Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/8.5.1
8.5.1 Bij vervreemding behouden belang
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS456562:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
In HR 26 november 1969, BNB 1970/13 achtte de Hoge Raad art. 39, vijfde lid, (oud) Wet IB van toepassing in geval van een emissie van (nieuwe) aandelen aan een enig aandeelhouder tegen een onzakelijk hoge prijs. In HR 21 september 1988, BNB 1988/308 daarentegen werd art. 39, vijfde lid, (oud) Wet IB buiten toepassing gelaten ter zake van een inkoop a pari van een enig aandeelhouder. J.E.A.M. van Dijck concludeert dat mag worden aangenomen dat HR 26 november 1969, BNB 1970/13 is achterhaald door HR 21 september 1988, BNB 1988/308, J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling, Fed fiscale brochures, blz. 145, Fed, Deventer, 1995. Ook T. Blokland betoogt dat art. 39, vijfde lid, (oud) Wet IB niet van toepassing is op transacties tussen de aandeelhouder en 'zijn' vennootschap, maar integendeel gericht is op transacties met derden, T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, Fiscale monografie nr. 19, blz. 213, Kluwer, Deventer, 1994.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 56. Zie tevens de toelichting (eerste) nota van wijziging Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 8. blz. 13.
Volgens de Vakstudie kan bij art. 20c, vierde lid, laatste volzin. Wet IB tevens worden gedacht aan de situatie waarbij een aandeelhouder zijn (rechtstreeks) gehouden aandelen die een aanmerkelijk belang vormen, vervreemdt aan een persoonlijke houdstermaatschappij tegen een lagere prijs dan de waarde in het economische verkeer, de Vakstudie in aantekening 37 bij art. 20c Wet IB. Mijns inziens is deze visie echter onjuist, aangezien in een dergelijke situatie blijkens HR 10 februari 1960, BNB 1960/123, HR 28 juni 1989, BNB 1990/147 en HR 26 januari 1994, BNB 1994/304 reeds tot aanmerkelijkbelangheffing kan worden overgegaan op grond van de hoofdregel van art. 20c, vierde lid, eerste volzin. Wet IB (art. 39, vijfde lid, (oud), Wet IB); de tweede volzin van art. 20c, vierde lid. Wet IB was hiervoor niet noodzakelijk.
Dat ook sprake is van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling voor het gedeelte van het belang dat de aandeelhouder(s) in de vennootschap behoud(t)(en), blijkt reeds uit art. 20a, zesde lid, onderdeel a, Wet IB. Dit was overigens onder de oude aanmerkelijkbelangregeling niet anders. Zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.3.1.
J.E.A.M. van Dijck had mijns inziens terecht opgemerkt dat de oorspronkelijk voorgestelde wettekst de in de memorie van toelichting verwoorde bedoeling niet dekte, J.E.A.M. van Dijck, De voorgestelde nieuwe aanmerkelijk-belangregeling, WFR 1996/6206, blz. 999. Naar aanleiding van de opmerking van J.E.A.M. van Dijck heeft de staatssecretaris van Financiën ervoor gekozen zekerheidshalve de wettekst op dit punt te verduidelijken en is de tweede volzin aan art. 20c, vierde lid, Wet IB toegevoegd, Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 33.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 56. Zie tevens het nader rapport Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. B, blz. 19, alwaar hetzelfde voorbeeld is opgenomen.
Zou in bovenvermeld voorbeeld niet tot belastingheffing uit hoofde van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' (vervreemdingsvoordelen) worden overgegaan, dan zou het geld belastingvrij uit de vennootschap worden gehaald, hetgeen de staatssecretaris van Financiën blijkens de memorie van toelichting niet bevredigend achtte. Naar zijn oordeel is in feite sprake van dividend. Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 56.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 56. Zie tevens het nader rapport Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. B, blz. 19-20.
Conform HR 21 september 1988, BNB 1988/308 en HR 19 mei 1993, BNB 1993/231.
