Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2473.
HR, 28-11-2025, nr. 24/03982
ECLI:NL:HR:2025:1805
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-11-2025
- Zaaknummer
24/03982
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1805, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑11‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1009
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:2473
ECLI:NL:PHR:2025:1009, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1805
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑10‑2024
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2025-0086
JIN 2026/10 met annotatie van mr. M.A.J.G. Janssen
Uitspraak 28‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/03982
Datum 28 november 2025
ARREST
In de zaak van
[buurman A] ,
wonende te [plaats] ,
EISER tot cassatie,
hierna: [buurman A] ,
advocaat: M.W. Scheltema,
tegen
[buurman B] ,
wonende te [plaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [buurman B] ,
advocaat: H.J.W. Alt.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/02/353444 / HA ZA 18-905 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 maart 2020 en 15 juli 2020;
b. het bij verstek gewezen vonnis in de zaak C/02/397049/ HA ZA 22-208 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 juni 2022;
c. de in verzet gewezen vonnissen in de zaak C/02/399391 / HA ZA 22-344 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 september 2022 en 7 maart 2023;
d. de arresten in de zaak 200.329.799/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 september 2023 en 30 juli 2024.
[buurman A] heeft tegen het arrest van het hof van 30 juli 2024 beroep in cassatie ingesteld.
[buurman B] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging en tot afdoening zoals onder 4.28 in de conclusie vermeld.
De advocaat van [buurman B] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
De woningen van [buurman A] en [buurman B] bevinden zich in een gebouw dat is opgedeeld in vier wooneenheden. [buurman A] en [buurman B] zijn ieder eigenaar van een van de wooneenheden. Daarnaast zijn [buurman A] en [buurman B] ieder voor een deel rechthebbende op een naastgelegen zaak die bestemd is tot gemeenschappelijk nut van de verschillende eigenaren (het terrein rond het gebouw). Tussen partijen zijn vanaf 2013 geschillen ontstaan. Zij hebben diverse procedures gevoerd en daarin over en weer vorderingen ingesteld.
2.2
In een van de procedures heeft [buurman A] vorderingen ingesteld, genummerd I tot en met X. Voor zover in cassatie van belang heeft [buurman A] onder VIII gevorderd dat [buurman B] zal worden geboden de mandelige zaak enkel (door derden) te (laten) gebruiken in overeenstemming met het in de leveringsakte bepaalde, en onder IX om [buurman B] te veroordelen tot betaling van een dwangsom voor elke dag of elk deel daarvan dat [buurman B] te laat is met voldoening van, dan wel in strijd handelt met het gevorderde onder (onder meer) VIII. [buurman B] heeft in die procedure reconventionele vorderingen ingesteld.
2.3
Bij tussenvonnis (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank onder meer (in de rov. 5.10-5.13) de vordering van [buurman A] onder VIII beoordeeld en geoordeeld dat de vordering kan worden toegewezen en dat de onder IX gevorderde dwangsom zal worden bepaald op € 50,-‑ per overtreding met een maximum van € 500,--. De overige vorderingen van [buurman A] beschouwde de rechtbank als ingetrokken of als niet of nog niet toewijsbaar. De rechtbank heeft [buurman A] in de gelegenheid gesteld bij nadere conclusie te reageren op (uitsluitend) een eisvermeerdering van [buurman B] in reconventie. In het dictum van het tussenvonnis heeft de rechtbank in reconventie de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een nadere conclusie door [buurman A] , en in conventie en in reconventie iedere verdere beslissing aangehouden.
2.4
Bij eindvonnis (hierna: het eindvonnis) heeft de rechtbank haar beslissingen, voor zover die betrekking hebben op de vorderingen van [buurman A] als volgt samengevat:
“2.13 Resumerend (…):
- De vordering van [buurman A] sub I tot het meewerken van [buurman B] aan inschrijving van de eigendomsovergang wordt toegewezen als hierna te melden.
- De vordering sub II wordt afgewezen.
- De vorderingen sub III, IV en V zijn op grond van het bepaalde in 5.2 van het tussenvonnis (…) reeds als ingetrokken beschouwd.
- De vordering sub VI, VII, VIII en IX worden afgewezen.
- De aanvulling van eis wordt afgewezen.”
Het dictum van het eindvonnis luidt in conventie als volgt:
“3.1. veroordeelt [buurman B] tot medewerking aan kadastrale inschrijving van de eigendomsovergang van de partijen en de rechtbank bekende strook grond aan [buurman A] , een en ander binnen veertien (14) dagen na levering van de strook grond bij de notaris als hierna onder 3.6 bepaald,
3.2.
verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.3.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,”
2.5
In de onderhavige procedure vordert [buurman A] onder meer dat de rechtbank het eindvonnis zal herstellen in die zin dat daarin alsnog zijn vorderingen onder VIII en IX worden toegewezen, zoals in het tussenvonnis overwogen. De rechtbank heeft daarop als volgt beslist:
“bepaalt dat in het [eindvonnis], waar onder rechtsoverweging 2.13. staat
“- De vordering sub VI, VII, VIII en IX worden afgewezen,”
wordt gewijzigd in
“- De vordering sub VI en VII worden afgewezen,”
en daaronder wordt toegevoegd
“- De vordering van [buurman A] sub VIII tot het gebieden de mandelige zaak enkel (door derden) te (laten) gebruiken in overeenstemming met het in de leveringsakte (…) bepaalde wordt toegewezen als hierna te melden,
- De vordering sub IX wordt toegewezen als hierna te melden,”
bepaalt dat na rechtsoverweging 3.1. van het [eindvonnis] dient te worden toegevoegd
“3.2. gebiedt [buurman B] de mandelige zaak enkel (door derden) te (laten) gebruiken in overeenstemming met het in de leveringsakte (…) bepaalde,”
en
“3.3. veroordeelt [buurman B] om aan [buurman A] een dwangsom te betalen van € 50,00 per overtreding dat hij niet aan de in 3.2. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 500,00 is bereikt,”
bepaalt dat deze verbetering (…) wordt vermeld op de minuut van het [eindvonnis],(…).”
2.6
[buurman B] heeft van deze uitspraak (hierna: het herstelvonnis) hoger beroep ingesteld. Hij heeft onder meer aangevoerd dat de rechtbank buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv is getreden door het eindvonnis te verbeteren zonder dat sprake is van een kennelijke fout. Het hof1.heeft het herstelvonnis vernietigd en de vordering tot herstel van het eindvonnis alsnog afgewezen. Het heeft, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“6.9. Naar het oordeel van het hof is in het [eindvonnis] geen sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent in de zin van artikel 31 Rv. Vaststaat weliswaar dat de beslissing in het eindvonnis (…) niet strookt met de overwegingen in het tussenvonnis (…). Maar niet op het eerste gezicht is het voor partijen en derden evident duidelijk of de rechtbank de desbetreffende vorderingen VIII en IX had willen toewijzen maar dat per abuis heeft nagelaten, dan wel dat de rechtbank in het eindvonnis terug heeft willen komen van de in het tussenvonnis gegeven bindende eindbeslissing maar heeft verzuimd dat te motiveren anders dan met de enkele ongemotiveerde vermelding in rechtsoverweging 2.13 dat vordering VIII en IX worden afgewezen.
Kennelijk was het wel voor de rechtbank, zoals zij in het bestreden vonnis heeft overwogen, duidelijk dat zij de vorderingen VIII en IX per abuis niet heeft toegewezen (…), maar dat wil niet zeggen dat de vergissing en de wijze waarop herstel van die vergissing moest plaatsvinden, ook voor eenieder die het tussenvonnis en het eindvonnis las zonneklaar waren, wat wel nodig is om een kennelijke verschrijving in de zin van artikel 31 Rv aan te kunnen nemen. Gelet op de beperkte uitleg die aan artikel 31 Rv wordt gegeven en het niet voor partijen en derden direct duidelijk is welke van de twee zojuist bedoelde opties de rechtbank voor ogen heeft gehad, kan een kennelijke verschrijving als bedoeld in artikel 31 Rv niet worden aangenomen.
6.10.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de rechtbank (…) buiten het toepassingsgebied van artikel 31 Rv is getreden door ten onrechte aan te nemen dat sprake was van een kennelijke, ook voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare fout, en door tot herstel van die fout over te gaan. [buurman B] is daarom ontvankelijk in het hoger beroep.
6.11.
Bovendien, voor het geval ervan zou worden uitgegaan dat wel sprake is van een kennelijke fout in de zin van artikel 31 Rv, overweegt het hof naar aanleiding van het overige door [buurman B] gevoerde verweer ten overvloede als volgt.
De vordering van [buurman A] die ertoe strekte om [buurman B] te verbieden op het terrein rond [het gebouw] te parkeren, is in het dictum van het eindvonnis (….) niet toegewezen. Het lag daarom in beginsel op de weg van [buurman A] om, indien hij het daarmee niet eens was, daartegen actie te ondernemen, ofwel door middel van het instellen van hoger beroep ofwel door middel van een verzoek op de voet van artikel 31 Rv. [buurman A] heeft echter geruime tijd geen actie ondernomen. Evenmin heeft hij tot handhaving van het al dan niet bij eindvonnis toegewezen verbod aangedrongen.
Het initiatief om te komen tot een verbetering van het vonnis kon niet van [buurman B] worden verwacht. Bedoelde, tegen hem ingestelde vordering was immers in het dictum afgewezen. Eerst bij dagvaarding van 31 maart 2022, een jaar en ruim acht maanden later, heeft [buurman A] verbetering van het eindvonnis (….) gevraagd. Op zich kan verbetering te allen tijde worden gevraagd. Evenwel is niet gebleken dat [buurman A] zich in die periode in contacten met [buurman B] eerder op het standpunt heeft gesteld dat het eindvonnis (…) moest worden verbeterd. In dat verband is van belang dat [buurman B] heeft gesteld (…), hetgeen niet door [buurman A] is betwist, dat na het eindvonnis (…) nog uitvoerig overleg heeft plaatsgevonden tussen de advocaten van [buurman B] en [buurman A] . Tijdens die contacten heeft [buurman A] nimmer aan de orde gesteld de – in zijn ogen – kennelijke fout van de rechtbank ten aanzien van zijn vordering VIII.
