Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/9.2.6.5
9.2.6.5 Informatie over overige omstandigheden
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS493417:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Meijsen & Jongbloed 2010a, p. 102-103 (Research Memorandum).
Beslagsyllabus juni 2011, p. 5.
Zie par. 5.3.3. tot en met par. 5.3.5.
Meijsen & Jongbloed 2010a, p. 57 (Research Memorandum).
Reflexwerking HR 24 november 1995, rov. 3.4, LJN ZC1894, NJ 1996, 161 (Tromp-Franca/Regency). Zie ook paragraaf 5.3.3.1.
Variërend van (dreiging van) opzegging van een verleend krediet tot het minder gemakkelijk verkrijgen van (krediet)faciliteiten in de toekomst en een verplichting op grond van de algemene bankvoorwaarden tot vergoeding aan de financiële instelling van in verband met het beslag gemaakte kosten.
Paragraaf 5.3.3.2.
Aldus ook mijn betoog tijdens het Symposium ‘Meer over Beslag’ op 18 oktober 2012 in het Teylers Museum te Haarlem: Meijsen 2012.
Zie hierover – in navolging van de parlementaire geschiedenis – het arrest HR 25 november 2005, rov. 3.9, LJN AT9060, NJ 2006, 148 m.nt. G.R. Rutgers, (Rohde Nielsen/De Donge).
Een volgende aanbeveling in het Research Memorandum in het kader van het Full Disclosure-beginsel, is geweest dat de verzoeker in het rekest zou moeten vermelden of eerder voor dezelfde vordering verlof is verleend en of andere vermogensbestanddelen die voor een beslag in aanmerking komen bekend zijn, opdat inzicht in het eventueel vexatoir of onnodig karakter van het beslag kan worden verkregen. En welke acties zijn ondernomen om tot voldoening van de vordering (buiten rechte) te komen, ter verkrijging van een indruk over hetgeen aan het verzoek is voorafgegaan, alsook een motivering waarom inzet van het middel noodzakelijk is (inclusief vrees voor verduistering, voor zover dit aan de orde en/of wettelijk verplicht is).1 Het gaat hierbij om gegevens welke van belang zijn voor de summiere afweging van wederzijdse belangen, welke steeds, naast de rechtmatigheidstoets op formele vereisten en de (on)gegrondheidstoets naar de vordering welke aan het beslag ten grondslag wordt gelegd, plaatsvindt.
De summiere afweging van wederzijdse belangen
In de Beslagsyllabus juni 2011 is over de informatie die de voorzieningenrechter in het beslagrekest opgenomen wenst te zien in verband met de te maken (summiere) afweging van de wederzijdse belangen, een bepaling opgenomen die inhoudt dat in het kader van de proportionaliteit en subsidiariteit moet worden gemotiveerd waarom het beslag nodig is, waarom is gekozen voor beslag op de in het beslagrekest genoemde goederen en waarom niet een minder bezwarend beslagobject mogelijk is.2 De verwijzing naar artikel 21 Rv, welke reeds was opgenomen in de Beslagsyllabus van eerder datum, gaf al aan dat alle voor de beslissing van belang zijn feiten naar waarheid aangevoerd dienen te worden.
De huidige summiere belangenafweging naar de regels van de Beslagsyllabus juni 2011 en volgende, kwam eerder in het hoofdstuk over verlofverlening al aan de orde.3 Hier wordt nader op een aantal toepassingsaspecten ingegaan.
