) 2011/7.1.1
7.1.1 Twee stappen
mr. P. Sluijter, datum 31-10-2011
- Datum
31-10-2011
- Auteur
mr. P. Sluijter
- JCDI
JCDI:ADS594390:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Mot & De Geest 2004, p. 111. Denk aan de effecten van twee hervormingen die tegelijk worden doorgevoerd (bijvoorbeeld de substantiëringsplicht tegelijkertijd met het nieuwe regime met een centrale rol van de comparitie) en die op elkaar kunnen inwerken. De combinatie van beide kan tot andere effecten leiden dan de effecten die worden voorspeld als beide hervormingen volledig los van elkaar worden onderzocht.
Zoals Shavell 2004; Cooter & Ulen 2008 en de verschillende 'lemma's' van de Encyclopedia of Law and Economics (Bouckaert & De Geest 2000). Ook De Mot & De Geest 2004 bood veel aanknopingspunten.
De hiervoor genoemde handboeken boden ook een basis voor de 'sneeuwbalmethode' om zo specifiekere artikelen te zoeken en om met trefwoorden databases als SSRN en HeinOnline te doorzoeken.
Onder andere de Verenigde Staten, Engeland en Taiwan.
Het doel daarvan is dus niet rechtsvergelijking en/of het aanvullen van de alternatieve opties uit hoofdstuk 6.
Het civiele proces(recht) kan worden vergeleken met een ingewikkelde machine met vele draaiknoppen en radertjes die op meer wijzen aan elkaar geschakeld zijn. Het voorspellen van effecten van wijzigingen in het procesrechtelijke systeem is daarom een moeilijke klus. De Mot & De Geest wijzen op verschillende leemtes in de bestaande kennis over de werking van de gehele machine en de effecten van het draaien aan bepaalde knoppen.1
Met de vierde en laatste deelvraag wordt gepoogd om één van die leemtes
nader op te vullen: Wat zijn de effecten van de potentiële nieuwe kostenprikkels op de kwaliteitscriteria van het civiele proces? De beantwoording daarvan verloopt in twee stappen.
Eerst worden in dit hoofdstuk de bestaande theoretische en empirische inzichten over het civiele procesrecht samengebracht, voor zover die relevant zijn voor de werking van kostenprikkels. Het heeft immers geen zin om te proberen om de werking en effecten van specifieke knoppen te bespreken, wanneer de werking van de gehele machine en haar belangrijke onderdelen nog onhelder is. Met behulp van algemene handboeken2 is eerst een globaal beeld verkregen van de dynamiek van het civiele proces. Waarom procederen partijen überhaupt in plaats van dat ze schikken en waarom is het verstorend als ze informatie achterhouden? Dit algemene beeld maakt ook duidelijk welke elementen relevant zijn voor het doen van uitspraken over de effecten van kostenprikkels ten aanzien van gedrag.3 Het gaat om de rol van de advocaat, de functie van (verplichte) informatie-uitwisseling, afschrikking (deterrence) van verstorend procesgedrag, de kostenveroordeling ten aanzien van gelijk en, ten slotte, kostenconsequenties ten aanzien van gedrag. Soms worden daarbij voorbeelden en studies uit het Nederlandse procesrecht en concrete buitenlandse stelsels4 gehanteerd, met als doel om de rechtseconomische en empirische inzichten te illustreren.5
De tweede stap volgt in hoofdstuk 8. De in de vorige stap gelegde theoretische basis wordt dan eerst gebruikt om de effecten van het huidige Nederlandse kostenveroordelingsysteem te evalueren aan de hand van de criteria van het toetsingskader: tijd, kosten, kwaliteit van uitkomsten en kwaliteit van procedure. Daarna wordt voorspeld wat voor effecten de verschillende potentiële nieuwe prikkels uit hoofdstuk 6 hebben op diezelfde toetsingscriteria, wanneer deze prikkels aan het Nederlandse systeem worden toegevoegd.