Onder deze omstandigheden is het naar het oordeel van het hof inderdaad gelet op de strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [buurman A] na een periode van bijna twee jaar alsnog verbetering van dat vonnis vraagt. Het is ook de vraag in hoeverre [buurman A] nog belang heeft bij de toewijzing van de vordering met dwangsom, temeer nu hij dit kennelijk jarenlang niet heeft gehad. [buurman B] hoefde met een verzoek om verbetering redelijkerwijs geen rekening meer te houden.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
De onderdelen 1 en 2 van het middel richten zich tegen het oordeel van het hof in rov. 6.9 dat geen sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent als bedoeld in art. 31 Rv. Volgens de onderdelen ziet het begrip ‘kennelijke fout’ in art. 31 Rv juist op gevallen zoals in deze zaak aan de orde, waarin het dictum van het vonnis niet aansluit op de overwegingen. Het oordeel van het hof is daarom onjuist althans onbegrijpelijk, zo klagen de onderdelen.
3.2
Van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent in de zin van art. 31 Rv, is sprake indien voor partijen en derden kenbaar is waarin de fout is gelegen.2.De fout moet niet voor redelijke twijfel vatbaar zijn, en voor partijen en derden op het eerste gezicht duidelijk.3.In de wetsgeschiedenis wordt in dit verband onder meer als voorbeeld genoemd het geval dat alle verweren van gedaagde tegen een vordering onjuist zijn bevonden en niettemin in het dictum de vordering wordt afgewezen in plaats van toegewezen.4.
3.3
De rechtbank heeft in het tussenvonnis zonder enig voorbehoud beslist dat de vordering onder VIII kan worden toegewezen en dat de daaraan te verbinden dwangsom zal worden bepaald op € 50,-- per overtreding met een maximum van € 500,--. Daarmee heeft de rechtbank, naar ook het hof in rov. 6.9 (in cassatie onbestreden) heeft vastgesteld, een bindende eindbeslissing gegeven over vordering VIII en de onder IX gevorderde, daarmee samenhangende dwangsom. De rolverwijzing in reconventie hield geen verband met vordering VIII en de daaraan te verbinden dwangsom. In het eindvonnis heeft de rechtbank niets overwogen over vordering VIII en de daaraan te verbinden dwangsom. Niettemin zijn deze vorderingen in het dictum van het eindvonnis afgewezen. Er is geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de rechtbank heeft bedoeld terug te komen van haar bindende eindbeslissing maar verzuimd heeft dit in het eindvonnis te motiveren. In het licht van een en ander heeft het hof met het oordeel dat geen sprake is van een kennelijke fout in de zin van art. 31 Rv hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd. De onderdelen 1 en 2 slagen dus.
3.4
Onderdeel 5 klaagt dat het hof in rov. 6.11 heeft miskend dat indien sprake is van een kennelijke fout als bedoeld in art. 31 Rv, het herstelvonnis onaantastbaar is.
3.5
Tegen een verbetering of de weigering daarvan op de voet van art. 31 Rv staat geen voorziening open (art. 31 lid 4 Rv). Om toch te kunnen worden ontvangen in het hoger beroep volstaat dat een doorbrekingsgrond wordt aangevoerd. Als de rechter in hoger beroep tot de conclusie komt dat het beroep op de aangevoerde doorbrekingsgrond faalt, leidt dit tot verwerping van het beroep; de beoordeling in hoger beroep is dan beperkt tot de beoordeling van de (voor)vraag of een doorbrekingsgrond zich voordoet.5.
3.6
Het hof heeft in rov. 6.11 tot uitgangspunt genomen dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat sprake is van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel. Bij dat uitgangspunt is de rechtbank niet buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv getreden. De door [buurman B] in hoger beroep aangevoerde doorbrekingsgrond doet zich dan dus niet voor. De afwezigheid van een doorbrekingsgrond staat aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep in de weg (zie hiervoor in 3.5). De hiervoor in 3.4 weergegeven klacht slaagt dus.
3.7
Het voorgaande brengt mee dat het arrest van het hof niet in stand kan blijven. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
3.8
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de afwijzing in het eindvonnis van vordering VIII (met de daaraan verbonden dwangsom) berust op een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, zoals bedoeld in art. 31 Rv. De door [buurman B] in hoger beroep tegen het herstelvonnis aangevoerde doorbrekingsgrond doet zich dus niet voor. Zijn hoger beroep zal worden verworpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
˗ vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 juli 2024;
˗ verwerpt het hoger beroep;
˗ veroordeelt [buurman B] in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [buurman A] begroot:
- in hoger beroep op € 2.771,--;
- in cassatie op € 496,97 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris,
een en ander vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [buurman B] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 28 november 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 28‑11‑2025
Vgl. HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279, rov. 5.3.2.
Zie o.a. HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3536, rov. 3.4.3.
Conclusie 19‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Herstel van kennelijke fout in vonnis, art. 31 Rv. Hof vernietigt herstelvonnis van rechtbank. Klachten daartegen in cassatie.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03982
Zitting 19 september 2025
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
[buurman A]
tegen
[buurman B]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [buurman A] respectievelijk [buurman B] .
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak betreft het relatief bijzondere geval waarin cassatieberoep is ingesteld, niet tegen een herstelarrest waarin het hof een eigen eerder arrest op de voet van art. 31 lid 1 Rv heeft hersteld, maar tegen een arrest waarin het hof in hoger beroep heeft beoordeeld of de rechtbank terecht op de voet van art. 31 lid 1 Rv een eerder vonnis heeft hersteld. Het hof heeft in afwijking van de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, in verband met het rechtsmiddelenverbod van art. 31 lid 4 Rv geoordeeld dat zich dus een doorbrekingsgrond voordoet, het herstelvonnis van de rechtbank vernietigd, en de vordering tot herstel alsnog afgewezen.
1.2
Mijns inziens slagen diverse van de tegen het arrest van het hof gerichte cassatieklachten.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1.
(i) [buurman A] is eigenaar van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . [buurman B] is eigenaar van de woning aan de [a-straat 2] te [plaats] . De woningen van partijen bevinden zich in een voormalige marechausseekazerne met monumentale status, die is opgedeeld in vier wooneenheden/appartementen in totaal. Daarnaast zijn [buurman A] en [buurman B] ieder voor een deel rechthebbende op een naastgelegen zaak die bestemd is tot gemeenschappelijk nut van de verschillende eigenaren (het terrein rond de kazerne).
(ii) Tussen partijen zijn vanaf 2013 burengeschillen ontstaan. Zij hebben diverse gerechtelijke procedures gevoerd en daarbij over en weer vorderingen ingesteld.
2.2
Bij inleidende dagvaarding in zaak C/02/353444 / HA ZA 18-9052.heeft [buurman A] onder andere gevorderd [buurman B] te veroordelen tot medewerking aan kadastrale inschrijving3.van de eigendomsovergang van een strook grond aan [buurman A] (vordering I), te bepalen dat onder bepaalde voorwaarden het vonnis in de plaats zal treden van de voor de hiervoor bedoelde inschrijving te verlijden akte of een deel daarvan (vordering II), [buurman B] te veroordelen over te gaan tot plaatsing van een heg (vordering VI), en [buurman B] te gebieden de mandelige zaak enkel (door derden) te (laten) gebruiken in overeenstemming met het in de leveringsakte van 24 oktober 2012 bepaalde (vordering VIII). Verder heeft [buurman A] in verband met onder meer vorderingen I, VI en VIII gevorderd [buurman B] te veroordelen tot betaling van een dwangsom met een maximumbedrag (vordering IX). [buurman B] heeft vorderingen in reconventie ingesteld.
2.3
Bij tussenvonnis van 25 maart 2020 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant met betrekking tot vorderingen I en II geoordeeld dat zij (nog) niet toewijsbaar zijn, omdat de vorderingen veronderstellen dat eigendomsoverdracht al heeft plaatsgevonden, maar dit nog niet heeft plaatsgevonden (rechtsoverweging 5.4). Over vordering VI heeft de rechtbank overwogen dat partijen tijdens de descente nadere afspraken hebben gemaakt over het plaatsen van een heg, en dat vordering VI na de uitvoering van die afspraak wordt ingetrokken (rechtsoverweging 5.1). Over de vorderingen VIII en IX heeft de rechtbank in het tussenvonnis als volgt geoordeeld:4.
‘Vordering sub VIII gebruik mandelige zaak
5.10.
[buurman A] vordert sub VIII om [buurman B] te verbieden de mandelige zaak enkel (door derden) te (laten) gebruiken in overeenstemming met het in de leveringsakte van 24 oktober 2012 bepaalde. Ter gelegenheid van de descente en comparitie heeft [buurman A] verklaard dat in plaats van een verbod een gebod bedoeld wordt. [buurman A] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [buurman B] in strijd met de bestemming gebruik maakt van de mandelige zaak voor parkeerdoeleinden dan wel anderszins de doorgang van het terrein belemmert.
5.11.
[buurman B] betwist dat hij gebruik maakt van het mandelig terrein in strijd met de leveringsakte en het normale gebruik. [buurman B] betwist ook dat parkeren op het mandelig terrein niet toegestaan zou zijn. [buurman B] stelt dat de bewoners/eigenaren sinds jaar en dag op dat mandelige terrein parkeren en dat [buurman A] dit zelf ook incidenteel doet. Ook de bewoners van de [a-straat 3] en [a-straat 4] (die hun woning van [buurman A] huren) parkeren structureel op het mandelige terrein, aldus [buurman B] .
5.12.
De inhoud van een erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening worden ingevolge het bepaalde in artikel 5:73 lid 1 BW bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Bij de uitleg van de akte van vestiging komt het dan ook in beginsel aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte (HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH9168).
5.13.
Op grond van artikel 2 van de akten van levering van partijen heeft iedere mede-eigenaar een zodanig recht van gebruik van de mandelige zaak als in overeenstemming is met de bestemming en is het bedoelde toegangs- en manoeuvreerterrein bestemd om door de deelgenoten te voet, dan wel met alle soorten voertuigen, te gaan naar, dan wel te komen van de openbare weg. Parkeren op het terrein valt niet onder voornoemd gebruik van een erfdienstbaarheid van weg. Nu uit het verweer van [buurman B] kan worden afgeleid dat hij wel op dit terrein parkeert, heeft [buurman A] recht en belang bij het gevorderde gebod om dat niet te doen. Deze vordering kan dan ook worden toegewezen. De sub IX gevorderde dwangsom zal worden bepaald op € 50,– per overtreding met een maximum van €500,–.’