De voorzieningenrechter zal zich, zonder over informatie te beschikken die door de beslagene werd verstrekt, een beeld moeten vormen van concrete omstandigheden die mede betrekking hebben op de situatie waarin de beoogd beslagene zich bevindt. Daarbij dient er rekening mee te worden gehouden dat niet zozeer de aard van het beslag, maar de individuele omstandigheden van de beslagene bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of een beslag belastend is of niet.4 De in het arrest Tromp-Franca/Regency (reflexwerking voor de summiere belangafweging)5 door de Hoge Raad benoemde factoren, die bepalen of sprake is van een vexatoir en daarmee onrechtmatig beslag (de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de in de eventueel onevenredig zware wijze op de schuldenaar door beslag op een van die goederen in zijn belangen wordt getroffen), zijn aspecten die worden bepaald door omstandigheden van de aankomend beslagene, welke bij de beslaglegger, zeker in het stadium van verlofverlening, niet altijd bekend zullen zijn. Bovendien is vaak moeilijk voorspelbaar of de ene beslagsoort voor de beslagene meer belastend zal zijn dan de andere. Informeren naar dergelijke omstandigheden bij de aankomend beslagene, teneinde het beslagrekest op dit onderdeel van meer informatie te kunnen voorzien, ligt veelal ook niet in de rede omdat dit het verrassingselement van het beslag teniet zou kunnen doen. Kennis van deze feiten staat overigens los van de aansprakelijkheid van de beslaglegger voor een (deels) vexatoir en daarmee onrechtmatig beslag. Derdenbeslag onder een financiële instelling hoeft – los van de problemen die de schuldenaar zonder twijfel hierover met diens financiële instelling zal krijgen –6 in eerste instantie niet belastend te zijn als het slechts een gering saldo (be)treft. Ook het omgekeerde is mogelijk: voor een relatief geringe vordering kan een aanzienlijk banksaldo onder het beslag vallen. Of een dergelijk beslag überhaupt wel heeft gekleefd dan wel (dis)proportioneel is zal bovendien pas bekend zijn nadat de derde beslagene verklaring heeft gedaan. Vrijwel zeker, maar in een later stadium vaak moeilijk te bewijzen, zijn de gevolgen van derdenbeslag onder cliënten, dat per definitie het aanzien van de beslagene aantast. Beslag op een onroerende zaak, dat over het algemeen als weinig belastend wordt gezien, blijkt regelmatig zeer knellend te zijn als de schuldenaar op het punt staat om de zaak te vervreemden. Meervoudig beslag, in de zin van beslag op diverse soorten vermogensbestanddelen, is naar zijn aard vrijwel altijd belastend, mede omdat het met de relatief hogere vorderingen gepaard gaat. Een rekest waarin om meervoudig beslag wordt verzocht, zal door de voorzieningenrechter dus steeds dienen te worden getoetst aan het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel.
De mate van belastendheid voor de schuldenaar in relatie tot het belang van de schuldeiser roept tevens de vraag op waar de grens van de keuzevrijheid voor de beslaglegger, ten aanzien van het beslagobject en de omvang van het beslag, ligt. Artikel 435 lid 1 Rv bepaalt immers dat het aan de executant vrij staat tegelijkertijd beslag te leggen op alle voor beslag vatbaar goederen, waartoe hij bevoegd is zijn vordering te verhalen. Op grond van artikel 3:276 BW kan de schuldeiser zijn vordering verhalen op alle goederen van de schuldenaar. Door de overgang van het conservatoir beslag in executoriaal beslag, nadat de beslaglegger in de hoofdzaak een voor tenuitvoerlegging vatbare executoriale titel heeft verkregen (artikel 704 lid 1 Rv), beïnvloeden deze facetten uit executoriale fase logischerwijze ook het handelen van de beslaglegger in de conservatoire fase van het verhaalsbeslag. Immers, indien op onvoldoende vermogensbestanddelen conservatoir beslag is gelegd, loopt de beslaglegger het risico dat deze in de executoriale fase niet zijn gehele vordering kan verhalen. Een verdere complicerende factor is het principe van paritas creditorum (artikel 3:277 lid 1 BW), op grond waarvan de beslaglegger het risico loopt dat in een later stadium de opbrengst met andere schuldeisers gedeeld moet worden. De beslaglegger heeft daarom belang bij een zo groot mogelijk verschil tussen de omvang van zijn werkelijke vordering en die van de beslaglegging.
De vraag waar de grens van de bevoegdheid van de beslaglegger gelegd wordt, is uitermate feitelijk bepaald een afhankelijk van het gewicht dat wordt gehecht aan de belangen van de beslaglegger, ten opzichte van die van de beslagene. Al eerder bleek bij de bespreking van de visie van Stein & Rueb7 dat hier verschillend tegenaan kan worden gekeken.
