Einde inhoudsopgave
Bijzonder ontslagprocesrecht (MSR nr. 67) 2015/7.2.4
7.2.4 Het kort geding
Mr. D.M.A. Bij de Vaate, datum 30-12-2014
- Datum
30-12-2014
- Auteur
Mr. D.M.A. Bij de Vaate
- JCDI
JCDI:ADS354714:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Alt 2009, p. 233. Vgl. ook: Jongbloed & Ernes 2014, p. 212.
Alt 2009, p. 233.
Stein/Rueb 2011, p. 140; Wieten 2012, p. 9.
HR 15 maart 1968, NJ 1968, 228. Vgl. ook HR 21 juni 1963, NJ 1963, 486.
HR 12 december 1975, NJ 1976, 495.
HR 29 januari 1943, NJ 1943, 198. Vgl. HR 16 februari 1962, NJ 1962, 142; HR 22 november 1974, NJ 1975, 176; HR 31 januari 1975, NJ 1976, 146; HR 21 april 1978, NJ 1979, 194; HR 4 juni 1993, NJ 1993, 659; HR 2 oktober 1998, RvdW 1998, 171. Zie ook: Schenk 1984, p. 86.
HR 1 juni 2007, NJ 2007, 309. Vgl. HR 24 januari 2003, NJ 2003, 491; HR 4 september 2009, NJ 2009, 564.
Overigens lijkt ook de wet minder ruimte te geven voor het overeenkomstig toepassen van bepaalde bewijsregels in de kortgedingprocedure dan in de ontbindingsprocedure. Het oorspronkelijke wetsontwerp van art. 182 lid 1 (oud) Rv verklaarde een aantal bepalingen van formeel bewijsrecht van toepassing op kortgeding- en verzoekschriftprocedures. Bij amendement zijn echter de woorden ‘in kort geding’ uit art. 182 lid 1 (oud) geschrapt, omdat men vreesde voor verlies van het efficiënte en effectieve functioneren van het kort geding. Zie Rutgers, Flach & Boon 1988, p.129-132. De wetswijziging uit 2002, waardoor art. 78 lid 1 Rv alle bepalingen uit de tweede titel van toepassing verklaart op dagvaardingsprocedures, voor zover daarop niet een andere bijzondere wettelijke regeling van toepassing is, is gezien het voorgaande opmerkelijk. Nu de kortgedingprocedure, een dagvaardingsprocedure, geen afwijkende bepaling kent met betrekking tot het bewijsrecht, zijn naar de letter de bewijsregels uit die titel van toepassing. Vgl. Fernhout 2010b, p. 109. Aannemelijk is dat dit een slordigheid van de wetgever betreft. De parlementaire geschiedenis rept namelijk met geen woord over een wijziging van het bewijsrechtelijk regime voor het kort geding (Kamerstukken II 1999/00, nr. 26 855, nr. 3, p. 84).
Vgl. Stein/Rueb 2011, p. 140; Thoe Schwartzenberg 2013, p. 270; Beenders, in: Tekst & Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering, Commentaar Eerste Boek, Tweede Titel, Negende afdeling Bewijs Rv (online, laatst bijgewerkt op 1 januari 2014); Asser 2004, p. 61-62; Hidma & Rutgers 2004, p. 80; Blaauw 2002, p. 152; Schenk 1984, p. 86.
HR 29 januari 1943, NJ 1943, 198. Vgl. Rb. Dordrecht 16 september 1959, NJ 1959, 643.
Kamerstukken II 1981, 10 377, nr. 7, p. 11.
Vgl. Rutgers, Flach & Boon 1988, p. 119; Kamerstukken II 1981, 10 377, nr. 7, p. 11.
Kramer 2001, p. 19.
Wieten 2012, p. 9.
HR 21 april 1978, NJ 1979, 194. Zie ook Kamerstukken II 1981, 10 377, nr. 7, p. 12: 'De rechter in kort geding dient de vrijheid te behouden om al naar gelang de omstandigheden af te zien van nadere bewijsvoering en de gevraagde voorziening te weigeren.i Vgl. ook HR 8 januari 1965, NJ 1965,162; HR 2 december 1983, NJ 1984, 369; HR 4 juni 1993, NJ 1993, 659.