De rechtbank heeft vastgesteld dat [buurman B] na de comparatie bij akte zijn eis heeft vermeerderd en achtte de eisvermeerdering toelaatbaar. Omdat [buurman A] nog geen gelegenheid had gehad om op de eisvermeerdering te reageren, heeft de rechtbank hem in de gelegenheid gesteld dat alsnog te doen bij nadere conclusie:
‘5.18. (…) Nu [buurman A] echter nog geen gelegenheid heeft gehad op deze eisvermeerdering te reageren, zal hij daartoe bij nadere conclusie in de gelegenheid worden gesteld, waarbij voor de duidelijkheid wordt vermeld dat [buurman A] bij die gelegenheid alleen op de eisvermeerdering mag reageren. De zaak zal daarvoor naar de rol worden verwezen.’
In afwachting van de door [buurman A] te nemen nadere conclusie heeft de rechtbank iedere nadere beslissing aangehouden (zie rechtsoverweging 5.19 en het dictum).
2.4
In het eindvonnis van 15 juli 2020 (hierna: het eindvonnis) heeft de rechtbank beoordeeld of het bij eisvermeerdering door [buurman B] in reconventie gevorderde toewijsbaar is. In verband met de toewijzing van een van deze vorderingen, overweegt de rechtbank in rechtsoverweging 2.8 dat de door [buurman A] in conventie gevorderde veroordeling tot medewerking van [buurman B] aan kadastrale inschrijving van de eigendomsovergang (vordering I) ‘daarmee thans ook toewijsbaar’ is. Volgens rechtsoverweging 2.8, slot, zag de rechtbank echter geen aanleiding voor de door [buurman A] gevorderde dwangsom (vordering IX). Voorts heeft de rechtbank in rechtsoverweging 2.12 vastgesteld dat [buurman A] geen belang heeft bij zijn vordering VI, omdat uit de stellingen van [buurman B] volgt dat hij de gemaakte afspraken over het plaatsen van een heg zal nakomen. Vervolgens overwoog de rechtbank:5.
‘Conclusie
2.13.
Resumerend heeft naar aanleiding van het voorgaande en het tussenvonnis van 25 maart 2020 ten aanzien van de vorderingen van [buurman A] in conventie het volgende te gelden:
– De vordering van [buurman A] sub I tot het meewerken van [buurman B] aan inschrijving van de eigendomsovergang wordt toegewezen als hierna te melden.
– De vordering sub II wordt afgewezen.
– De vorderingen sub III, IV en V zijn op grond van het bepaalde in 5.2 van het tussenvonnis van 25 maart 2020 reeds als ingetrokken beschouwd.
– De vordering sub VI, VII, VIII en IX worden afgewezen.
– De aanvulling van eis wordt afgewezen.’
In het dictum van het eindvonnis, onder 3.1-3.3 zijn de vorderingen VIII en IX niet toegewezen. In dat dictum, onder 3.4 heeft de rechtbank in conventie het meer of anders gevorderde afgewezen.
2.5
Bij inleidende dagvaarding van 31 maart 2022 in zaak C/02/397049 / HA ZA 22-208 heeft [buurman A] , voor zover in cassatie van belang, de rechtbank op de voet van art. 31 Rv verzocht om het eindvonnis te herstellen door de vorderingen VIII en IX alsnog toe te wijzen, met nevenvorderingen. Aan [buurman B] is verstek verleend. Bij verstekvonnis van 1 juni 2022 heeft de rechtbank het eindvonnis hersteld, kort gezegd, door de vorderingen VIII en IX alsnog toe te wijzen op de wijze zoals verwoord in het tussenvonnis, onder 5.11.6.Bij verzetdagvaarding heeft [buurman B] gevorderd dat de rechtbank [buurman A] in zijn vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze vordering zal afwijzen, met nevenvorderingen. Bij mondeling vonnis van 7 maart 2023 (hierna: het herstelvonnis) heeft de rechtbank het verstekvonnis vernietigd, en vervolgens overwogen:7.
‘De vordering ex artikel 31 Rv
[buurman A] stelt zich allereerst op het standpunt dat in het vonnis van 15 juli 2020 (en onder verwijzing naar het tussenvonnis van 25 maart 2020) sprake is van een kennelijke fout en dat deze fout op grond van artikel 31 Rv zou moeten worden verbeterd.
Partijen hebben allebei hun standpunten kenbaar gemaakt.
De rechtbank kan te allen tijde op verzoek van een partij of ambtshalve een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout verbeteren die zich voor eenvoudig herstel leent. In het vonnis van 25 maart 2020 onder overweging 5.13 is overwogen dat [buurman A] recht en belang heeft bij zijn vordering zoals die is geformuleerd onder 3.1 onder VIII, en de rechtbank de vordering daarom toewijsbaar acht. Ook de dwangsom die is gevorderd is toewijsbaar met een maximum van € 500,=. In haar vonnis van 15 juli 2020 onder 2.13 is vervolgens, zonder nadere toelichting, overwogen dat de vorderingen VIII en IX worden afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat die ongemotiveerde conclusie een kennelijke fout betreft, die zich eenvoudig leent voor herstel. De overweging in het tussenvonnis 5.13 was wel degelijk een bindende eindbeslissing en uit het vonnis van 15 juli 2020 volgt op geen enkele wijze dat de rechter op deze bindende beslissing terug heeft willen komen.
Het vonnis zal worden aangepast zoals hierna onder de beslissing is vermeld.’
In het dictum van het herstelvonnis heeft de rechtbank onder meer geoordeeld:
‘De rechtbank
vernietigt het door deze rechtbank op 1 juni 2022 onder zaaknummer / rolnummer C/02/397049 / HA ZA 22-208 gewezen verstekvonnis,
en opnieuw beslissend
bepaalt dat in het op 15 juli 2020 tussen [buurman A] en [buurman B] gewezen vonnis, waar onder rechtsoverweging 2.13. staat
"- De vordering sub VI, VII, VIII en IX worden afgewezen,”
wordt gewijzigd in
"- De vordering sub VI en VII worden afgewezen,”
en daaronder wordt toegevoegd
"- De vordering van [buurman A] sub VIII tot het gebieden de mandelige zaak enkel (door derden) te (laten) gebruiken in overeenstemming met het in de leveringsakte van 24 oktober 2012 bepaalde wordt toegewezen als hierna te melden,
- De vordering sub IX wordt toegewezen als hierna te melden,”
bepaalt dat na rechtsoverweging 3.1. van het op 15 juli 2020 tussen [buurman A] en [buurman B] gewezen vonnis dient te worden toegevoegd
“3.2. gebiedt [buurman B] de mandelige zaak enkel (door derden) te (laten) gebruiken in overeenstemming met het in de leveringsakte van 24 oktober 2012 bepaalde,”
en
"3.3. veroordeelt [buurman B] om aan [buurman A] een dwangsom te betalen van €50,00 per overtreding dat hij niet aan de in 3.2. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 500,00 is bereikt,”
bepaalt dat deze verbetering onder de vermelding van de datum van 7 maart 2023 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 15 juli 2020,
gelast [buurman A] , voor zover hij dit nog niet heeft gedaan, de ontvangen grosse van het vonnis van 15 juli 2020 na ontvangst van deze aanvullende beslissing aan de griffie van de rechtbank te retourneren,
compenseert de kosten van de verzet- en verstekprocedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af.’
2.6
[buurman B] heeft hoger beroep ingesteld tegen het herstelvonnis. Bij arrest van 30 juli 2024 heeft het hof het herstelvonnis van 7 maart 2023 en het verstekvonnis vernietigd, voor zover de rechtbank daarin het eindvonnis heeft hersteld, en de vordering van [buurman A] tot herstel van het eindvonnis alsnog afgewezen. De dragende overwegingen van het hof laten zich als volgt samenvatten:
a. De inleidende dagvaarding in eerste aanleg van [buurman A] had betrekking op twee kwesties, waaronder het verzoek om herstel van een kennelijke fout in het vonnis van 15 juli 2020. [buurman B] richt het hoger beroep alleen tegen de beslissing van de rechtbank over de herstelkwestie. (onder 6.6)
b. Tegen de verbetering van een kennelijke verschrijving in een rechterlijke uitspraak staat op grond van art. 31 lid 4 Rv geen hogere voorziening open. Het rechtsmiddelenverbod kan echter worden doorbroken als de rechter buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv is getreden of als de rechter essentiële vormen heeft verzuimd. (onder 6.7)
c. Naar het oordeel van het hof bevat het vonnis van 15 juli 2020 geen kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel in de zin van art. 31 Rv. (onder 6.8-6.9)
d. De rechtbank is daarom buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv getreden door ten onrechte aan te nemen dat sprake was van een kennelijke fout en door tot herstel van die fout over te gaan. [buurman B] is daarom ontvankelijk in het hoger beroep. (onder 6.10)
e. Voor het geval ervan zou worden uitgegaan dat wel sprake is van een kennelijke fout in de zin van art. 31 Rv oordeelt het hof dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [buurman A] pas bijna twee jaar na het vonnis van 15 juli 2020 alsnog verbetering van dat vonnis vraagt. Het is ook de vraag in hoeverre [buurman A] nog belang heeft bij toewijzing van de vordering met dwangsom. [buurman B] hoefde met een verzoek om verbetering redelijkerwijs geen rekening meer te houden. (onder 6.11)
f. Het hof zal het bestreden vonnis en het verstekvonnis van 1 juni 2022 vernietigen voor zover de rechtbank daarin het vonnis van 15 juli 2020 heeft hersteld. (onder 6.12)
2.7
Bij procesinleiding van 29 oktober 2024 heeft [buurman A] tijdig cassatieberoep ingesteld. [buurman B] heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk doen toelichten. Vervolgens heeft [buurman A] gerepliceerd en [buurman B] gedupliceerd.
3. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
[buurman A] heeft ondanks het rechtsmiddelenverbod van art. 31 lid 4 Rv hoger beroep ingesteld. Hij heeft daartoe een doorbrekingsgrond aangevoerd, en het hof heeft over het bestaan van die grond een oordeel gegeven. Vaste rechtspraak is dat van een dergelijke beslissing beroep in cassatie kan worden ingesteld en dat het rechtsmiddelenverbod niet aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in de weg staat.8.[buurman A] heeft bij het door hem ingestelde cassatieberoep ook belang.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel bestaat uit zes onderdelen.
4.2
De onderdelen 1-3 richten vanuit verschillende invalshoeken klachten tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 6.9 dat geen sprake is van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel. Rechtsoverweging 6.9 luidt:
‘6.9. Naar het oordeel van het hof is in het vonnis van 15 juli 2020 geen sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent in de zin van artikel 31 Rv. Vaststaat weliswaar dat de beslissing in het eindvonnis van 15 juli 2020 niet strookt met de overwegingen in het tussenvonnis van 25 maart 2020. Maar niet op het eerste gezicht is het voor partijen en derden evident duidelijk of de rechtbank de desbetreffende vorderingen VIII en IX had willen toewijzen maar dat per abuis heeft nagelaten, dan wel dat de rechtbank in het eindvonnis terug heeft willen komen van de in het tussenvonnis gegeven bindende eindbeslissing maar heeft verzuimd dat te motiveren anders dan met de enkele ongemotiveerde vermelding in rechtsoverweging 2.13 dat vordering VIII en IX worden afgewezen.
Kennelijk was het wel voor de rechtbank, zoals zij in het bestreden vonnis heeft overwogen, duidelijk dat zij de vorderingen VIII en IX per abuis niet heeft toegewezen, voor haar reden om over te gaan tot herstel, maar dat wil niet zeggen dat de vergissing en de wijze waarop herstel van die vergissing moest plaatsvinden, ook voor een ieder die het tussenvonnis en het eindvonnis las zonneklaar waren, wat wel nodig is om een kennelijke verschrijving in de zin van artikel 31 Rv aan te kunnen nemen. Gelet op de beperkte uitleg die aan artikel 31 Rv wordt gegeven en het niet voor partijen en derden direct duidelijk is welke van de twee zojuist bedoelde opties de rechtbank voor ogen heeft gehad, kan een kennelijke verschrijving als bedoeld in artikel 31 Rv niet worden aangenomen.’
4.3
Onderdeel 1 klaagt dat het oordeel dat geen sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent in de zin van art. 31 Rv, onjuist is. Het onderdeel voert in dit verband een aantal argumenten aan (ik verwijs naar de paginanummers van de procesinleiding in cassatie):
(I) Blijkens de toelichting op art. 31 Rv ziet het begrip ‘kennelijke fout’ op gevallen waarin het dictum van een vonnis niet aansluit op de overwegingen, waaronder het geval dat alle verweren ongegrond zijn bevonden en de vordering in het dictum toch wordt afgewezen in plaats van toegewezen. In deze zaak is precies het geval aan de orde waarin het dictum niet aansluit op de overwegingen. Daarom is sprake van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel op de voet van art. 31 Rv. (p. 4)
(II) Dit wordt niet anders doordat het in deze zaak gaat om een discrepantie tussen de overwegingen in een tussenvonnis en het dictum in een eindvonnis. Als in een eindvonnis zonder enige toelichting wordt voorbijgegaan aan een beslissing in een tussenvonnis, dan is in beginsel het in de toelichting op art. 31 Rv bedoelde geval aan de orde. Dat geldt temeer als de afwijzing van de vordering in het dictum van het eindvonnis onderdeel was van een meeromvattende afwijzing van (ook andere) vorderingen. (p. 5, bovenaan)
(III) In het geval dat de overwegingen in een vonnis en het dictum niet overeenstemmen, zal het steeds zo zijn dat het ook mogelijk is dat de rechter dit bewust heeft gedaan, maar is vergeten dit te motiveren. Volgens de toelichting is bij een discrepantie tussen de overwegingen en het dictum voor partijen echter direct duidelijk dat sprake is van een vergissing, ongeacht de oorzaak ervan. Het ligt ook veel meer voor de hand om aan te nemen dat sprake is van een vergissing dan dat de rechtbank is vergeten de afwijking te motiveren. Anders zou in het in de toelichting bij art. 31 Rv genoemde geval ook nooit sprake kunnen zijn van een kennelijke fout; dat is evident niet de strekking van die toelichting. (p. 5, midden)
(IV) Voor partijen en derden moet alleen direct duidelijk zijn dat sprake is van een fout, maar niet ook op welke wijze herstel daarvan moet plaatsvinden. Overigens is in deze zaak wel duidelijk hoe de fout moet worden hersteld. (p. 5, onderaan)
(V) De hiervoor bedoelde eis moet ook niet worden gesteld in verband met het vereiste van art. 31 Rv dat het moet gaan om een fout die zich leent voor eenvoudig herstel. Als het hof daarvan wel is uitgegaan, dan heeft het hof ook miskend dat de fout zich in dit geval leende voor eenvoudig herstel door het dictum van het eindvonnis in overeenstemming te brengen met de eindbeslissing in het tussenvonnis. In ieder geval valt niet in te zien waarom in dit geval geen sprake is van een fout die zich leent voor eenvoudig herstel. (p. 6, bovenaan)
(VI) Voor toepassing van art. 31 Rv volstaat dat voor partijen en derden direct duidelijk is dat sprake is van een vergissing. Als het hof met de woorden ‘evident duidelijk’ of ‘voor een ieder zonneklaar’ een striktere toets heeft willen aanleggen, dan is dit onjuist. Bovendien heeft het hof miskend dat een vergissing niet steeds voor partijen en derden direct kenbaar hoeft te zijn om voor verbetering op de voet van art. 31 Rv in aanmerking te komen. (p. 6, midden)
4.4
De klachten kunnen deels gezamenlijk worden behandeld. Daartoe geef ik eerst weer wat uit de wetsgeschiedenis van art. 31 Rv en de rechtspraak van uw Raad volgt met betrekking tot de vraag wanneer sprake is van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel.
4.5
Op grond van art. 31 lid 1, eerste volzin, Rv verbetert de rechter te allen tijde op verzoek van een partij of ambtshalve in zijn vonnis een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent.9.
4.6
In de memorie van toelichting is benadrukt dat verbetering niet mogelijk is als de vergissing berust op een materieel verkeerde beoordeling van een geschilpunt,10.maar uitsluitend indien sprake is van een kennelijke vergissing, zoals bij rekenfouten of schrijffouten. Ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van een fout die zich voor eenvoudig herstel leent, is in de memorie van toelichting opgemerkt:11.
‘Het is niet mogelijk precies aan te geven in welke gevallen sprake is van een fout die zich voor eenvoudig herstel leent. In Frankrijk en Duitsland wordt vooral gewezen op gevallen waarin het dictum niet aansluit op de overwegingen in het vonnis. Men denke bijvoorbeeld aan het geval dat alle verweren van gedaagde tegen een vordering onjuist zijn bevonden en niettemin in het dictum de vordering wordt afgewezen in plaats van toegewezen. Criterium is of voor partijen en derden direct duidelijk is, dat van een vergissing sprake is.’
Verderop in de memorie van toelichting wordt nogmaals benadrukt dat verbetering slechts mogelijk is bij kennelijke fouten: de fout moet niet voor redelijke twijfel vatbaar en voor derden op het eerste gezicht duidelijk zijn.12.
4.7
In een uitspraak uit 2019 heeft uw Raad ten aanzien van het in de parlementaire geschiedenis genoemde voorbeeld van een discrepantie of tegenstrijdigheid tussen de overwegingen en het dictum van een uitspraak verduidelijkt dat in een dergelijk geval het dictum niet zonder meer beslissend is. Omdat het dictum moet worden uitgelegd in het licht van de overwegingen waarop het berust, kan niet op voorhand worden gezegd dat aan de tekst van het dictum voorrang toekomt.13.
4.8
Bij de verdere behandeling van het wetsvoorstel heeft de Minister in antwoord op de vraag of het begrip ‘kennelijk’ zodanig eng moet worden opgevat dat slechts ruimte is voor verbetering van zeer duidelijke fouten opgemerkt:14.
‘Wij antwoorden op deze vraag dat de regeling van artikel 31 (1.3.12) inderdaad is bedoeld voor zeer duidelijke verschrijvingen of (reken)fouten waarvan buiten twijfel is wat de rechter tot uitdrukking wilde brengen en die zich ook voor eenvoudig herstel lenen. Het redresseren van een dergelijke fout door middel van een (ander) gewoon of buitengewoon rechtsmiddel zou hier veelal (te) zwaar, duur en inefficiënt zijn. Daarom is in het wetsvoorstel het eenvoudige middel van verbetering opgenomen. Wanneer niet kan worden gesproken van een “kennelijke fout” als hier bedoeld, is de “gewone” weg van een rechtsmiddel wel de aangewezene.’
Het gaat dus om zeer duidelijke fouten waarvan buiten twijfel is wat de rechter tot uitdrukking wilde brengen. Dit volgt ook uit de opmerking van de Minister dat de regeling van art. 31 Rv bedoeld is voor gevallen waarin evident is dat en welk ‘steekje’ de rechter heeft laten vallen.15.Ook uit de rechtspraak van uw Raad volgt dat van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent sprake is indien voor partijen en derden kenbaar is ‘waarin de fout is gelegen’ en dat daarvan geen sprake is als uit de uitspraak niet met voldoende zekerheid valt af te leiden wat de rechter heeft bedoeld te beslissen.16.
4.9
Dat het moet gaan om een kennelijke fout wordt nog onderstreept door het feit dat bij herstel geen nieuwe termijn voor rechtsmiddelen tegen de herstelde uitspraak gaat lopen,17.dat verbetering niet slechts met instemming van beide partijen mogelijk is,18.en dat rechtsmiddelen tegen de beslissing op de voet van art. 31 Rv in beginsel worden uitgesloten.19.
4.10
In het licht van het voorgaande kunnen de rechtsklachten van het onderdeel geen doel treffen. Volgens het hof is zowel mogelijk dat het dictum van het eindvonnis een fout bevat (omdat de rechtbank bij de in het tussenvonnis gegeven bindende eindbeslissingen wilde blijven) als dat de motivering van het eindvonnis een fout bevat (omdat de rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom het van de in het tussenvonnis gegeven bindende eindbeslissingen terugkwam). Daarvan uitgaande is geen sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Wat het hof overweegt komt op dit laatste neer, althans een welwillende lezing van ’s hofs arrest brengt mee dat het zo moet worden gelezen. Hierop stuiten alle klachten van het onderdeel af.
