Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/28.11:28.11 Waarom is vestiging van een buurweg niet meer mogelijk?
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/28.11
28.11 Waarom is vestiging van een buurweg niet meer mogelijk?
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS488468:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 5, p. 175 en 177.
Korteweg 1959, p. 269 e.v.; Van Kerkhoff 1966, p. 84 e.v.; Van Acht 1991, p. 896 e.v.
Asser/Scholten 1945, p. 258.
Van Kerkhoff 1966, p. 87 en 88.
Van Kerkhoff 1966, p. 85.
Van Kerkhoff 1966, p. 88.
Korteweg 1959, p. 271.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 409 en 410; Van Kerkhoff 1966, p. 89.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 418.
Van Kerkhoff 1966, p. 89.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 418 en 427.
Van Kerkhoff 1966, p. 91.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, is vestiging van buurwegen naar huidig recht niet meer mogelijk.
Als argumenten voor het doen vervallen van deze mogelijkheid zijn in de parlementaire geschiedenis genoemd:
een buurweg kan als erfdienstbaarheid worden gevestigd;
het is mogelijk dat de buurweg mandelig is in de zin van art. 5:60;
een recht van weg kan thans door verjaring ontstaan.1
Deze argumenten zijn door Korteweg en Van Kerkhoff en later nog eens door Van Acht onder de loepgenomen.2
ad 1. Niemand zal ontkennen dat de buurweg middels vestiging van erfdienstbaarheden geregeld kan worden. Korteweg meent evenwel – in navolging van Scholten3 – dat de buurweg dient
‘om toestanden te handhaven waarvan men het ontstaan niet meer kan nagaan en die voor ieder waarneembaar op het bestaan van een weg wijzen.’
In deze visie dient de figuur van de buurweg derhalve vooral om reeds lang bestaande situaties te legaliseren.
Een ander element wordt ingebracht door Van Kerkhoff.
Adstrueren wij de voor- en nadelen van de keuze voor de ene of de andere figuur aan de hand van een achter een rij woningen gelegen brandgang. Ingeval een keuze voor de constructie via erfdienstbaarheden wordt gemaakt zal de grond deel uitmakende van de brandgang, voor zover gelegen achter een woonhuis in eigendom gaan toebehoren aan de eigenaar van de woning. Vervolgens zullen over en weer erfdienstbaarheden worden gevestigd. De meeste erven zullen zowel heersend als lijdend erf zijn, en dat meermalen. Een ondoorzichtige constructie.4
Van Kerhoff verzucht in zijn hiervoor meermaals aangehaald artikel:
‘het is niet teveel gezegd als men beweert dat bij nieuwbouw hele stadscomplexen zijn bezaaid met erfdienstbaarheden en speciaal in nieuwe wijken elk perceel – vaak ook ten onrechte – heersend en/of lijdend erf is.’5
De buurweg zou op eenvoudige wijze haar diensten kunnen bewijzen. Maak dat gedeelte van de grond dat nodig is als brandgang gemeenschappelijk eigendom van de eigenaren van de woningen (zie ad 2). Of, een andere mogelijkheid: de grond voor zover nodig voor de brandgang wordt aan één van de eigenaren van de woningen overgedragen. Door hem wordt vervolgens de grond bestemd tot brandgang.
ad 2. Ook mandeligheid ex art. 5:60 is een alternatief. Evenwel slechts dan indien er sprake is van gemeenschappelijke eigendom van de weg.6
Korteweg7 en Van Kerkhoff spreken nog over art. 5.5.1 lid 2 OBW waarin – zoals wij hiervoor reeds zagen – werd bepaald dat ingeval door de eigenaren van naburige erven op één van die erven een werk werd opgericht terwijl (a) de kosten daarvan werden gedragen door die betreffende eigenaren en (b) dit werk tot gemeenschappelijk nut van die erven zou dienen, de eigendom daarvan gemeenschappelijk zou zijn. Indien het aanleggen van een weg zou kunnen gelden als het oprichten van een werk en de kosten voor gemeenschappelijke rekening zouden zijn gemaakt, zou gesproken kunnen worden van een mandelige weg.
Deze mogelijkheid is in ieder geval thans niet meer aanwezig.
Terugkomend op de brandgang zoals hiervoor onder ad 1 besproken: in de meeste gevallen kan de brandgang gemeenschappelijk worden uitgegeven aan de eigenaren van de woningen. In die situatie is mandeligheid ex art. 5:60 mogelijk.
ad 3. Onder het regime van het oude Burgerlijk Wetboek kon een erfdienstbaarheid van weg niet door verjaring ontstaan (art. 747 BW (oud)). Naar huidig recht is dat anders. Zie art. 5:72.
Wil een beroep op verjaring slagen dan dient te worden voldaan aan de volgende eisen: er moet sprake zijn van bezit te goeder trouw (art. 3:99) gedurende een periode van 10 jaar. Degene die beweert een recht van erfdienstbaarheid te hebben dient te goeder trouw te zijn. Dit kan slechts aan de orde zijn indien er een akte van vestiging van een erfdienstbaarheid is verleden terwijl die akte gebreken kent.8
Is geen sprake van goede trouw dan kan een erfdienstbaarheid na 20 jaar ontstaan. Uiteraard dient wel aan het bezitsvereiste te worden voldaan.9 Ik merk hierbij opdat door Van Kerkhoff nog wordt beweerd dat extinctieve verjaring van een erfdienstbaarheid niet mogelijk is.10
En, inderdaad ten tijde van het schrijven van het desbetreffende artikel was een dergelijke verjaring niet mogelijk.11
Thans is evenwel als gevolg van een tekstuele wijziging in art. 3:105 deze vorm van verjaring wel mogelijk.
Verjaring kan oude, reeds bestaande wegen aan een juridische status helpen. Nieuwe wegen zijn hiermee niet geholpen.12