Zoals blijkt uit § 3.5 wordt de uitsluiting van het wettelijk bewijsrecht in de ontbindingsprocedure niet meer in verband gebracht met de opvatting van de wetgever anno 1907 dat het in de ontbindingsprocedure niet gaat om een beslissing van een rechtsstrijd, maar om de vaststelling van een billijke regeling door een onpartijdige rechter.
Overigens wordt in de literatuur ook voor wat betreft het kort geding gebondenheid aan bepaalde bewijsregels bepleit, omdat de aard van het kort geding zich niet tegen toepassing daarvan zou verzetten. Zo meent Giesen dat noch de aard van het kort geding, noch het feit dat een belangenafweging vereist is, noch het feit dat aannemelijkheid van een stelling voldoende is, meebrengen de regels van bewijslastverdeling niet toe te passen. I. Giesen 1998, p. 1635. In gelijke zin annotatie Haardt bij HR 22 november 1974, NJ 1975, 176. Tot op heden houdt de Hoge Raad echter onverkort vast aan het algemene uitgangspunt – daarop geen uitzondering toegelaten – dat de kortgeding rechter niet gebonden is aan de wettelijke regels van het bewijsrecht.
Betoogd is dat in een spoedeisende ontbindingsprocedure onderscheid gemaakt moet worden tussen enerzijds bewijsregels die zich kunnen verzetten tegen dat spoedeisende karakter en anderzijds bewijsregels die zich daartegen niet verzetten. Dit doet de vraag rijzen hoe het wettelijk bewijsrecht in een andere spoedeisende procedure, het kort geding, wordt toegepast. Gesteld wordt namelijk dat in de ontbindingsprocedure een bewijsregime geldt dat vergelijkbaar is met dat in kort geding.1 In beide procedures dient een partij haar stellingen bij gemotiveerde betwisting aannemelijk te maken2 en wordt aangenomen dat het bewijsrecht niet of slechts beperkt geldt.3 Geldt in de kortgedingprocedure ook, zoals ik voor de spoedeisende ontbindingsprocedure betoogde, een tweedeling tussen de toepasselijke bewijsregels?
Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is de kortgedingrechter niet aan de gewone regels van bewijsrecht gebonden. Zo overwoog de Hoge Raad in 1968 dat de regels omtrent getuigenbewijs, in verband met het spoedeisend karakter van het kort geding, toepassing missen.4 Het is aan het beleid van de rechter in kort geding overgelaten of hij op een aanbod van getuigenbewijs zal ingaan.5 In 1943 had de Hoge Raad bovendien reeds geoordeeld dat er in cassatie niet geklaagd kan worden over miskenning van de regels van bewijslastverdeling, omdat in een procedure in kort geding, waarbij het gaat om het treffen van voorlopige voorzieningen, de wettelijke regels omtrent het bewijs toepassing missen.6 Tot op heden heeft de Hoge Raad deze lijn vastgehouden. In het kort geding geldt het gewone bewijsrecht niet.7 Dit standpunt laat geen onderscheid toe tussen enerzijds bewijsregels die vanwege het karakter van het kort geding niet toegepast kunnen worden en anderzijds bewijsregels die niet in de weg staan aan dat karakter en derhalve wel toegepast moeten worden.8 Hoe verhoudt zich dit tot mijn betoog in de vorige paragraaf om dit onderscheid wel te maken voor de spoedeisende ontbindingsprocedure? Is dit een tegenargument om te betogen dat ook in de spoedeisende ontbindingsprocedure dit onderscheid niet kan opgaan? Mijns inziens niet. Het verschil is namelijk te verklaren door het verschil in karakter tussen beide procedures. De kortgedingprocedure en de spoedeisende ontbindingsprocedure zijn naar hun aard niet vergelijkbaar, waardoor ook een vergelijking één op één tussen beide bewijsregimes niet opgaat.
