Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/11.3.1
11.3.1 De redelijkheid
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS416896:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Voor een algemene beschouwing over de werking van de redelijkheid in het belastingrecht verwijs ik naar J.H. Christiaanse, Redelijkheid en belastingrecht, 1964.
Ik breng in herinnering dat bij deze KNOR-oplossing niet alleen de eindbalans van het oudste nog openstaande jaar wordt ingericht naar het nieuwe stelsel, maar ook de beginbalans van dat jaar. Een waardeverschil tussen laatstgenoemde balans en de eindbalans van het laatstvastgestelde jaar wordt opgenomen in de KNOR, welke wordt belast in het laatste jaar, waarin met de onderneming hier te lande belastbare winst wordt genoten.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de redelijkheid1zich ertegen kan verzetten dat een fout in de eindbalans van het laatstvastgestelde jaar door toepassing van de foutenleer wordt hersteld in het oudste nog openstaande jaar. Gewezen kan worden op HR 24 juni 1953, BNB 1953/189, waarin de Hoge Raad aangeeft dat het noodzakelijk kan zijn een uitzondering te maken op de regel, dat in het verleden gemaakte fouten in beginsel behoren te worden verbeterd. Het gaat dan om gevallen, waarin een zodanige verbetering hetzij voor de belastingadministratie hetzij voor de belastingplichtige tot onaannemelijke gevolgen leidt. In dit arrest deden zich geen onaannemelijke gevolgen voor, zodat er geen reden was het door belanghebbende gevraagde foutenherstel in het oudste nog openstaande jaar te weigeren.
Een geval, waarin de redelijkheid zich daadwerkelijk verzette tegen het (door de inspecteur verlangde) foutenherstel in het oudste nog openstaande jaar, was aan de orde in het in hoofdstuk 7, paragraaf 7.3.1, besproken arrest HR 23 februari 1955, BNB 1955/158. De inspecteur verlangde in die zaak dat belanghebbende zou overgaan op een ander stelsel voor de waardering van zijn vee. Het oude stelsel – dat naar het oordeel van de Hoge Raad in strijd was met goed koopmansgebruik – was echter jarenlang met uitdrukkelijke instemming van de belastingadministratie toegepast. Aan de belastingadministratie kon in beginsel niet de bevoegdheid worden ontzegd in dit geval een stelselwijziging te verlangen. Het zou evenwel niet redelijk zijn, aldus de Hoge Raad, indien als gevolg van de wijziging van het waarderingsstelsel de stille reserve, welke geleidelijk in de waarde van de veestapel is ontstaan, in het jaar van de stelselwijziging tot de winst zou worden gerekend met alle voor de belastingplichtige daaraan in verband met de progressie van het tarief verbonden bezwaren. Zoals besproken in hoofdstuk 7, heeft de Hoge Raad voor dit geval de zgn. KNOR-oplossing in het leven geroepen, waarmee deze bezwaren worden weggenomen2.
De in verband met de redelijkheid te maken uitzondering op de hoofdregel van het foutenherstel is ook terug te vinden in HR 24 oktober 1956, BNB 1956/335, waarin wordt geoordeeld:
dat de in de verhouding tussen de belastingadministratie en den belastingplichtige in acht te nemen redelijkheid kan gebieden, dat op dezen regel een uitzondering wordt gemaakt;
Zie ook het meer recente arrest HR 4 januari 1995, BNB 1995/129. De Hoge Raad oordeelt dat de gevolgen van het foutenherstel door toepassing van de foutenleer tot uitdrukking komen in de winst van het jaar, waarin dit herstel plaatsvindt,
(...) voor zover zij niet op andere wijze ongedaan worden gemaakt en niet tot onredelijke gevolgen voor de belastingplichtige leiden (...)
Of de redelijkheid zich verzet tegen het foutenherstel in het oudste nog openstaande jaar, zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld. De door de Hoge Raad in BNB 1956/335 genoemde omstandigheden (zie hoofdstuk 7, paragraaf 7.3.2) zijn daarbij mijns inziens niet langer maatgevend. Zo vormen ‘nadelige gevolgen’ naar mijn mening thans geen relevante factor meer bij die beoordeling, omdat nadelige gevolgen van het foutenherstel in het oudste nog openstaande jaar kunnen worden geneutraliseerd door toekenning van een redelijke tegemoetkoming.