Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/10.1
10.1 Inleiding
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS386327:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. HR 27 januari 1995, NJ 1995, 579 m.nt Maeijer (Adjuncten Properties/Söderqvist q.q.), Rb. Arnhem 11 januari 2006, JOR 2006/120, Hof Amsterdam 31 maart 2011, JOR 2011/307 en Hof ’s-Gravenhage 6 september 2012, LJN BX7085.
Zie Polak & Pannevis 2014, p. 15 e.v. voor de voorwaarden gesteld aan een faillissement.
HR 13 juli 2012, LJN BW7477.
HR 30 september 1955, NJ 1956, 319, HR 22 maart 1985, NJ 1985, 548, m.nt. G en HR 17 juni 1988, NJ 1988, 957.
Polak & Pannevis 2014, p. 16.
HR 18 maart 1983, NJ 1983, 568.
HR 27 januari 995, NJ 1995, 579, m.nt. Maeijer (Adjuncten Properties/Söderqvist q.q.).
Uit jurisprudentie volgt dat een (herleefde) turbogeliquideerde BV alsnog failliet kan worden verklaard.1 Dit is ook niet verbazingwekkend, nu niets eraan in de weg staat een dergelijke BV failliet te verklaren, mits aan de voorwaarden gesteld aan een faillissement is voldaan.2 Volgens de Hoge Raad mag een rechter het faillissement uitspreken indien hem summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat aan de vereisten hiervoor is voldaan.3 Ingevolge artikel 1 Fw kan een BV failliet worden verklaard indien deze in de toestand verkeert dat ze heeft opgehouden te betalen, hetzij op verzoek van de BV zelf, hetzij op verzoek van één of meer schuldeisers (of van het OM om redenen van openbaar belang). Wanneer het faillissement op verzoek van een schuldeiser wordt aangevraagd, dient deze volgens artikel 6 lid 3 Fw een vorderingsrecht op de BV te hebben. De toestand waarin de BV dient te verkeren om over te kunnen gaan tot faillietverklaring – de toestand dat de BV heeft opgehouden te betalen – wordt niet verder uitgewerkt in de wet. Uit jurisprudentie volgt dat voor het aannemen van een dergelijke toestand twee minimumvereisten gelden. Allereerst is vereist dat de BV meerdere schuldeisers heeft:4 het pluraliteitsvereiste.5 Een ander vereiste om te kunnen spreken van een toestand te hebben opgehouden betalen als bedoeld in artikel 1 Fw is de opeisbaarheid van tenminste één vordering. Het is niet vereist dat de vordering van de aanvrager opeisbaar is.6 Ook wanneer is voldaan aan het pluraliteitsvereiste en sprake is van tenminste één opeisbare vordering leidt dat niet per definitie tot een faillietverklaring. Het betreft – zoals gezegd – minimumvereisten voor het aannemen van de toestand. Ingevolge artikel 6 lid 3 Fw zal summierlijk dienen te blijken van feiten en omstandigheden welke aantonen dat de toestand bestaat en de schuldenaar heeft opgehouden te betalen. Deze toestand moet na een kort en eenvoudig onderzoek blijken.
Dat het faillissement van een herleefde turbogeliquideerde BV opmerkelijk is, bleek al uit paragraaf 8.6. De turbogeliquideerde BV kan immers herleven door faillissementsaanvrage en wel wanneer aan de voorwaarden gesteld aan de faillietverklaring is voldaan en het bovendien voldoende aannemelijk is dat de BV over een bate beschikt.7 Daarnaast spelen de faillissementspauliana (paragraaf 10.2) en de bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement op basis van artikel 2:248 BW (paragraaf 10.3.1) een eigenaardige rol wanneer een turbogeliquideerde BV alsnog in faillissement geraakt. In een dergelijke situatie ontstaan ook problemen ten aanzien van de bewijsvermoedens van artikel 2:248 lid 2 BW (paragraaf 10.3.2) en de driejaarstermijn van artikel 2:248 lid 6 BW (paragraaf 10.3.3).