Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/4.1
4.1 Inleiding
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181143:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De afzonderlijke regeling inzake het Saargebied daargelaten. Zie daarover nader paragraaf 3.1 (‘Inleiding’).
Zie daarvoor art. 10, 11 en 13 Toepassingsovereenkomst.
Art. 14 Toepassingsovereenkomst.
Paragraaf 3.3.2 (‘De strekking van de LGO-status: de invloed van de dekolonisatie’).
Ibid.
PbEG 1474/64.
PbEG L 282/83.
PbEG L 176/8.
PbEG L 361/1.
PbEG L. 175/1.
PbEG L. 263/1.
PbEG L. 329/50.
PbEU L. 314/1.
PbEU L. 344/1.
HvJ EU 14 september 1995, gevoegde zaken T-480/93 en T-483/93 (Antillean Rice Mills vs. Commissie van de Europese Gemeenschappen), Jur. II-2310; HvJ EU 12 september 2006, zaak C-300/04 (Eman en Sevinger), Jur. I- 8060; HvJ EU 12 december 1990, gevoegde zaken C-100 & 101/89 (Kaefer en Procacci), Jur. I-4667.
In de loop van het vorige hoofdstuk werd duidelijk dat de Gemeenschapsrechtelijke regeling inzake de overzeese gebieden van de toenmalige EEG-lidstaten haar historische wortels heeft in het Franse recht. In de onderhandelingsfase van het EEG-Verdrag eiste de Franse delegatie dat de Franse overzeese gebieden op enigerlei wijze zouden worden opgenomen in het Gemeenschapsraamwerk. In het in 1958 in werking getreden EEG-Verdrag werd voorzien in twee regelingen1 voor enerzijds overzeese gebieden die een nauwe relatie hadden met de EEG-lidstaat (UPG) en anderzijds overzeese gebieden die een losse(re) band hadden met de EEG-lidstaat (LGO). In het EEG-Verdrag was als gevolg van de Franse wensen dus voorzien in verschillende statussen voor overzee. De associatieregeling aangaande de LGO werd verankerd in Deel IV van dit Verdrag. Daarin werd summierlijk uitwerking gegeven aan de associatieregeling met de LGO en de doelstellingen daarvan. Een nadere uitwerking van deze regeling was te vinden in een aan de slotakte van het EEG-Verdrag gehechte Toepassingsovereenkomst, waarvan de geldigheidsduur verstreek op 1 januari 1963. Kernelementen van deze Toepassingsovereenkomst zijn aan de orde gekomen in Hoofdstuk III. Kort gezegd voorzag deze Toepassingsovereenkomst voornamelijk in de geleidelijke afbraak van de onderlinge wettelijke restricties inzake de in- en uitvoer van goederen tussen de EEG en de LGO.2 Tevens werd in deze overeenkomst bepaald dat, indien voor de periode van vijf jaar geen nieuwe regeling zou worden getroffen voor de LGO, het vastgestelde peil van deze zogenoemde kwantitatieve restricties van het vijfde jaar zou worden gehandhaafd.3
De gelding van deze Toepassingsovereenkomst expireerde, zoals hierboven vermeld, op 1 januari 1963. De Raad werd op grond van art. 136, tweede alinea, EEG-Verdrag de plicht opgelegd om voor het einde van deze datum regels vast te stellen voor een nieuwe periode aangaande de relatie tussen de LGO en de EEG. Deze regels diende de Raad vast te stellen op basis van de bereikte resultaten met de LGO gedurende de eerste vijf jaar. Het eerste besluit van de Raad op grond van voornoemde bepaling – een zogenoemd LGO-besluit – werd vastgesteld op 25 februari 1964, na verloop van de deadline die was vermeld in art. 136, tweede alinea, EEG-Verdrag. Deze omissie van de Raad heeft, zoals genoemd in het vorige hoofdstuk, denkelijk te maken met de ontwikkelingen in het dekolonisatieproces van de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, met als gevolg dat verschillende omvangrijke LGO onafhankelijk werden en buiten de werkingssfeer van de LGO-associatieregeling vielen.4 Hierdoor groeide er een desinteresse in de LGO-regeling, omdat de achterblijvende landen en gebieden die deel uitmaakten van de betrokken EEG- lidstaten in beginsel klein van omvang waren en relatief weinig betekenis hadden voor de EEG en haar lidstaten vergeleken met de nogal omvangrijke LGO uit 1957.5 Deze desinteresse heeft, zoals zal blijken uit het navolgende, geleidelijk plaats gemaakt voor een steeds toenemende belangstelling voor de LGO als de bewakers van de waarden waarop de Unie is gestoeld aan haar buitengrenzen.
