Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/3.3.2.2
3.3.2.2 Bestaande formele vereisten
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS586868:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Slagter in GS Personenassociaties, VOF 1. § 161.4 (bijgewerkt tot 1 april 2009).
Zo werd e-mailcorrespondentie als akte aanvaard in Hof Den Bosch 12 mei 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1693, betreffende het aktevereiste van art. 6:159 BW.
Vgl. HR 27 juni 1997, NJ 1997/641(Budde/Toa Moa), r.o. 3.6, waarin de Hoge Raad overwoog dat ‘akte’ in art. 1451 oud BW de betekenis had van ‘rechtshandeling’.
Asser/Maeijer 5-V 1995/40; Mohr/Meijers 2013, § 4.5.5, p. 139.
Aldus ook: Slagter in GS Personenassociaties, VOF 1. § 161.1 (bijgewerkt tot 1 april 2009).
Een uitzondering geldt in het geval uit de wederzijds gestelde en overeenstemmende feiten onweerlegbaar blijkt dat partijen gedurende een aantal jaren onafgebroken feitelijk een VOF hebben gevoerd, HR 16 mei 1902, W 7775 (Erwteman/Hoepelman); vgl. Rb. Rotterdam 14 oktober 1999, JOR 2000/50(Double Super).
Naast de uitspraken die hierna apart worden genoemd: Ktr. Breda 13 juni 2007, JOR 2007/ 177 (Auto Kar); en Hof Amsterdam 31 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1218 (Kennisbeheer/Solane).
HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3786(Bakkers-VOF), een art. 81 RO zaak. Zie 2.4.6.2.
Hof Den Haag 17 december 2013, JOR 2014/225(Govinda).
HR 15 december 2006, NJ 2007/448(buschauffeur); zie 2.3.3.2. Zie over een CVook HR 6 juni 1956, NJ 1957/333(CVZ).
Onder meer Toelichting op het Ontwerp-Van der Grinten, p. 1109; Asser/Maeijer 5-V 1995/43; Mohr/Meijers 2009, § 4.4.5, p. 162; Wachter in zijn noot onder HR 24 december 1976, NJ 1978/431(Tandem/Tendum); Blanco Fernández in zijn noot onder Hof Den Haag 17 december 2013, JOR 2014/225(Govinda).
Zie 2.3.3.2.
Zie bijvoorbeeld Rb. Noord-Nederland 15 maart 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:1062 (schijn-VOF).
Zie de uitgebreid gedocumenteerde conclusie van A-G Timmerman voor HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3786(Bakkers-VOF).
Slagter in GS Personenassociaties, VOF 1. § 161.1 (bijgewerkt tot 1 april 2009).
Zie 2.4.3.4.
Vgl. HR 29 mei 1942, NJ 1942/546(Schaart en zoon): vader en zoon hadden gefingeerde VOF ingeschreven in handelsregister; die inschrijving was niet bedoeld om in hun onderlinge verhouding tot bewijs te dienen en vormde tussen hen daarom geen dwingend bewijs. Zie ook Rb. Almelo 17 maart 2010, JOR 2010/58(Wilke/Olde Daalhuis): iemand die zich als vennoot laat uitschrijven uit het handelsregister heeft daarmee nog niet per se een opzegging verricht; de uitschrijving kan geschieden zonder mededeling aan de andere vennoten.
Naast de genoemde materiële kenmerken geldt als formeel vereiste dat de VOF moet worden aangegaan bij authentieke of onderhandse akte, zij het dat het gemis van een akte niet aan derden kan worden tegengeworpen (art. 22 WvK). Een akte is een ondertekend geschrift, bestemd om tot bewijs te dienen (art. 156 lid 1 Rv). Zij kan eventueel bestaan uit een briefwisseling.1 Mits wordt voldaan aan de wettelijke vereisten (art. 156a Rv), kan zij ook bestaan uit e-mailcorrespondentie.2 Het aktevereiste van artikel 22 WvK is geen constitutief vereiste, maar een dwingend bewijsvoorschrift.3 Een akte is als bewijsmiddel slechts voorgeschreven voor het geval een vennoot bewijs van het bestaan van een VOF wil leveren tegenover een medevennoot of derde die dit bestaan ontkent.4 Aangenomen wordt dat het bestaan van een VOF pas bewezen is, indien niet alleen is komen vast te staan, dat de partijen de wil hebben gehad met elkaar een VOF aan te gaan, maar ook dat partijen daarbij over de hoofdzaken tot overeenstemming zijn gekomen.5 Het gemis van een vennootschapsakte kan, zoals gezegd, niet aan derden worden tegengeworpen.6
In de afgelopen jaren is het aktevereiste enkele malen in de jurisprudentie aan de orde geweest.7 Ik wees al op het geval van de twee bakkers die beweerden dat zij met twee andere bakkers een VOF waren aangegaan, maar nul op het rekest kregen.8 Een vergelijkbaar geschil was aan de orde tussen twee personen waarvan de een beweerde met de ander een VOF te hebben waarin busreizen werden georganiseerd.9 In beide zaken speelde de vraag of de (oorspronkelijke) eisers als vennoten recht hadden op een aandeel in de winst van de onderneming, konden eisers geen akte overleggen om hun gepretendeerde rechten te bewijzen en liet de rechter geen ruimte voor ander bewijs.
