Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.5.3.3:4.5.3.3 Strafvorderlijke verankering van art. 167a Sv en het materieelrechtelijke klachtvereiste
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.5.3.3
4.5.3.3 Strafvorderlijke verankering van art. 167a Sv en het materieelrechtelijke klachtvereiste
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946088:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot slot verdient aandacht dat beide rechtsfiguren op verschillende wijze in de Nederlandse strafwetgeving zijn ingebed. Het klachtvereiste is hoofdzakelijk in het materiele strafrecht verankerd, terwijl het hoorrecht in art. 167a Sv een strafvorderlijke grondslag kent. In paragraaf 4.5.2.3.3 is toegelicht dat ik mij kan vinden in de plaats die art. 167a Sv in het Wetboek van Strafvordering is toebedeeld. Het gaat om een vormvoorschrift waaraan het openbaar ministerie (zo mogelijk) uitvoering moet geven. Nu het bij de minderjarige in te winnen standpunt behoort te worden betrokken bij de vervolgingsbeslissing is dit wetsartikel op zijn plaats in Titel IV van Boek II van het Wetboek van Strafvordering betreffende de ‘Beslissingen omtrent vervolging’. Dat het ingewonnen standpunt van belang is voor de duiding van het materiële strafwaardigheid van de gedraging leidt niet tot een andersluidend oordeel. Die materiële duiding van het feit vindt immers plaats in het kader van de beslissing die het openbaar ministerie op grond van art. 167 Sv moet nemen. Het gaat aldus om een nadere invulling van de strafvorderlijk aan het openbaar ministerie toebedeelde vervolgingsbeslissing, waarbij logischerwijs altijd aandacht uitgaat naar het onderliggende feitencomplex en de materiële strafwet.
Zojuist kwam aan de orde dat (na het verval van het klachtvereiste in de zedenwetgeving en invoering van art. 167a Sv) de klacht bij de resterende klachtdelicten niet raakt aan de beoordeling van de strafwaardigheid van de gedraging, maar ziet op een standpunt van de klachtgerechtigde over de (on)wenselijkheid van de vervolging van dat feit. Daarmee raakt het klachtvereiste niet aan een aspect van het materiële feitencomplex, maar ziet het op de procesrechtelijke vraag of het openbaar ministerie kan vervolgen. Deze omstandigheid voedt de idee dat het klachtvereiste mogelijk beter op zijn plaats is in het Wetboek van Strafvordering. Op dit vraagstuk wordt in de navolgende afsluitende paragraaf dieper ingegaan.