Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/6.3.1
6.3.1 Achtergrond bestuursverbod
mr. J.E. van Nuland , datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254455:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Tervoort 2013, hoofdstuk 4.
Van der Heijden 1908, p. 13.
Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/3; Tervoort 2013, p 185-186.
Van der Heijden 1908, p. 14.
Tervoort 2013, p. 186.
Tervoort 2013, p. 189-190; ook Van der Heijden 1908, p. 15-16 schrijft dat de commenda de ‘historische identiteit’ stelt van onze commanditaire vennootschap en overigens verderop, p. 17 en 23, weerspreekt dat deze commenda ook de rechtstreekse basis voor onze NV heeft gevormd.
Tervoort 2013, p. 184 noemt Florence, Bologna, Lucca, Siena en Rome.
Tervoort 2013, p. 191.
Tervoort 2013, p. 191-193, beschrijft verder nog dat de beschrijving van de accomendantes als louter geldverstrekkers aan beleidsbemoeienis door hen in de weg staat en dat er zou behoefte zou hebben bestaan aan een juridische rechtvaardiging voor de beperking van aansprakelijkheid waar als uitgangspunt had te gelden dat men steeds onbeperkt en met het hele vermogen instond voor schulden, in welk kader de beperking als een voorrecht werd getypeerd en de rechtvaardiging werd gezocht in de regel dat accomendantes zich niet met de bedrijfsvoering mochten bemoeien. Bovendien zou het verbod voor de accomendantes om zich te onthouden van externe bestuurshandelingen als een regel van gewoonterecht moeten worden beschouwd, waarbij de toelaatbaarheid van interne beleidsbemoeienis overigens niet ter discussie stond.
Tervoort 2013, p. 193.
Tervoort 2013, p. 184 en 195-196; Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/3.
Artikel 7 en 8 Titel IV Ordonnance de Commerce, waarover Tervoort 2013, p. 198 en Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/3.
Tervoort 2013, p. 199.
Tervoort 2013, p. 199-200.
Tervoort 2013, p. 201.
Zo blijkt uit het door Tervoort 2013, p. 201 aangehaalde arrest van het Franse Cour de Cassation Bruley c.s./Lenoble, onder meer beschreven in Sirey 1822, p. 274-277.
Zie Tervoort 2013, p. 201-202 voor deze rechtspraak en p. 196 over het karakter van de société générale, waarover ook Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/2.
Tervoort 2013, p. 203; Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/3.
Tervoort 2013, p. 211.
Tervoort 2013, p. 216; Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/3.
Tervoort 2013, p. 217.
Tervoort 2013, p. 220.
Anders dan de kapitaalvennootschappen, kent de commanditaire vennootschap een lange historie. De huidige regeling in het Wetboek van Koophandel dateert van 1838. De ontstaansgeschiedenis van deze rechtsvorm gaat nog veel verder terug. In zijn dissertatie heeft Tervoort de oorsprong van het bestuursverbod en de ontwikkeling daarvan tot de codificatie uitvoerig uiteengezet.1 Voordat ik toekom aan de huidige gedachten over artikel 20 WvK, vat ik mede aan de hand van zijn uiteenzetting in deze paragraaf kort de achtergrond van het bestuursverbod samen.
In het door Maeijer beschreven beknopte historisch overzicht van de CV vormt het commenda-contract dat zich in de Italiaanse handelssteden heeft ontwikkeld het startpunt.2 Bij Van der Heijden,3 en meer recent, Tervoort lezen wij dat de rechtsvorm commenda vanaf de 10e eeuw zijn intrede doet. Kort gezegd, een vorm van kapitaalverschaffing, door de commendator, om handel te drijven, door de tractator, in ruil voor een aandeel in de winst.4 Anders dan de huidige CV trad de commenda niet als zodanig op naar buiten, maar betrof het slechts een interne regeling tussen de deelnemers.5 Omdat transacties plaatsvonden tegen contante betaling, speelde de aansprakelijkheid van de commendator in dat verband geen rol. De tractator handelde voor eigen rekening en risico, terwijl de commendator niet extern optrad en niet bekend was bij derden. Deze omstandigheden maakten dat er geen behoefte bestond aan een regeling omtrent de rechtspositie van de commendator. Bij deze rechtsvorm kan volgens Tervoort dan ook niet de oorsprong van het bestuursverbod worden gevonden.6
