Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht
Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/2.2.6:2.2.6 De behandeling in de Eerste Kamer
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/2.2.6
2.2.6 De behandeling in de Eerste Kamer
Documentgegevens:
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS460784:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
17. Ook in de Commissie van Rapporteurs uit de Eerste Kamer bestaat verdeeldheid over de vraag of de introductie van het enquêterecht wenselijk is. Veel leden menen dat de waarborgen in het gewijzigd ontwerp tegen misbruik onvoldoende zijn en dat het door het enkel indienen van het verzoek om een onderzoek de vennootschap reeds in opspraak wordt gebracht en groot en onherstelbaar nadeel wordt berokkend. De kans is groot dat de koers van de aandelen plotseling zeer beduidend zal dalen, ‘welk vooruitzicht voor gewetenlooze speculanten eene voldoende reden kan zijn om zonder eenigen grond een verzoek om onderzoek in te dienen.’ Bovendien, zo wordt vervolgd, ‘ook in de handen van een kwaadwillende minderheid der aandeelhouders, bijv. om redenen van concurrentie, kan het enquêterecht een welkom middel zijn om aan de naamlooze vennootschap afbreuk te doen.’1 Daarbij komt nog dat, indien te goeder trouw van het enquêterecht gebruik wordt gemaakt, het meestal reeds te laat zal zijn om langs deze weg verbetering in het beheer aan te brengen. Ook dan zal de vennootschap van het onderzoek ‘veeleer schade dan voordeel ondervinden, zooals de aandeelhouders zelf alras zullen gewaar worden. De maatregel zal alzoo in den regel het tegenovergesteld resultaat hebben van dat, hetwelk daarmede werd beoogd. Wat betreft de zoogenaamde familie-vennootschappen, kunnen de gevolgen nog bedenkelijker zijn dan bij de openbare, aangezien persoonlijke verhoudingen daarbij eene overwegende rol kunnen spelen.’2
Interessant is ook nog de opmerking dat, indien men op het standpunt staat dat het enquêterecht wenselijk is, niet valt te begrijpen, waarop de uitsluiting in art. 54c gewijzigd ontwerp3 is gegrond. ‘Waarom is bijv. wel dit recht toegekend aan aandeelhouders van de Amsterdamsche Bank, welker aandeelen aan toonder luiden, en niet aan aandeelhouder van de Nederlandsche Handel Maatschappij, welker aandelen op naam staan?’4
18. De minister verdedigt het wetsvoorstel in zijn antwoord thans met meer elan.5 In de eerste plaats wijst hij nogmaals op de voordelen van het enquêterecht: bescherming van de minderheid tegen een ongerechtvaardigde overheersing door de meerderheid en bescherming tegen een gebrek aan openheid. Daarnaast meent de minister dat het wetsvoorstel thans voldoende waarborgen biedt tegen misbruik, ook door een ‘kwaadwillende minderheid’. Sterker nog, de vennootschap die ten onrechte wordt aangevallen staat sterker, indien de rechter haar in het gelijk stelt. Het zal haar ten goede komen, wanneer de rechter de kwaadwillende minderheid ‘met leege handen naar huis stuurt’ op grond van het oordeel dat er geen gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen.
De minister heeft de indruk dat de bezwaren van een deel van de commissie van nog andere aard zijn. Zij lijken de mening te zijn toegedaan dat hoe minder bevoegdheden de AVA heeft, des te beter het is, omdat daardoor de macht van het bestuur groter wordt. ‘Wie dit standpunt inneemt, kan natuurlijk ook voor het enquêterecht van de artt. 53 vlg. geene sympathie gevoelen.’ Daar stelt de minister tegenover, ‘dat het inderdaad eene weldaad is wanneer aan het hoofd eener onderneming een bestuur staat, dat door zijne bekwaamheid en het vertrouwen, hetwelk het zich waardig heeft gemaakt, in staat is die onderneming doelbewust te leiden, doch dat het eene ramp kan worden, wanneer het bestuur voor zijne taak niet is berekend en vertrouwen niet verdient, terwijl zoodanig bestuur dan toch vrijwel onaantastbaar is, wanneer de algemeene vergadering niet voldoende bevoegdheden heeft.’
Tot slot, de minister merkt over art. 54c op dat de hierin vervatte uitzondering is gegrond op de verhoudingen tussen de aandeelhouders: deze kan een andere zijn wanneer de aandelen op naam staan dan wanneer zij aan toonder luiden. ‘Bij toonderaandelen toch is een blijvende persoonlijke band tusschen aandeelhouders uitgesloten; bij aandeelen op naam kan een persoonlijke band zeer wel aanwezig zijn en die band kan medebrengen, dat het enquêterecht als wettelijke bevoegdheid niet noodig is. Toegegeven zij, dat dit onderscheid slechts ruw is en dat er naamlooze vennootschappen met uitsluitend aandeelen op naam kunnen zijn, waarbij een enquêterecht toch niet misplaatst zoude zijn. Doch het ontwerp stelt zich liever op een voor sommige gevallen te vrijgevig standpunt, dan dat het te streng zij voor andere vennootschappen, wier aandeelen slechts op naam kunnen luiden. Wanneer de Nederlandsche Handelmaatschappij aan het enquêterecht behoefte gevoelt, kan het trouwens in de statuten worden toegekend; art. 54c voorziet ook in deze mogelijkheid.’