In de jurisprudentie zijn ook voorbeelden te vinden, waarin wordt bevestigd dat de aanwezigheid van een schriftelijke overeenkomst waarin staat dat partijen een VOF wensen aan te gaan, op zichzelf nog geen dwingend bewijs van het bestaan van een VOF oplevert. Dit speelde bij het buschauffeur-arrest, dat bij de maatschap al aan de orde kwam.10 In weerwil van de door hem getekende VOF-akte stelde de chauffeur dat er geen VOF was. Hij deed dit om loon te kunnen claimen (in plaats van een aandeel in het verlies te moeten dragen) en om te ontsnappen aan aansprakelijkheid jegens een met zijn (pretense) medevennoot verbonden partij. Bewijs dat geen sprake was van een VOF mocht volgens de Hoge Raad met alle middelen worden geleverd; ten onrechte was het bewijsaanbod van de chauffeur gepasseerd.
Verschillende schrijvers beschouwen artikel 22 WvK als achterhaald. Nietigheid van de VOF tussen de vennoten en gelijktijdig haar rechtens bestaan tegenover derden zou tot grote complicaties aanleiding geven.11 M.i. valt het met die complicaties wel mee. Het aktevereiste draagt juist bij aan de rechtszekerheid, want biedt een eenduidig uitgangspunt bij de beoordeling van bewijs. Dit geldt te meer, als een schriftelijk (dus uitdrukkelijk) gemaakte keuze niet te snel op basis van de materiële kenmerken onderuit gehaald kan worden.12 Van belang is voorts dat als er geen VOF is, extern rechtsgevolgen kunnen intreden als ware er een VOF, op grond van het leerstuk van de toerekenbare schijn.13 Dat is toch niet al te gecompliceerd. Het aktevereiste ontbeert ook inhoudelijk niet iedere zin.14 De rechtspositie van vennoot in een VOF verschilt op belangrijke punten van die van vennoot in een maatschap. Naar geldend recht betreft dit in elk geval de aansprakelijkheid en vertegenwoordigingsbevoegdheid. Volgens Slagter mag een zo zware en uitzonderlijke aansprakelijkheid als een hoofdelijke alleen worden aanvaard als iedere redelijke twijfel uitgesloten is over de vraag of de betrokkene die aansprakelijkheid voor rechtshandelingen van een ander (zijn beweerde medevennoot) heeft willen aanvaarden.15 Dat argument vind ik achterhaald; volgens mij mag hoofdelijkheid juist in meer gevallen de hoofdregel zijn.16 Dat het vennoot-zijn van een VOF deelname aan een rechtsbevoegde collectiviteit meebrengt, dat in beginsel iedere vennoot de VOF mag vertegenwoordigen en dat iedere vennoot aansprakelijkheid is voor schulden die door de VOF zijn aangegaan, waaronder aansprakelijkheid van de nieuwe vennoot voor oude VOF-schulden, vormen m.i. wel goede gronden voor het aktevereiste.
Als formeel vereiste voor de VOF kan verder worden genoemd dat zij moet worden ingeschreven in het handelsregister.17 Het is geen constitutief vereiste, maar in de praktijk wel belangrijk.18 Een persoon zal slechts als vennoot van een VOF worden ingeschreven, als hij zelf de daartoe benodigde opgave heeft gedaan of laten doen. De Kamer van Koophandel zal bij inschrijving kunnen, en in het belang van de rechtszekerheid die het handelsregister beoogt te bieden doorgaans ook moeten, verlangen dat haar kopie van de akte wordt overgelegd. Dan staat voldoende vast dat aan het hierboven bedoelde aktevereiste van artikel 22 WvK is voldaan.19 Is een samenwerkingsverband als VOF ingeschreven, dan mogen derden in de regel op de juistheid van die inschrijving afgaan. Wie als vennoot van een VOF staat ingeschreven, kan zich dus niet onttrekken aan hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de derde die, met zijn contractuele vordering op de VOF, te goeder trouw meende tevens een vordering op deze persoon te verkrijgen.20