4.11
Onderdeel 2 klaagt dat de beslissing van het hof in rechtsoverweging 6.9 onbegrijpelijk is, omdat het hof geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang waarom – hoewel de rechtbank ongemotiveerd is voorbijgegaan aan haar eindbeslissing in het tussenvonnis, en daarmee dus voor partijen en derden direct duidelijk was dat de overwegingen in het tussenvonnis niet aansloten bij het dictum in het eindvonnis – toch onduidelijkheid bestaat over de vraag of sprake is van een kennelijke fout. Dat geldt temeer nu de rechtbank in het proces-verbaal van haar mondelinge uitspraak heeft geconstateerd dat in rechtsoverweging 5.13 van het tussenvonnis een bindende eindbeslissing is gegeven en uit het eindvonnis van 15 juli 2020 op geen enkele wijze volgt dat de rechter op deze bindende eindbeslissing heeft willen terugkomen. Het hof heeft ook niet gemotiveerd waarom partijen en derden ervan uit hadden kunnen of moeten gaan dat mogelijk ook daadwerkelijk de bedoeling van de rechtbank was om terug te komen op haar eindbeslissing in het tussenvonnis. Daarvoor ontbrak immers ieder aanknopingspunt, nu de rechtbank in het dictum van het eindvonnis geheel ongemotiveerd aan haar eindbeslissing in het tussenvonnis is voorbijgegaan.
4.12
Voor de behandeling van deze klacht is het nuttig om terug te grijpen op het hierboven 2.2 e.v. geschetste procesverloop in deze zaak. Daaruit blijkt, kort gezegd, het volgende.
4.13
De rechtbank heeft in rechtsoverweging 5.13 van het tussenvonnis overwogen dat vordering VIII van [buurman A] kan worden toegewezen en dat, in verband met die vordering, de dwangsom van vordering IX zal worden bepaald op € 50 per overtreding met een maximum van € 500.
4.14
Omdat [buurman B] na de mondelinge behandeling bij akte zijn eis in reconventie had vermeerderd, en de rechtbank deze eisvermeerdering toelaatbaar achtte, heeft de rechtbank [buurman A] in rechtsoverweging 5.18 van het tussenvonnis de gelegenheid geboden om bij nadere conclusie op alleen de eisvermeerdering te reageren. De rechtbank heeft de zaak daarvoor naar de rol verwezen en – gelet op rechtsoverweging 5.19 van het tussenvonnis – kennelijk alleen in verband daarmee in het tussenvonnis iedere verdere beslissing aangehouden.
4.15
Bij nadere conclusie heeft [buurman A] op de eiswijziging gereageerd. In deze nadere conclusie is [buurman A] in het geheel niet ingegaan op de vorderingen VIII en IX; dat zou in verband met rechtsoverweging 5.18 van het tussenvonnis ook niet toelaatbaar zijn geweest. Ook in de daaropvolgende antwoordconclusie van [buurman B] spelen de vorderingen VIII en IX geen enkele rol.
4.16
De (inhoudelijke) rechtsoverwegingen 2.1-2.12 van het eindvonnis hebben evenmin betrekking op vordering VIII, maar wel komt in rechtsoverweging 2.8 van het eindvonnis vordering IX aan de orde. Ik breng in herinnering dat vordering IX ertoe strekte dwangsommen te verbinden, niet alleen aan vordering VIII maar ook aan andere vorderingen, waaronder vordering I. Nadat de rechtbank in het tussenvonnis (nog) geen reden zag om de vorderingen I en II toe te wijzen, oordeelt de rechtbank in het eindvonnis – mede naar aanleiding van hetgeen [buurman A] en [buurman B] daarover in de nadere conclusie respectievelijke antwoordconclusie naar voren hebben gebracht – dat vordering I alsnog toewijsbaar is. Vervolgens merkt de rechtbank op dat zij voor de met vordering IX gevorderde dwangsom – klaarblijkelijk voor zover [buurman A] deze heeft gevorderd in verband met vordering I – geen aanleiding ziet. In rechtsoverweging 2.13-2.14 zet de rechtbank vervolgens de resultaten van de beoordeling in het tussenvonnis en het eindvonnis op een rij, waarbij de rechtbank in rechtsoverweging 2.13, vierde gedachtestreepje, overweegt dat de vorderingen VI, VII, VIII en IX worden afgewezen.
4.17
Het hof heeft bij de beoordeling of sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, kennelijk terecht tot uitgangspunt genomen dat het moest onderzoeken of redelijkerwijs een andere verklaring kan worden aangewezen voor de discrepantie tussen de bindende eindbeslissing in het tussenvonnis en het dictum in het eindvonnis. Verder heeft het hof op zichzelf terecht tot uitgangspunt genomen dat wanneer meerdere mogelijke verklaringen voor de discrepantie bestaan, en niet duidelijk is welke verklaring de juiste is, dit moet leiden tot de slotsom dat geen sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent (zie de bespreking van onderdeel 1). Het onderdeel klaagt echter terecht dat in het licht van de gedingstukken ’s hofs oordeel onbegrijpelijk is. Het tussenvonnis en eindvonnis, alsook de verschillende proceshandelingen van partijen, bevatten geen enkele aanwijzing dat de rechtbank in het eindvonnis heeft willen terugkomen van de bindende eindbeslissing die zij in het tussenvonnis (gemotiveerd) heeft genomen, en voor de door het hof genoemde alternatieve verklaring van de discrepantie valt dus geen enkel aanknopingspunt te vinden in het dossier. De enkele theoretische mogelijkheid dat de rechtbank zonder nader partijdebat zich sinds het tussenvonnis had bedacht, is onvoldoende.
4.18
Ten overvloede: wat het hof hier heeft beslist is te meer onbegrijpelijk omdat terugkomen van een bindende eindbeslissing alleen is toegelaten indien de eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag en dit ertoe zou leiden dat op een ondeugdelijke grondslag einduitspraak zou worden gedaan, terwijl bovendien partijen in enig stadium van de procedure de gelegenheid moeten hebben gehad om zich daarover uit te laten.20.Behalve het element van het ontbreken van ieder aanknopingspunt in het partijdebat, is er dus bepaald nog meer dat afbreuk doet aan het realiteitsgehalte van de door het hof genoemde alternatieve lezing van het eindvonnis van de rechtbank. De rechtbank zou én uit het niets zich moeten hebben bedacht, én vergeten moeten zijn dat zich bedenken te motiveren – en wel ondanks de overbekende regel dat het terugkomen op een bindende eindbeslissing een gekwalificeerde motivering behoeft – én dan zou de rechtbank ten slotte ook nog vergeten moeten zijn om aan hoor en wederhoor te doen. Mijns inziens is de opvatting die ook een zodanige opeenstapeling van fouten als een reële optie ziet, in strijd met de welwillendheid waarmee rechterlijke uitspraken behoren te worden gelezen, zowel door partijen als door een hogere rechter.
4.19
Vanwege het slagen van onderdeel 2, behoeft onderdeel 3 – dat klaagt over dezelfde beslissing van het hof – geen bespreking meer.
4.20
Onderdeel 4 richt zich tegen rechtsoverweging 6.10 van het bestreden arrest. Het hof overwoog:
‘6.10. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de rechtbank, zoals door [buurman B] aangevoerd, buiten het toepassingsgebied van artikel 31 Rv is getreden door ten onrechte aan te nemen dat sprake was van een kennelijke, ook voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare fout, en door tot herstel van die fout over te gaan. [buurman B] is daarom ontvankelijk in het hoger beroep.’
4.21
Het onderdeel klaagt dat gegrondbevinding van één of meer klachten uit de eerdere onderdelen meebrengt dat de beslissing van het hof in rechtsoverweging 6.10 van het bestreden arrest eveneens onjuist is. De rechtbank is dan immers niet buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv getreden en [buurman B] is dus niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
4.22
De klacht faalt. De door het hof opgegeven reden voor zijn beslissing dat [buurman B] ontvankelijk is, wordt weliswaar door de slagende klacht van onderdeel 2 geraakt, maar welbeschouwd is dat niet van belang. Het is vaste rechtspraak dat voor ontvankelijkheid volstaat dat een doorbrekingsgrond wordt aangevoerd. Daarmee is de partij die het rechtsmiddel instelt ‘binnen’. Blijkt na zulke ‘binnenkomst’ aan de hogere rechter dat de aangevoerde grond niet deugdelijk is, dan leidt dat tot afwijzing van het beroep en niet tot niet-ontvankelijkheid.21.
4.23
Onderdeel 5 richt klachten tegen het ten overvloede gegeven oordeel van het hof in rechtsoverweging 6.11 van het bestreden arrest. Het hof overwoog:
‘6.11. Bovendien, voor het geval ervan zou worden uitgegaan dat wel sprake is van een kennelijke fout in de zin van artikel 31 Rv, overweegt het hof naar aanleiding van het overige door [buurman B] gevoerde verweer ten overvloede als volgt.
De vordering van [buurman A] die ertoe strekte om [buurman B] te verbieden op het terrein rond de kazerne te parkeren, is in het dictum van het eindvonnis van 15 juli 2020 niet toegewezen. Het lag daarom in beginsel op de weg van [buurman A] om, indien hij het daarmee niet eens was, daartegen actie te ondernemen, ofwel door middel van het instellen van hoger beroep ofwel door middel van een verzoek op de voet van artikel 31 Rv. [buurman A] heeft echter geruime tijd geen actie ondernomen. Evenmin heeft hij tot handhaving van het al dan niet bij eindvonnis toegewezen verbod aangedrongen.
Het initiatief om te komen tot een verbetering van het vonnis kon niet van [buurman B] worden verwacht. Bedoelde, tegen hem ingestelde vordering was immers in het dictum afgewezen.