Het paritas creditorum beginsel in de conservatoir beslag fase
Ik meen dat de schaduw die de paritas creditorum regel, welke geldt bij verdeling van de executieopbrengst in het geval van pluraliteit van schuldeisers, terug op het conservatoir beslag werpt, onwenselijk is. Voor de beslagene belastend is, dat bij conservatoir derdenbeslag in het kader van verhaal, wordt uitgegaan van de omstandigheid dat er meer schuldeisers zullen zijn of komen. Vreemd genoeg behoeft hieromtrent niets te worden gesteld of minimaal aannemelijk gemaakt: indien een conservatoir beslag eenmaal is gelegd, wordt van deze juridische fictie uitgegaan. Een vraag die in dit verband kan worden is gesteld is, of het niet meer voor de hand ligt om de gevolgen van een conservatoir beslag zich niet verder te laten uitstrekken dan tot het bedrag van de vordering van de beslaglegger plus rente en kosten, waardoor dat deel van het beslagen saldo voor die vordering wordt gereserveerd. Een eventuele volgende beslaglegger dient vervolgens op het saldo, dat op het moment van de door hem geïnitieerde beslaglegging beschikbaar is, beslag te leggen. Er is, zonder aanwijzingen hiervoor, in mijn visie geen aanleiding om in de situatie van conservatoir beslag a priori te handelen als ware sprake van een pluraliteit van schuldeisers. Uitgangspunt zou moeten zijn dat de beslagene steeds een recht op vrije beschikking over diens vermogen heeft, in die zin dat dit niet verder ingeperkt mag worden dan de vordering van een individuele beslaglegger rechtvaardigt.8
Motivering waarom het beslag nodig is
Het voorschrift dat in het beslagrekest dient te worden vermeld waarom het beslag nodig is, is van zeer elementaire aard. Omdat conservatoir beslag een doelbevoegdheid is, ligt het in de rede dat de beslaglegger in het beslagrekest ook steeds duidelijk maakt waarom het beslag nodig is. Dit valt mede af te leiden uit artikel 705 Rv, dat betrekking heeft op de opheffing van een conservatoir beslag. Voor dit artikel moet ervan worden uitgegaan dat dit een reflexwerking heeft voor de beoordeling van een beslagrekest. Het tweede lid van artikel 705 Rv zegt dat het beslag niet onnodig mag zijn. Dit moet worden gelezen in het perspectief van de genoemde doelbevoegdheid en is in die zin zeer elementair: een conservatoir beslag is immers geen op zichzelf staande bevoegdheid, die in alle gevallen en zonder beperkingen door een verzoeker kan worden ingeroepen. Het is een bevoegdheid, waar op eigen risico van de beslaglegger een beroep op kan worden gedaan, indien er een gerede aanleiding bestaat om een recht, hangende een uitspraak in de hoofdzaak, te secureren.
Ook al voldoet het rekest aan de formele vereisten èn is sprake van een op het eerste gezicht deugdelijk recht van de verzoeker, dan betekent dit nog niet dat verlof ook verleend moet worden. Indien de beslagene verhaal biedt en er geen redenen zijn om aan te nemen dat deze vermogensbestanddelen, waarop verhaal kan worden genomen, zal laten verdwijnen, kan een beslag als onnodig worden aangemerkt. Dit uitgangspunt vormt op het spectrum van beoordeling de tegenoverliggende pool van de stelling dat de mogelijkheid open moet blijven dat ook voor een geheel onbewezen vordering beslag kan worden gelegd.9 Los hiervan staat de in de wet voor sommige vormen van conservatoir beslag opgenomen voorwaarde van vrees voor verduistering. Het criterium ‘onnodigheid van het beslag’ heeft een veel bredere betekenis dan vrees voor verduistering en ziet bovendien op alle vormen van conservatoir beslag.
Bij de beoordeling van een beslagrekest zal de voorzieningenrechter, ondanks die hiervoor beschreven hindernissen, steeds een belangenafweging dienen te maken waarbij ook de proportionaliteit en subsidiariteit een rol spelen. Het lijdt in mijn visie geen twijfel dat informatie over de redenen van het beslag, de proportionaliteit en subsidiariteit, aan de verkrijging van een totaalbeeld van de beslagsituatie zal bijdragen