In hoofdstuk 7, onderdeel 7.2 is reeds ingegaan op de verkoop, inkoop en emissie van (aanmerkelijkbelang)aandelen tegen een lagere prijs dan de waarde in het economische verkeer van de aandelen. Zoals aldaar is aangegeven, is de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit vlak onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling onverkort van toepassing gebleven, zij het dat de inkoop van aandelen in art. 20a, zesde lid, onderdeel a, Wet IB uitdrukkelijk onder de vervreemding voor de aamerkelijkbelangregeling wordt begrepen. Op grond van deze jurisprudentie van de Hoge Raad komt art. 20c, vierde lid, Wet IB eveneens aan de orde in geval van een verkoop, inkoop van (eigen) aandelen door de vennootschap of een emissie van nieuwe aandelen door de vennootschap tegen een te lage prijs, indien meerdere aandeelhouders in het spel zijn die niet allen in de verkoop, inkoop of emissie participeren; alsdan vindt immers een verschuiving in de winstgerechtigdheid plaats van de wei-participerende aandeelhouder(s) naar de niet-participerende aandeelhouder(s). Voor wat betreft het gedeelte van het belang dat de verkopende aandeelhouder(s) in de vennootschap behoud(t)(en), oordeelde de Hoge Raad art. 39, vijfde lid (oud), Wet IB daarentegen niet van toepassing.1 Op dit onder de oude aanmerkelijkbelangregeling door de Hoge Raad tot stand gebrachte systeem maakt de laatste volzin van art. 20c, vierde lid, Wet IB echter uitdrukkelijk een in- breuk. Ingevolge deze bepaling is de correctie van de tegenprestatie tot de waarde in het economische verkeer ook van toepassing, indien bij een vervreemding het belang in de vennootschap wordt behouden. Deze correctieregeling blijft alleen buiten toepassing in geval van uitgifte van (nieuwe) aandelen door de vennootschap. Blijkens de memorie van toelichting heeft deze bepaling uitdrukkelijk tot doel om de jurisprudentie van de Hoge Raad, met name HR 21 september 1988, BNB 1988/308, te ontkrachten.2,3 Ondanks het feit dat de aanmerkelijkbelanghouder(s) in een situatie waarin eigen aandelen door de vennootschap van een enig aandeelhouder dan wel van alle aandeelhouders naar rato van hun aandelenbezit worden ingekocht en de aandeelhouder(s) er niet in vermogen op achteruitgaa(t)(n), d.w.z. er geen (winst)reserves van de ene aandeelhouder(s) naar de andere aandeelhouder(s) verschuiven, is blijkens art. 20c vierde lid, laatste volzin, Wet IB de eerste volzin van art. 20c, vierde lid, Wet IB (toch) van toepassing. In zoverre is kennelijk in de visie van de fiscale wetgever sprake van een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst.4 In zijn arrest van 21 september 1988, BNB 1988/308 had de Hoge Raad nog nadrukkelijk beslist dat geen sprake was van een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst voor wat betreft het gedeelte van het belang dat de aandeelhouder in de vennootschap had behouden. In zoverre bevat de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling dus een duidelijke breuk ten opzichte van de oude aanmerkelijkbelangregeling.5 In de memorie van toelichting wordt ter adstructie het volgende voorbeeld gegeven:6
Voorbeeld
Een vennootschap heeft een nominaal gestort aandelenkapitaal van ƒ 80 000. De aandelen zijn eigendom van A die daar indertijd ƒ 1 000 000 voor heeft betaald. De werkelijke waarde van deze aandelen is nadien opgelopen tot ƒ 2 000 000. Ingeval A over een bedrag van ƒ 500 000 uit de BV zou willen beschikken, zou hij - indien bij inkoop door een enig aandeelhouder geen correctie van een te lage inkoopprijs zou plaatsvinden - dit kunnen doen door de helft van zijn aandelen voor ƒ 500 000 te laten inkopen. De overdrachtsprijs is dan gelijk aan de verkrijgingsprijs. Onder het nieuwe aanmerkelijkbelangregime dient ƒ 500 000 als winst uit aanmerkelijk belang te worden belast, te weten het verschil tussen ƒ 1 000 000 (de waarde in het economische verkeer van de ingekochte aandelen) en ƒ 500 000 (de verkrijgingsprijs daarvan). Het inkopen van aandelen geldt onder het nieuwe aanmerkelijkbelangregime immers uitdrukkelijk als een vervreemding (art. 20a, zesde lid, onderdeel a, Wet IB, zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.3.1) en bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst wordt als tegenprestatie aangemerkt de waarde welke ten tijde van de vervreemding in het economische verkeer aan de aandelen kan worden toegekend. 7
Een evenwichtige wetstoepassing brengt vervolgens met zich mee, hetgeen ook in de memorie van toelichting wordt erkend, dat in dergelijke situaties de verkrijgingsprijs van de resterende aanmerkelijkbelangaandelen resp. de aandelen die door de onzakelijke transactie in waarde zijn gestegen, wordt verhoogd met het als winst uit aanmerkelijk belang belaste verschil tussen de waarde in het economische verkeer van de aandelen en de (daadwerkelijke) tegenprestatie.8 In het hiervoor genoemde voorbeeld behoudt de belastingplichtige na de inkoop ƒ 40 000 nominaal aandelenkapitaal. De verkrijgingsprijs daarvan bedraagt ƒ 1 000 000, te weten ƒ 500 000 ter zake van de niet-ingekochte aandelen zelf en ƒ 500 000 wegens het ter zake van de inkoop van de andere aandelen als aanmerkelijkbelangwinst belaste verschil tussen de waarde in het economische verkeer van die aandelen en de inkoopprijs. Op deze wijze is aldus de ten tijde van de inkoop bestaande latente aanmerkelijk-belangclaim van ƒ 1 000 000 voor de helft afgerekend en voor de andere helft (het verschil tussen de werkelijke waarde van het na de inkoop resterende aandelenpakket ad ƒ 1 500 000 en de verkrijgingsprijs van ƒ 1 000 000) blijven bestaan.9