Eerst bij dagvaarding van 31 maart 2022, een jaar en ruim acht maanden later, heeft [buurman A] verbetering van het eindvonnis van 15 juli 2020 gevraagd. Op zich kan verbetering te allen tijde worden gevraagd. Evenwel is niet gebleken dat [buurman A] zich in die periode in contacten met [buurman B] eerder op het standpunt heeft gesteld dat het eindvonnis van 15 juli 2020 moest worden verbeterd. In dat verband is van belang dat [buurman B] heeft gesteld (punt 19 memorie van grieven), hetgeen niet door [buurman A] is betwist, dat na het eindvonnis van 15 juli 2020 nog uitvoerig overleg heeft plaatsgevonden tussen de advocaten van [buurman B] en [buurman A] . Tijdens die contacten heeft [buurman A] nimmer aan de orde gesteld de – in zijn ogen – kennelijke fout van de rechtbank ten aanzien van zijn vordering VIII.
Onder deze omstandigheden is het naar het oordeel van het hof inderdaad gelet op de strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [buurman A] na een periode van bijna twee jaar alsnog verbetering van dat vonnis vraagt. Het is ook de vraag in hoeverre [buurman A] nog belang heeft bij de toewijzing van de vordering met dwangsom, temeer nu hij dit kennelijk jarenlang niet heeft gehad. [buurman B] hoefde met een verzoek om verbetering redelijkerwijs geen rekening meer te houden.’
4.24
Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat wanneer sprake is van een kennelijke fout als bedoeld in art. 31 Rv geen hoger beroep openstaat en de beslissing van de rechtbank dat de kennelijke vergissing moet worden verbeterd dus rechtens juist en onaantastbaar is. De rechter heeft daarbij geen discretionaire bevoegdheid, en wat het hof van de beslissing vindt is niet relevant. De overwegingen van het hof in rechtsoverweging 6.11 kunnen dan niet meer leiden tot een andere beslissing dan de rechtbank heeft genomen en de verweren van [buurman B] zijn in dat verband dus ook niet relevant.
4.25
De klacht slaagt. [buurman B] heeft als doorbrekingsgrond aangevoerd dat de rechtbank buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv is getreden door tot herstel van een vonnis over te gaan zonder dat sprake was van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel.22.Als wordt verondersteld, zoals het hof doet in rechtsoverweging 6.11, eerste volzin, van het bestreden arrest, dat wél sprake is van ‘een kennelijke fout in de zin van art. 31 Rv’, dan is geen andere conclusie mogelijk dan dat de door [buurman B] in hoger beroep aangevoerde doorbrekingsgrond zich niet voordoet. Hoewel dit er niet aan afdoet dat [buurman B] ontvankelijk is in hoger beroep, staat het feit dat de aangevoerde doorbrekingsgrond niet kan worden aangenomen in de weg aan een verdere inhoudelijke beoordeling van de zaak in hoger beroep.23.Ook aan een oordeel op grond van de redelijkheid en billijkheid kan dan niet meer worden toegekomen. Dit alles is geheel in overeenstemming met de wens van de wetgever om te voorkomen dat de vraag of verbetering mogelijk en wenselijk is, inzet wordt van een afzonderlijke procedure.24.
4.26
De overige klachten van het onderdeel behoeven geen bespreking meer.
4.27
Onderdeel 6 bevat louter een voortbouwklacht. Deze klacht slaagt in het verlengde van het voorgaande.
4.28
Naar mijn mening kan uw Raad zelf de zaak afdoen. Uit het voorgaande volgt dat het oordeel van het hof dat de door [buurman B] aangevoerde doorbrekingsgrond zich voordoet niet in stand kan blijven. Bovendien volgt uit het voorgaande mijns inziens genoegzaam dat de door [buurman B] in hoger beroep aangevoerde doorbrekingsgrond zich niet voordoet, omdat in deze zaak sprake is van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel. In cassatie staat immers vast dat de rechtbank in het tussenvonnis een bindende eindbeslissing heeft gegeven over vorderingen VIII en IX,25.en uit het voorgaande volgt dat tussenvonnis, eindvonnis en proceshandelingen van partijen geen enkel aanknopingspunt bevatten voor de mogelijkheid dat de rechtbank daarvan heeft willen terugkomen (zie 4.12-4.17). Een hernieuwde beoordeling van de door [buurman B] in hoger beroep aangevoerde doorbrekingsgrond kan mijns inziens enkel leiden tot de conclusie dat deze zich niet voordoet en dat het hoger beroep moet worden verworpen.26.Ik geef uw Raad daarom in overweging om na vernietiging van het bestreden arrest het herstelvonnis van de rechtbank van 7 maart 2023 alsnog te bekrachtigen.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en tot afdoening als hiervoor onder 4.28 vermeld.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑09‑2025
Zie Hof ’s-Hertogenbosch 30 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2473, onder 6.1.1-6.1.2.
In het door [buurman B] overgelegde B-dossier ontbreken de processtukken die zien op deze procedure. De cassatieadvocaat van [buurman B] heeft in zijn bericht van 27 augustus 2025 aan de griffie van de Hoge Raad bevestigd dat in de conclusie en bij de beoordeling door uw Raad kan worden uitgegaan van de stukken in het door [buurman A] overgelegde A-dossier.
Rb. Zeeland-West-Brabant 25 maart 2020, zaaknummer / rolnummer C/02/353444 / HA ZA 18-905 (niet gepubliceerd).
Rb. Zeeland-West-Brabant 15 juli 2020, zaaknummer / rolnummer C/02/353444 / HA ZA 18-905 (niet gepubliceerd).
Rb. Zeeland-West-Brabant 1 juni 2022, zaaknummer / rolnummer C/02/399391 / HA ZA 22-344 (niet gepubliceerd).
Rb. Zeeland-West-Brabant 7 maart 2023, zaaknummer / rolnummer C/02/399391 / HA ZA 22-344 (niet gepubliceerd, mondeling vonnis).
HR 18 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7247, NJ 2002/566 en HR 20 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0912, NJ 1990/160 m.nt. P.A. Stein. Wat betreft de literatuur, zie: F.C. Bentvelzen, Doorbreking van rechtsmiddelenverboden (diss. Leiden), Deventer: Wolters Kluwer 2025, nr. 168; B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey, Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 166; W.D.H. Asser, Civiele Cassatie, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2018, p. 65-66.
Al voor de invoering van het huidige art. 31 Rv bij de herziening van het Wetboek van Rechtsvordering in 2002 werd in de rechtspraak van uw Raad de mogelijkheid van herstel aanvaard. Zie bijvoorbeeld HR 29 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1363, NJ 1994/497, onder 3.4: ‘Het gaat in dit geding om de vraag hoe een rechterlijke uitspraak kan worden verbeterd, voor zover daarin een kennelijke, ook voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare verschrijving als de onderhavige voorkomt. Gezien de eisen van proceseconomie en van een goede procesorde dient deze vraag aldus te worden beantwoord dat voor het bewerkstelligen van zulk een verbetering niet noodzakelijkerwijs de aanwending geboden is van een rechtsmiddel, zo dit al tegen de betrokken uitspraak mocht openstaan, doch dat verbetering, ambtshalve dan wel op verzoek van een der partijen, ook kan geschieden door de rechter die de uitspraak deed, zulks na partijen c.q. de wederpartij in de gelegenheid te hebben gesteld zich erover uit te laten of inderdaad van een zodanige verschrijving sprake is.’ Uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd grotendeels aan te sluiten bij deze rechtspraak van uw Raad.
Zie ook HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1167, NJ 2016/281. In die zaak verbeterde de rechtbank ten onrechte op de voet van art. 31 Rv de in een beschikking uitgesproken proceskostenveroordeling die volgens de rechtbank onjuist was wegens strijd met de opzet van art. 67 Fw.
MvT, Parl. Gesch. Rv. 2002, p. 175. Uw Raad heeft het criterium dat ‘voor partijen en derden direct duidelijk is dat van een vergissing sprake is’ in verschillende uitspraken vooropgesteld. Zie bijvoorbeeld HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:847, NJ 2013/558 m.nt. S.F.M. Wortmann, onder 3.6.2.
MvT, Parl. Gesch. Rv. 2002, p. 176.
HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:580, NJ 2019/186, JBPr 2019/33 m.nt. G.C.C. Lewin, onder 3.5.
Nota, Parl. Gesch. Rv. 2002, p. 178.
Nota, Parl. Gesch. Rv. 2002, p. 178.
HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1769, NJ 2021/389. Vgl. ook HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279, NJ 2019/335, onder 5.3.1-5.3.2 waar uw Raad overwoog dat debat mogelijk is over de vraag bij wie de Ondernemingskamer in haar beschikking de verantwoordelijkheid heeft gelegd van wanbeleid, zodat niet sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent in de zin van art. 31 lid 1 Rv.
MvT, Parl. Gesch. Rv. 2002, p. 175.
MvT, Parl. Gesch. Rv. 2002, p. 175-176 en Nota, Parl. Gesch. Rv. 2002, p. 179-180.
Nota, Parl. Gesch. Rv. 2002, p. 178.
Vaste rechtspraak sinds HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800, NJ 2008/553, m.nt. H.J. Snijders (X/Gemeente Voorst), onder 3.3.3, sindsdien vele malen herhaald, onder meer in HR 16 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1873, JBPr 2023/26, m.nt. H.L. Wattel (Marba/Salling), onder 3.3 (mét de kwalificatie door uw Raad zelf als inderdaad ‘vaste rechtspraak’). Vergelijk ook HR 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:258, onder 3.1.3.
HR 15 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0417, NJ 1992/119 m.nt. (Stichting Huisvesting voor Ouderen Naarden/X), onder 3.2; HR 22 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2208, NJ 1997/205 m.nt. P.A. Stein (X/Martinair) onder 3.8; HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3536, NJ 2015/275 m.nt. W.D.H. Asser, onder 3.4.3 (hierna voetnoot 23 aangehaald). Vergelijk ook HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9614, NJ 2008/547, m.nt. H.J. Snijders, welke uitspraak deze leer veronderstelt. Zie voor de literatuur onder meer het recente proefschrift van F.C. Bentvelzen, Doorbreking van rechtsmiddelenverboden, diss. Leiden, Deventer: Wolters Kluwer (Serie Burgerlijk Proces en Praktijk deel XXIV), 2025/5.4.2.
Zie rechtsoverweging 6.3, vierde alinea, van het bestreden vonnis en de memorie van grieven van [buurman B] , onder 18.
