Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/6.3.1.2
6.3.1.2 Aansprakelijkheid van grondroerder
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS613692:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hof Den Haag, 20 februari 1996, BR 1996, nr. 49; HR 4 oktober 1996, NJ 1997, 64 (Eneco/Van Baarsen); HR 2 oktober 1998, NJ 1998, 831 (Nacap/Shellfish) en tevens verschillende niet gepubliceerde uitspraken zoals genoemd door Van Velsen 2003 en door Eijkelenboom en Steenbrink-Drop 2006.
Met inwerkingtreding van de Wion, heeft het Kadaster de functie van het voormalige KLIC (Kabel en Leidinginformatie Centrum) overgenomen en is de grondroerder op grond van genoemde wet verplicht om leidinginformatie op te vragen voordat hij aanvangt met de graafwerkzaamheden.
Door inwerkingtreding van de Wion is de grondroerder verplicht om zorgvuldig te graven. Wat dit inhoudt wordt in de Wion niet verder uitgewerkt, behalve dan dat het doen van een graafmelding voorafgaande aan de graafwerkzaamheden onderdeel is van het 'zorgvuldig graven'.
Zie verder over de gevolgen van de Wion en de aansprakelijkheid van de grondroerder: Van Hulsteijn en Moret 2008, p. 484 e.v.
De graver (hierna ook: `grondroerder') heeft als het ware twee hoofdverplichtingen die voortgekomen zijn uit de jurisprudentie.1 De eerste verplichting bestaat uit het verrichten van onderzoek naar de ligging van leidingen voor aanvang van de graafwerkzaamheden. De grondroerder dient zich de vraag te stellen of met de aanwezigheid van leidingen rekening gehouden moet worden. Uit praktische overwegingen en het algemene feit dat de ondergrond in Nederland bezaaid is met kabels en leidingen, is het antwoord op die vraag redelijk eenvoudig en dient de grondroerder met de mogelijke aanwezigheid rekening te houden en dus enig (zelfstandig) onderzoek te verrichten. Bij het verrichten van dat onderzoek dient de grondroerder zich in voldoende mate te informeren over de ligging van de leidingen. Dit betekent dat de grondroer-der verschillende bronnen moet raadplegen zoals de opdrachtgever of de leidingbeheerder, maar ook bij het Kadaster een verzoek moet indienen voor het verkrijgen van gegevens over de ligging van kabels en leidingen in het opgegeven graafgebied.2 Als de grondroerder de benodigde informatie heeft vergaard over de aanwezige kabels en leidingen, dient hij de informatie juist te interpreteren. Indien de grondroerder de informatie niet vertrouwt, dient hij zelf verder onderzoek (bijvoorbeeld het handmatig lokaliseren van leidingen in het terrein) te verrichten. De tweede verplichting, die inmiddels ook in de wet is vastgelegd, ligt in het verlengde van de onderzoeksplicht en dat is dat de uitvoering van de werkzaamheden zorgvuldig dient te geschieden.3 Met andere woorden de uitvoering moet zodanig uitgevoerd worden dat redelijkerwijze geen schade toegebracht wordt aan leidingen. Aan de uitvoering van de werkzaamheden worden dan ook hoge eisen gesteld omdat de grondroerder, op basis van zijn onderzoeksplicht, geacht wordt (geobjectiveerde) wetenschap te hebben van de aanwezigheid en de ligging van kabels en leidingen.4