Zoals gezien in de voorgaande paragrafen, hangt het niet onverkort van toepassing zijn van het wettelijk bewijsrecht in de ontbindingsprocedure samen met de spoedeisendheid van die procedure. Dit geldt ook voor het kort geding. De ongebondenheid van de rechter in kort geding aan het wettelijk bewijsrecht hangt daarnaast echter ook samen met de voorlopigheid van de gevraagde voorziening.9 Zo overwoog de Hoge Raad in 1943 dat de regels over verdeling van de bewijslast toepassing missen in kort geding, aangezien het gaat om het treffen van een voorlopige voorziening waarop de wettelijke regels omtrent het bewijs niet van toepassing zijn.10 Ook voor de regering was het voorlopige karakter van het kort geding een belangrijk argument tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel tot herziening van het nieuwe bewijsrecht in 1988, om de regels van bewijsrecht niet van overeenkomstige toepassing te verklaren op het kort geding, zoals de Staatscommissie voorstond. De minister overwoog in dat kader, dat het kort geding;
‘bestemd is om op zeer korte termijn een voorlopige voorziening bij voorraad van de rechter te kunnen verkrijgen bij wijze van orde maatregel. Bij het kort geding zijn partijen meestal nog niet toe aan het bewijs betreffende hun definitieve rechten en verplichtingen en gaat het om wat er voorshands omtrent de afloop van een eventuele hoofdzaak en omtrent de over en weer bestaande belangen aannemelijk is. Dit leidt ertoe dat het kort geding zich niet leent voor rechtstreekse toepassing van de regels van bewijsrecht.’11
In de voorgaande overweging zien we dus zowel de spoedeisendheid als de voorlopigheid van de voorziening als reden aangehaald voor de uitsluiting van het wettelijk bewijsrecht. Hier blijft het echter niet bij. Het citaat maakt duidelijk dat ook nog een ander aspect van het karakter van het kort geding een rol speelt bij de ongebondenheid van de kortgedingrechter aan de wettelijke bewijsregels, namelijk de ordenende functie van de voorlopige maatregel. In kort geding gaat het niet om de bepaling van een rechtsbetrekking tussen partijen maar om het nemen van aan de rechter doelmatig voorkomende spoedeisende maatregelen na een belangenafweging.12 Deze belangen- en doelmatigheidsafwegingen duiden op een ruimere discretionaire bevoegdheid van de rechter in kort geding.13 De vrijheid die de rechter in kort geding nodig heeft om een belangenafweging te maken en een aan hem doelmatig voorkomende beslissing te geven, is niet verenigbaar met strikte toepassing van de wettelijke bewijsregels.14 Zoals de Hoge Raad in het arrest van 21 april 1978 treffend verwoordt:
'de bewijslastverdeling die in een gewone procedure zou gelden, kan weliswaar in kort geding van belang zijn in het kader van de vraag of in de gegeven omstandigheden een voorziening bij voorraad geboden is, maar de rechter in kort geding is bevoegd om de gevraagde voorziening te weigeren, wanneer naar zijn oordeel de gebodenheid daarvan niet zonder nadere bewijsvoering kan worden beoordeeld en het kort geding zich niet voor de betreffende bewijsvoering leent.15
Het niet gebonden zijn van de rechter in kort geding aan de wettelijke bewijsregels hangt, gezien het voorgaande, samen met de spoedeisendheid, de voorlopigheid van de voorziening en de behoefte aan vrijheid voor de kortgedingrechter om aan de hand van een belangen- en doelmatigheidsafweging een ordemaatregel te treffen. In het kader van de ontbindingsprocedure kan blijkens de wetsgeschiedenis bij art. 284 lid 1 Rv daarentegen alleen de eventuele spoedeisendheid van de zaak zich verzetten tegen toepassing van bepaalde wettelijke bewijsregels.16 De ontbinding heeft, anders dan het kort geding, een definitief karakter. Dit verklaart waarom het door mij bepleite onderscheid in het kader van de spoedeisende ontbindingsprocedure tussen enerzijds bewijsregels die niet zonder meer toegepast kunnen worden en anderzijds bewijsregels die zonder meer toegepast moeten worden omdat de vereiste spoed zich daartegen niet verzet, niet opgaat voor de kortgedingprocedure.17 Anders dan bij de ontbindingsprocedure, brengen het voorlopig karakter en de ordenende functie van het kort geding mee dat ook de bewijsregels die geen invloed hebben op de snelheid van de procedure niet zonder meer toepasbaar zijn in een kort geding. De aard van beide procedures verschilt zozeer dat verschillen in het bewijsrechtelijk regime gerechtvaardigd zijn.