Zie HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3536, NJ 2015/275 m.nt. W.D.H. Asser, onder 3.4.3: ‘Voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep volstaat dat een beroep wordt gedaan op een van deze doorbrekingsgronden. Indien het beroep op een doorbrekingsgrond naar het oordeel van de appelrechter slaagt, beoordeelt hij vervolgens het geschil, voor zover aan zijn oordeel onderworpen. Indien het beroep op de doorbrekingsgrond faalt, wordt het hoger beroep verworpen. In dat geval is de beoordeling in hoger beroep beperkt gebleven tot de beoordeling van de (voor)vraag of sprake is van een doorbrekingsgrond.’
MvT, Parl. Gesch. Rv. 2002, p. 175.
Het hof gaat er in rechtsoverweging 6.9 van het bestreden arrest van uit dat sprake is van een bindende eindbeslissing en dat uitgangspunt is in cassatie niet bestreden.
Vergelijk HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1673, NJ 2021/364, onder 3.2.2 en dictum.
Beroepschrift 29‑10‑2024
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE HOGE RAAD
Algemeen
Gerecht: | Hoge Raad der Nederlanden |
Adres: | Korte Voorhout 8 2511 EK DEN HAAG |
Datum indiening: | 29 oktober 2024 |
Uiterste verschijndatum verweerder: | 13 december 2024 |
De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in art. 15a Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10:00 uur.
Partijen en advocaten
Eiser tot cassatie
Naam: | de heer [buurman A] |
Woonplaats: | [woonplaats], gemeente [gemeente] |
Advocaat bij de Hoge Raad: | mr. M.W. Scheltema, die door eiser als zodanig wordt aangewezen om hem in het geding in cassatie te vertegenwoordigen |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V. Bezuidenhoutseweg 57 2594 AC DEN HAAG |
Verweerder in cassatie
Naam: | de heer [buurman B] |
Woonplaats: | [woonplaats], gemeente [gemeente] |
Advocaat laatste feitelijke instantie: | mr. W.G.M. Vos |
Kantoor en kantooradres advocaat: | MARK Advocaten Baronielaan 28 4818 RA BREDA |
Bestreden uitspraak
Instantie: | Gerechtshof 's‑Hertogenbosch |
Datum: | 30 juli 2024 |
Zaaknummer: | 200.329.799/01 |
Op grond van artikel 31 lid 4 Rv staat tegen een beslissing over het al dan niet verbeteren van kennelijke fout als bedoeld in artikel 31 lid 1 Rv geen hogere voorziening open. In beginsel dus ook geen cassatieberoep. Het Hof heeft in dit geval in rov. 6.10 van het bestreden arrest echter een doorbrekingsgrond op het zojuist genoemde rechtsmiddelenverbod aanwezig geacht omdat de Rechtbank buiten het toepassingsgebied van artikel 31 Rv zou zijn getreden door ten onrechte aan te nemen dat sprake is van een kennelijke, ook voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare fout, en door tot herstel van die fout over te gaan. Daarom was het hoger beroep volgens het Hof ontvankelijk. Naar hierna wordt uiteengezet, heeft het Hof echter in hoger beroep ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat artikel 31 Rv niet kon worden toegepast en is dat artikel dus ten onrechte buiten toepassing gebleven. Het Hof heeft bovendien ten onrechte aangenomen dat er een doorbrekingsgrond bestond in verband met de toepassing door de Rechtbank van artikel 31 Rv. Er doet zich daarom ook in cassatie een doorbrekingsgrond op het rechtsmiddelenverbod van artikel 31 lid 4 Rv voor en het cassatieberoep is dus ontvankelijk.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat het Hof heeft geoordeeld als vermeld in rov. 6.9-6.13, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen:
Inleiding
In het middel wordt aan de orde gesteld dat het Hof heeft miskend dat in dit geval het in de parlementaire geschiedenis bij artikel 31 Rv genoemde voorbeeld van een kennelijke fout aan de orde is waarin het dictum van een eindvonnis (afwijzing van een vordering) zonder verdere toelichting niet overeenstemt met een bindende eindbeslissing in een tussenvonnis (toewijzing van die vordering). Het Hof heeft echter desalniettemin beslist dat hier geen sprake is van een kennelijke fout omdat niet voor partijen of derden direct duidelijk zou zijn dat sprake is van een vergissing. Het Hof is daarmee ofwel uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het begrip ‘kennelijke fout’ ofwel heeft zijn beslissing ontoereikend gemotiveerd. Nu artikel 31 Rv wel van toepassing is, zoals de rechtbank met juistheid heeft aangenomen, heeft het Hof ook ten onrechte aangenomen dat zich een doorbrekingsgrond voordoet in verband met het rechtsmiddelenverbod van artikel 31 lid 4 Rv en het hoger beroep daarom ondanks dit rechtsmiddelenverbod ontvankelijk is.
Klachten
1
De beslissing van het Hof in rov. 6.9 dat geen sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent in de zin van artikel 31 Rv, is rechtens onjuist. Blijkens de toelichting op (een eerdere gelijkluidende versie van) artikel 31 Rv ziet het begrip ‘kennelijke fout’ in dit artikel juist op gevallen, als in deze zaak aan de orde is, waarin het dictum van een vonnis niet aansluit op de overwegingen van het vonnis, in welk verband in de toelichting expliciet de situatie wordt genoemd waarin alle verweren ongegrond zijn bevonden en de vordering in het dictum niettemin wordt afgewezen in plaats van toegewezen.1. In dergelijke gevallen is aan partijen en derden blijkens de toelichting direct duidelijk dat sprake is van een vergissing. Hier doet zich een dergelijk geval voor. Naar het Hof in rov. 6.1.32. heeft vastgesteld, heeft de rechtbank in rov. 5.13 van het tussenvonnis van 25 maart 2020 ten aanzien van vordering VIII overwogen dat het gevorderde verbod (op straffe van dwangsom) om niet op het mandelige terrein te parkeren, kan worden toegewezen. In het dictum van het eindvonnis van 15 juli 2020 is vordering VIII, naar het Hof in rov. 6.1.33. heeft vastgesteld, echter afgewezen.
‘Naar het Hof in rov. 6.2 heeft vastgesteld, heeft de rechtbank in het verstekvonnis van 1 juni 2022 die fout hersteld, in welk verband de Rechtbank in (het proces-verbaal van) de mondelinge uitspraak van 7 maart 2023 (in verzet) heeft overwogen dat sprake is van een kennelijke fout en vordering VIII zonder nadere toelichting is afgewezen. De Rechtbank heeft uit die gang van zaken, naar het Hof in rov. 6.2 heeft vastgesteld, afgeleid dat die ongemotiveerde conclusie een kennelijke fout betreft.’
Het gaat in dit geval dus precies om het in de toelichting bij artikel 31 Rv genoemde geval waarin het dictum van het vonnis van 25 maart 2020 niet aansluit op de overwegingen in het vonnis van 15 juli 2020 (een eindbeslissing in een tussenvonnis). Daarom is, anders dan het Hof heeft beslist en naar de Rechtbank terecht heeft aangenomen, sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel op de voet van artikel 31 Rv leent.
‘Het Hof heeft in zijn overweging ten overvloede in rov. 6.11 overwogen dat eiser tot cassatie (hierna: [buurman A]) hoger beroep had kunnen en moeten instellen tegen het eindvonnis waarin de vordering was afgewezen. Mogelijk heeft het Hof in dat verband betekenis toegekend aan de stelling van verweerder in cassatie (hierna: [buurman B]) dat hij geen hoger beroep meer kan instellen tegen de verbeterde beslissing van de Rechtbank, waarin de vordering alsnog is toegewezen.4. Mogelijk heeft dat ook de beslissing van het Hof in rov. 6.9 beïnvloed. Indien het Hof van de juistheid van die stelling van [buurman B] is uitgegaan, is zijn beslissing echter rechtens onjuist omdat na verbetering van het vonnis een nieuwe appeltermijn gaat lopen.’5.
Indien de beslissing van het Hof aldus moet worden begrepen dat geen sprake is van het in de toelichting op artikel 31 Rv bedoelde en hiervoor genoemde geval omdat het gaat om een discrepantie tussen de overwegingen in een tussenvonnis (een eindbeslissing) en het dictum van het eindvonnis, terwijl de toelichting ziet op een discrepantie tussen de overwegingen en het dictum van hetzelfde vonnis, dan is zijn beslissing eveneens rechtens onjuist. Weliswaar is niet ondenkbaar dat een rechtbank in een eindvonnis terugkomt op een eindbeslissing in een tussenvonnis, maar dat kan alleen als daaraan een (dragende en rechtens juiste) motivering ten grondslag ligt. In de gevallen waarin in het eindvonnis zonder enige toelichting wordt voorbijgegaan aan een eerdere (eind)beslissing in een tussenvonnis, is in beginsel sprake van het in de toelichting op artikel 31 Rv bedoelde geval waarin de overwegingen in een vonnis niet in overeenstemming zijn met het dictum en is daarmee sprake van een kennelijke fout.6. Dat geldt temeer in dit geval waarin de afwijzing van de vordering door de Rechtbank in het dictum van het eindvonnis onderdeel was van een meeromvattende afwijzing van (ook andere) vorderingen.
In verband met het vorenstaande is de beslissing van het Hof in rov. 6.9 dat voor partijen en derden niet direct duidelijk is dat sprake is van een kennelijke fout, omdat de Rechtbank ook kan hebben verzuimd om de afwijzing in het dictum te motiveren dan wel omdat de fout en de wijze van herstel mogelijk voor de rechtbank wel duidelijk waren, maar niet voor een ieder die het tussen- en eindvonnis las zonneklaar, ook rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk. Het zal in verband met het in de toelichting bij artikel 31 Rv genoemde geval,7. dat de overwegingen in een vonnis en het dictum niet overeenstemmen, immers steeds zo zijn dat het ook mogelijk is dat de rechter dit bewust heeft gedaan, maar heeft vergeten dit te motiveren. Volgens de toelichting is echter bij een discrepantie tussen de overwegingen in een vonnis en het dictum voor partijen direct duidelijk dat sprake is van een vergissing, ongeacht de oorzaak ervan (in het geval dat het verschil niet wordt toegelicht). Het ligt in dergelijke gevallen ook veel meer voor de hand om aan te nemen dat sprake is van een vergissing dan dat de Rechtbank heeft vergeten de bewuste afwijking te motiveren. Wanneer de beslissing van het Hof juist zou zijn, zou in het in de toelichting bij artikel 31 Rv genoemde geval ook nooit sprake zijn van een kennelijke fout. Dat is evident niet de strekking van die toelichting.