Die is volgens hem bij de accomandita te vinden, die zich eveneens in de Italiaanse handelssteden ontwikkelde, zij het enkele eeuwen later (in de 15e en 16e eeuw), geïnspireerd door de commenda.7 Deze door de betreffende8 handelssteden toegestane rechtsvorm kon als zodanig naar buiten optreden en worden aangegaan tussen een of meer werkende en onbeperkt aansprakelijke vennoten (accomendatarii) enerzijds, alsmede een of meer vennoten die uitsluitend kapitaal inbrachten (accommendantes) en op grond van de wet slechts tot het bedrag van hun inbreng aansprakelijk waren voor vennootschapsschulden anderzijds. Aan deze beperking van aansprakelijkheid werd onder meer de voorwaarde verbonden dat de accomendantes niet mochten deelnemen aan de ondernemingsleiding.9 Voor dit verbod op bemoeienis met de ondernemingsleiding werden verschillende motieven geopperd. Zo werd wel gedacht dat iemand niet onbeperkt aansprakelijk kon zijn voor de gevolgen van verbintenissen die hij niet zelf tot stand heeft doen komen of kunnen beïnvloeden.10 Hoewel ook werd geopperd dat, bij gebrek aan een uitdrukkelijke wetsbepaling, van een bestuursverbod geen sprake was, konden accomendantes geen beroep doen op de beperking van hun aansprakelijkheid indien de accomendatarii niet meer waren dan aan instructies van de accomendantes gebonden stromannen.11
Deze Italiaanse rechtsvorm werd door de Fransen overgenomen en gecodificeerd ter gelegenheid van de invoering van de Ordonnance de Commerce in 1673.12 Hierin treffen wij onder meer aan de société en commandite, die als vorm van vennootschap werd beschreven. Hoewel de rechtsvorm niet werd gedefinieerd, zijn de contouren van de huidige CV in de diverse bepalingen zichtbaar. Zo waren alle vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor de vennootschapsschulden, maar was de aansprakelijkheid van de commanditaire vennoten beperkt tot de overeengekomen inbreng.13 Een bestuursverbod bevatte deze wetgeving evenwel niet. Een verklaring daarvoor wordt door Tervoort gezocht in de omstandigheid dat een bestuursverbod het aantrekken van commanditair kapitaal zou bemoeilijken.14 Wie wil immers investeren zonder enige invloed te hebben op het bestuur? Een gangbare uitleg onder de vigeur van de Ordonnance de Commerce was dat het de commanditaire vennoot wel was toegestaan actief de algemene beleidslijn van de onderneming te bepalen, maar zich niet bezig hoefde te houden met de dagelijkse werkzaamheden.15 Tegen het einde van de 18e eeuw werd de betrokkenheid van de commanditaire vennoot bij het bestuur van de vennootschap echter als onverenigbaar met het wezen van diens functie aangemerkt.16 Tot die betrokkenheid werd ook een raadgevende stem tijdens de vennotenvergadering gerekend.17 De bestuursbemoeienis van de commanditaire vennoot deed het Franse Hooggerechtshof herhaaldelijk beslissen dat geen sprake was van een société en commandite, maar van een société générale die slechts hoofdelijk verbonden vennoten kende en is te vergelijken met de ons bekende vennootschap onder firma.18 Een verklaring voor deze gewijzigde opvatting wordt gezocht in het rond deze tijd gesignaleerde misbruik van de société en commandite. Dit misbruik kwam erop neer dat de commanditaire vennoot bij derden bewust de schijn wekte hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor vennootschapsschulden. Eenmaal aangesproken door deze derden wegens het uitblijven van betaling, deed de commanditaire vennoot een beroep op zijn beperkte aansprakelijkheid. Daarnaast gebeurde het wel dat de commanditaire vennoot alle zeggenschap had en (feitelijk) de onderneming dreef, terwijl een onvermogende gewone vennoot weliswaar onbeperkt aansprakelijk was voor vennootschapsschulden, maar geen verhaal bood.19
Met de invoering van de Code de Commerce in 1807 werden de commanditaire vennoten onder meer hoofdelijk aansprakelijk geacht jegens schuldeisers indien hun naam in de naam van de vennootschap werd gebezigd. Bovendien werd de commanditaire vennoot die bestuurshandelingen had verricht, voor alle vennootschapsschulden aansprakelijk gesteld als ware hij een beherend vennoot.20 Het werd de commanditaire vennoot verboden de vennootschap te besturen en zich namens de vennootschap extern te manifesteren, maar interne bemoeienis door toezicht op het bestuur en het bedingen van goedkeuringsrechten ter zake bestuursbesluiten werden hem niet ontzegd.21 Het Nederlandse Wetboek van Koophandel van 1838 sloot goeddeels aan bij de Code de Commerce.22 Volgens Tervoort werd het bestuursverbod hier te lande geïntroduceerd door slaafse navolging van het Franse voorbeeld.23 Tijdens de parlementaire behandeling in 1826 werd aan het bestuursverbod onder meer de functie toegedicht een waarborg te creëren tegen roekeloos handelen, zulks in het belang van een welvarend handelsverkeer en het publieke vertrouwen.24 De beperking van aansprakelijkheid werd hier kennelijk reeds beschouwd als een voorrecht, dat de commanditaire vennoot kon verliezen door zich in te laten met het besturen van de vennootschap, teneinde roekeloos handelen te voorkomen.