Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/9.1
9.1 Inleiding
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS416904:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
In deze zaak had belanghebbende gedurende enkele jaren een onjuist stelsel toegepast voor de waardering van zijn veestapel.
Aan de door de Hoge Raad gegeven oplossing is aandacht besteed in hoofdstuk 7, paragraaf 7.3.1.
Belanghebbende had in deze zaak – met goedvinden van de belastingadministratie – jarenlang ten onrechte het kasstelsel toegepast.
Hoewel ik deze onderwerpen afzonderlijk behandel, dient te worden benadrukt dat zij nauw met elkaar samenhangen. Zo wordt door Plv. P-G Van Soest in zijn conclusie voor HR 18 maart 1998, BNB 1998/229, opgemerkt: ‘Het spreekt (...) vanzelf dat de rechtsstrijd tussen de partijen niet gesplitst kan worden in twee afzonderlijke afdelingen, waarvan de ene op de grootte van het nadeel en de andere op de vaststelling van de redelijke tegemoetkoming betrekking heeft.’
In de hoofdstukken 6 t/m 8 is ingegaan op het herstel van diverse soorten fouten door toepassing van de foutenleer. Geconstateerd moet worden dat de toepassing van de foutenleer voor de belastingplichtige onder omstandigheden nadelig uitwerkt. Dit doet zich bijvoorbeeld voor indien de belastingplichtige als gevolg van het progressieve tarief van de inkomstenbelasting in het oudste nog openstaande jaar ter zake van het foutenherstel (aanzienlijk) meer belasting is verschuldigd dan hij zou hebben betaald bij een juiste wetstoepassing. Nadelige gevolgen door de toepassing van de foutenleer kunnen bij de belastingplichtige echter worden weggenomen door toekenning van een redelijke tegemoetkoming.
In HR 23 februari 1955, BNB 1955/1581, werd voor het eerst rekening gehouden met de bezwaren die zich door de toepassing van de foutenleer zouden voordoen. De Hoge Raad gaf in die zaak een oplossing ter voorkoming van ongerechtvaardigd nadeel voor de belastingplichtige2. In zijn arrest van 6 maart 1968, BNB 1968/103, spreekt de Hoge Raad in het kader van de foutenleer voor het eerst over een redelijke tegemoetkoming. Hij oordeelt ten aanzien van het door het Hof ingewilligde verzoek van belanghebbende om in de vorm van gewetensgeld 40% belasting te betalen over het bedrag van de op 1 januari 1963 uitstaande vorderingen3, dat dit een redelijke tegemoetkoming vormt aan de bezwaren, die belanghebbende ondervindt doordat hij door de belastingadministratie is gedwongen zijn onjuiste waarderingsstelsel te verlaten.
Nadat in paragraaf 9.2 de vraag aan de orde is geweest in welke gevallen de belastingplichtige in aanmerking komt voor een redelijke tegemoetkoming, wordt in paragraaf 9.3 uitgewerkt hoe deze redelijke tegemoetkoming moet worden bepaald4. De rol van de rechter bij de toekenning van de tegemoetkoming wordt belicht in paragraaf 9.4. In paragraaf 9.5 wordt een verband gelegd tussen de redelijke tegemoetkoming en de redelijkheidsoplossingen bij het verlaten van onjuiste waarderingsstelsels.