Het Hof heeft verder miskend dat de wijze waarop herstel van de vergissing door de Rechtbank moet plaatsvinden niet voor een ieder die het tussenvonnis en het eindvonnis las zonneklaar hoeft te zijn. Aan partijen en derden moet enkel direct duidelijk zijn dat sprake is van een vergissing, hetgeen in dit geval volgt uit de omstandigheid dat de overwegingen in het tussenvonnis en het dictum van het eindvonnis niet overeenstemmen. Voor partijen en derden hoeft niet direct duidelijk (‘zonneklaar’) te zijn op welke wijze herstel van die kennelijke fout moet plaatsvinden. Overigens heeft het Hof tevens miskend dat dit in deze zaak wel het geval is.
‘Zonneklaar is immers voor partijen en derden dat het dictum van het eindvonnis conform de eindbeslissing in het tussenvonnis diende te worden aangepast, zoals de Rechtbank ook heeft gedaan in het vonnis van 7 maart 2023.’8.
Indien het Hof tot uitdrukking heeft willen brengen dat de hiervoor bedoelde eis moet worden gesteld in verband met het vereiste van artikel 31 lid 1 Rv dat het moet gaan om een fout die zich voor eenvoudig herstel leent, dan is zijn beslissing eveneens rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk. Het Hof heeft in dat geval miskend dat de fout zich in dit geval leende voor eenvoudig herstel door het dictum van het eindvonnis in overeenstemming te brengen met de eindbeslissing in het tussenvonnis.9. In ieder geval valt niet, althans niet zonder meer, in te zien waarom niet van een zich voor eenvoudig herstel lenende fout sprake is.
Het Hof heeft in rov. 6.9 voorts overwogen dat voor toepassing van artikel 31 Rv noodzakelijk is dat op het eerste gezicht voor partijen en derden evident duidelijk of voor een ieder zonneklaar is dat sprake is van een kennelijke fout. Naar in de toelichting op artikel 31 Rv is uiteengezet, is het criterium of voor partijen en derden direct duidelijk is dat van een vergissing sprake is.10. Anders dan het Hof in rov. 6.9 heeft overwogen, hoeft het dus niet evident duidelijk of voor een ieder zonneklaar te zijn. Indien het Hof in rov. 6.9 een striktere toets heeft willen aanleggen dan dat het voor partijen en derden direct duidelijk moet zijn dat van een vergissing sprake is, hetgeen niet zonder meer duidelijk is gelet op zijn beslissing in rov. 6.8, is zijn beslissing dus rechtens onjuist. Bovendien heeft het Hof miskend dat een vergissing niet steeds voor partijen en derden direct kenbaar hoeft te zijn om voor verbetering op de voet van artikel 31 Rv in aanmerking te komen.
Gelet op het vorenstaande, en anders dan het Hof in rov. 6.9 heeft overwogen, is het voor partijen en derden dus in beginsel direct duidelijk dat sprake is van een vergissing. Daarom heeft de Rechtbank in dit geval artikel 31 Rv terecht toegepast.
2
Indien het Hof het in het vorige onderdeel betoogde in rov. 6.9 niet heeft miskend, maar desalniettemin heeft aangenomen dat geen sprake is van een kennelijke fout, is zijn beslissing onbegrijpelijk. Het Hof heeft dan geen inzicht geboden in zijn gedachtegang waarom, ondanks dat de Rechtbank ongemotiveerd is voorbij gegaan aan haar eindbeslissing in het tussenvonnis en daarmee dus voor partijen en derden direct duidelijk was dat de overwegingen in het tussenvonnis niet aansloten bij het dictum in het eindvonnis,11. toch onduidelijkheid kon bestaan over de vraag of sprake is van een kennelijke fout. Dat geldt temeer nu de Rechtbank in het proces verbaal van haar mondelinge uitspraak van 7 maart 2023 heeft geconstateerd dat in rov. 5.13 van het tussenvonnis wel degelijk een bindende eindbeslissing is gegeven en uit het (eind)vonnis van 15 juli 2020 op geen enkele wijze volgt dat de rechter op deze bindende eindbeslissing terug heeft willen komen. Het Hof heeft weliswaar overwogen dat ook een mogelijkheid kon zijn dat de rechtbank had willen terugkomen op haar eindbeslissing in het tussenvonnis, maar dat neemt niet weg dat de discrepantie tussen de overweging in het tussenvonnis en het dictum van het eindvonnis voor partijen en derden direct duidelijk was.12. Verder heeft het Hof ook niet gemotiveerd waarom partijen en derden er vanuit hadden kunnen of moeten gaan dat mogelijk ook daadwerkelijk de bedoeling van de Rechtbank was om terug te komen op haar eindbeslissing in het tussenvonnis. Daarvoor ontbrak immers ieder aanknopingspunt, nu de Rechtbank in het dictum van het eindvonnis geheel ongemotiveerd aan haar eindbeslissing in het tussenvonnis is voorbijgegaan.
3
Het Hof heeft in rov. 6.9 miskend dat het de beslissing van de Rechtbank dat sprake is van een kennelijke vergissing als bedoeld in artikel 31 Rv in gevallen als dit met terughoudendheid moet toetsen. Het gerecht waaraan het verzoek wordt gedaan om het vonnis te verbeteren heeft het betreffende vonnis of de betreffende vonnissen immers gewezen en kan daarom beter dan het Hof in appel beoordelen of inderdaad sprake is van een kennelijke fout of dat sprake is van een verzuim om een afwijkende beslissing te motiveren. Dat komt ook tot uitdrukking in het rechtsmiddelenverbod van artikel 31 lid 4 Rv. Omdat, naar in onderdeel 1 is uiteengezet, in dit geval is voldaan aan het vereiste dat volgt uit artikel 31 Rv dat voor partijen en derden duidelijk is dat sprake is van een vergissing omdat er een discrepantie bestaat tussen de overwegingen in het tussenvonnis en het dictum in het eindvonnis, kon de Rechtbank, die de betreffende vonnissen heeft gewezen, de oorzaak van die discrepantie het beste beoordelen. In dit geval heeft de Rechtbank in het proces verbaal van haar mondelinge uitspraak van 7 maart 2023 geconstateerd dat in rov. 5.13 van het tussenvonnis wel degelijk een bindende eindbeslissing is gegeven en uit het (eind)vonnis van 15 juli 2020 op geen enkele wijze volgt dat de rechter op deze bindende eindbeslissing terug heeft willen komen. Alleen indien er voor partijen en derden (duidelijke) aanwijzingen bestaan dat de discrepantie is veroorzaakt doordat de Rechtbank heeft verzuimd om een afwijkende beslissing in het dictum te motiveren, maar desalniettemin in een latere uitspraak artikel 31 Rv heeft toegepast, bestaat reden voor het Hof tot ingrijpen en is het hoger beroep ontvankelijk. Dat is in dit geval gelet op de beslissing van de rechtbank in de mondelinge uitspraak van 7 maart 2023 (en in het verstekvonnis van 1 juni 2022) klaarblijkelijk niet aan de orde.
4
De vorenstaande onderdelen brengen bij gegrondbevinding van één of meerdere ervan mee dat de beslissing van het Hof in rov. 6.10 eveneens rechtens onjuist is. De Rechtbank is niet buiten het toepassingsgebied van artikel 31 Rv getreden en [buurman B] is in dit geval dus niet ontvankelijk in het hoger beroep.
5
Indien de beslissing ten overvloede van het Hof in rov. 6.11 impliciet mede van belang is geweest voor zijn beslissingen in rov. 6.9 en 6.10, dan heeft het Hof miskend dat indien sprake is van een kennelijke fout als bedoeld in artikel 31 Rv, geen hoger beroep openstaat en de beslissing van de Rechtbank dat de kennelijke vergissing moet worden verbeterd dus rechtens juist en onaantastbaar is. De rechter heeft terzake ook geen discretionaire bevoegdheid. Wat het Hof van de beslissing van de Rechtbank vindt, is in dat geval niet (meer) relevant. De overwegingen van het Hof in rov. 6.11 kunnen in dat geval dus niet meer leiden tot een andere beslissing dan de Rechtbank heeft genomen en de verweren van [buurman B] zijn in dit verband dus ook niet relevant. Het Hof heeft in dit verband ook miskend dat [buurman B] die verweren alleen in een hoger beroep tegen het verbeterde vonnis aan de orde had kunnen stellen.13. Ten slotte heeft het Hof miskend dat is enkel tijdsverloop niet toereikend is om rechtsverwerking te kunnen aannemen, zeker niet waar verbetering van een kennelijke fout als bedoeld in artikel 31 lid 1 Rv te allen tijde kan worden gevraagd, en de enkele omstandigheid dat partijen in het kader van overleg over een ander geschilpunt niet meer hebben gesproken over het parkeren op het mandelige terrein niet toereikend is om gerechtvaardigd vertrouwen te kunnen aannemen dat afstand is gedaan van de vordering terzake.
6
De vorenstaande onderdelen vitiëren bij gegrondbevinding ook de beslissingen van het Hof in rov. 6.12 en 6.13.
Op grond van dit middel vordert eiser vernietiging van het bestreden arrest met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad passend acht, met veroordeling van verweerder in de kosten van het geding, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen arrest.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 29‑10‑2024
Het arrest bevat twee rov. 6.1.3. Bedoeld is hier het eerste voorkomen.
Tweede voorkomen.
Memorie van grieven, onder 21 en 22.
Bijvoorbeeld HR 14 juli 2006, NJ 2006/601.
Zie ook de memorie van antwoord, onder 18, 20 en 23.
Zie ook de memorie van antwoord, onder 24.
Zie ook de memorie van antwoord, onder 24.
Zie ook de memorie van antwoord, onder 18 en 23.
Zie ook de memorie van antwoord, onder 18 en 23.
Vergelijk de memorie van antwoord, onder 27.