Tot dusver heeft de Raad, inclusief het eerste LGO-besluit uit 1964, de volgende reeks besluiten genomen inzake de associatie met de LGO:
Besluit 64/249/EEG van 25 februari 1964;6
Besluit 70/549/EEG van 29 september 1970;7
Besluit 76/568/EEG van 29 juni 1976;8
Besluit 80/1186/EEG van 16 december 1980;9
Besluit 86/283/EEG van 30 juni 1986;10
Besluit 91/482/EEG van 25 juli 1991;11
Besluit 97/803/EG van 24 november 1997 tot tussentijdse herziening van Besluit 91/482/EEG van 25 juli 1991;12
Besluit 2001/822/EG van 27 november 2001;13 en tot slot
Besluit 2013/755/EU van 25 november 2013.14
De LGO hebben sinds de verankering van hun status in het EEG- Verdrag een relevante ontwikkeling meegemaakt in deze door de Raad vastgestelde LGO-besluiten. Opvallend aan deze ontwikkeling is dat de associatieregeling met de LGO tot het LGO-besluit van 1991 in sterke mate gelijkenis vertoont met de Overeenkomsten die zijn gesloten met de zogenoemde ACS- staten. Deze ACS-staten zijn genoemd in Hoofdstuk III. Pas in 1991 is deze parallellie tussen de relatie E(E)G-LGO enerzijds en E(E)G-ACS anderzijds doorbroken. De ontwikkelingssamenwerking inzake de LGO-regeling is in het laatste LGO-besluit, het besluit van 2013, aanzienlijk herzien. De focus van dit laatste LGO-besluit ligt niet zozeer op klassieke ontwikkelingssamenwerking ter bestrijding van armoede, zoals dat het geval was bij de voorgaande LGO- besluiten, maar veeleer op wederkerig partnerschap waarbij de focus ligt op onder meer de versterking van het concurrentievermogen van de LGO op het gebied van duurzaamheid.
Een vergelijkbare ontwikkeling waaraan de LGO onderhevig zijn geweest, is te vinden in de rechtspraak van het Hof van Justitie. Door middel van de uitbreiding van de territoriale en personele werkingssfeer van het Gemeenschaps- resp. Unierecht, lijkt de positie van de LGO in het raamwerk van de E(E)G en de EU te zijn veranderd, met als gevolg dat de LGO en hun ingezetenen een steviger positie hebben in het acquis dan voorheen. Zo heeft het Hof van Justitie in zijn rechtspraak geoordeeld dat naast Deel IV van het Verdrag, tevens de Delen I (‘De beginselen’), II (‘Non-discriminatie en burgerschap van de Unie’) en art. 267 VwEU (‘Deel VI Institutionele en financiële bepalingen’) van toepassing zijn ten aanzien van de LGO.15
In dit hoofdstuk zal deze ontwikkeling van de LGO in de LGO-besluiten en in de rechtspraak van het Hof van Justitie in hoofdlijnen inzichtelijk worden gemaakt. Om de betekenis van de gelding van het Unieburgerschap op de LGO voor de inkleuring van het Nederlanderschap te beschouwen, is allereerst noodzakelijk te bezien welke positie de LGO innemen in het Unierecht. Is bijvoorbeeld de strekking van dit regime gelijk gebleven aan die in 1957, waarbij de rechtsbetrekking tussen de Unie en de LGO werd omschreven als een klassieke ontwikkelingssamenwerking? Of worden de LGO geleidelijk betrokken bij het Europese integratieproces? Aangezien het zwaartepunt van dit proefschrift ligt bij de betekenis van de gelding van het Unieburgerschap op LGO voor de vormgeving van het Nederlanderschap en de conceptueel- theoretische duiding van het Nederlanderschap, is de schets in dit hoofdstuk van de ontwikkeling van de LGO niet uitputtend bedoeld. Teneinde de wisselwerking tussen de wetgevingshandelingen inzake de LGO (de LGO-besluiten) enerzijds en de rechtspraak van het Hof van Justitie anderzijds te illustreren, is ervoor gekozen om de rechtspraak van het Hof van Justitie niet apart te behandelen, maar tegelijk met de LGO-besluiten. Getracht zal worden in dit hoofdstuk de ontwikkeling te analyseren die de LGO in de besluiten van de Raad en in de rechtspraak van het Hof van Justitie hebben doorgemaakt. Daarbij zal naast de primaire documenten van de Raad en de arresten van het Hof van Justitie van de EU, tevens gebruikt worden gemaakt van onder andere literatuur over deze ontwikkeling en documenten van andere instellingen van de EU, zoals de Commissie en het Europees Parlement. Bij deze analyse zullen zowel de LGO-besluiten als de uitspraken van het Hof aangaande de LGO worden onderverdeeld in drie tijdvakken. De drie tijdvakken worden hieronder achtereenvolgens behandeld. Ieder tijdvak wordt afgesloten met een tussenconclusie.
In Periode I, met een duur van 1964 tot 1980, zullen de gedurende deze periode gewezen arresten van het Hof van Justitie ten aanzien van de LGO en de eerste drie LGO-besluiten worden behandeld, zijnde:
Besluit 64/249/EEG van 25 februari 1964;
Besluit 70/549/EEG van 29 september 1970;
Besluit 76/568/EEG van 29 juni 1976.
In periode II, vanaf 1980 tot 1997, worden de gedurende deze periode gedane uitspraken van het Hof van Justitie met betrekking tot de LGO en de volgende drie LGO-besluiten onder de loep genomen:
Besluit 80/1186/EEG van 16 december 1980;
Besluit 86/283/EEG van 30 juni 1986;
Besluit 91/482/EEG van 25 juli 1991.
Tot slot worden in Periode III, vanaf 1997 tot heden, de eveneens gedurende deze periode gedane uitspraken van het Hof van Justitie aangaande de LGO en het LGO-besluit tot tussentijdse herziening van het LGO-besluit van 1991 en de laatste twee LGO-besluiten aan de orde gesteld:
Besluit 97/803/EG van 24 november 1997 tot tussentijdse herziening van Besluit 91/482/EEG van 25 juli 1991;
Besluit 2001/822/EG van 27 november 2001;
Besluit 2013/755/EU van 25 november 2013.