Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.4.2.2
9.4.2.2 Rechtmatig belang
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS579937:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Nieuw bewijsrecht, p. 416; Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, p. 553. Zie Ekelmans 2007, p. 30.
Parl. Gesch. Nieuw bewijsrecht, p. 416.
Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, p. 553.
Rutgers (Burgerlijke Rechtsvordering), art. 843a Rv, aant. 6.
Rutgers (Burgerlijke Rechtsvordering), art. 843a Rv, aant. 6.
Zie bijvoorbeeld HR 31 mei 2002, NI 2003, 589 m.nt. JBMV (K./Aegon).
Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, p. 188 (MvT); Rutgers (Burgerlijke Rechtsvordering), art. 843a Rv, aant. 6.
Rutgers (Burgerlijke Rechtsvordering), art. 843a Rv, aant. 6.
Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, p. 553; Ekelmans 2007, p. 31.
Zie de aangehaalde rechtspraak in Ekelmans 2007, p. 31 waaronder Rb. Maastricht 7 maart 2002, LJN AE0630 (nalatenschap moeder), r.o. 3.16; Hof 's-Hertogenbosch 14 oktober 2003, LJN AM7927, r.o. 3.3.
Ekelmans 2007, p. 31 e.v.
Wesseling-Van Gent 2006, p. 335-374.
Zie voor een nadere evaluatie Ekelmans 2007, p. 32 e.v.
Ekelmans 2007, p. 34.
Ekelmans 2007, p. 35.
Wat met rechtmatig belang wordt bedoeld, is niet eenvoudig te bepalen. In de parlementaire geschiedenis is dit begrip slechts summier ingevuld.1 Twee aanwijzingen komen in de parlementaire geschiedenis boven tafel. Ten eerste dient de houder van de bescheiden (toen nog akte) niet nodeloos te worden lastig gevallen.2 Ten tweede komt het aan op de vraag of een partij een onredelijk voordeel geniet of haar wederpartij een dito nadeel lijdt doordat een bepaald bewijsstuk in de procedure niet als bewijsmiddel ter beschikking komt.3 Met het begrip rechtmatig belang wordt de mogelijkheid geboden om belangen bij verstrekking van bescheiden af te wegen.
Het begrip rechtmatig belang is gekoppeld aan bepaalde bescheiden. Zoals reeds bleek in § 9.4.2.1 kunnen fishing expeditions hierdoor worden voorkomen.
In lid 4 van artikel 843a Rv zijn twee andere beperkingen opgenomen, die duidelijk maken dat er grenzen zijn aan de verplichting tot het produceren van stukken.4 De eerste beperking houdt in dat gewichtige redenen aan de verplichting tot het produceren van stukken in de weg kunnen staan (vgl. artikel 22 Rv). De tweede beperking houdt in dat er geen goede grond voor een exhibitieplicht bestaat, indien productie van bewijsmiddelen uit een oogpunt van een behoorlijke rechtsbedeling kan worden gemist.5 Te denken valt bijvoorbeeld aan de situatie waarbij bewijs van de relevante feiten redelijkerwijs ook langs andere weg kan worden verkregen, zoals door een getuigenverhoor of deskundigenonderzoek.6 Beide beperkingen kunnen met elkaar verweven raken en mogelijk een onderlinge afweging vergen.7 Het is voorstelbaar dat de eisen van een behoorlijke rechtspleging zwaarder wegen dan de redenen die aan de verplichting tot het produceren van stukken in de weg kunnen staan. Rutgers wijst erop dat het in dergelijke gevallen in beginsel aankomt op de vraag of 'een partij een onredelijk (of: 'unfair') voordeel geniet, of haar wederpartij een dito nadeel lijdt doordat een bepaald (bewijs)stuk in de procedure niet (als bewijsmiddel) beschikbaar komt.’8
Een voorbeeld van een rechtmatig belang is de partij die op de hoogte is van het bestaan en de inhoud van een bepaalde (onderhandse) akte, deze akte als bewijsmiddel wil overleggen, maar niet meer de beschikking heeft over deze akte. De enkele interesse in een stuk of belang bij bescheiden is op zichzelf onvoldoende om daarop aanspraak te kunnen maken.9 Stukken die niet relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het mededingingsrechtelijke geschil hoeven uiteraard niet verstrekt te worden.10
Ekelmans wijst op een ontwikkeling in de jurisprudentie waarbij aanvankelijk veel belang wordt geacht aan de vraag of de vordering voldoende aannemelijk was.11 De vordering tot verstrekking van informatie mag er dan ook niet op gericht zijn om bescheiden te verkrijgen ter onderbouwing van een vorderingsrecht waarvan niet met zekerheid is te zeggen of dit geldend kan worden gemaakt.12 Langzamerhand lijkt inmiddels meer betekenis toe te komen aan de bewijsnood bij de gelaedeerde.13 Deze trend lijkt de gelaedeerde van een mededingingsinbreuk iets meer mogelijkheden te geven.
Ekelmans wijst er terecht op dat deze mildere benadering kan voorkomen dat een van de partijen bewijsnood van haar wederpartij in stand kan laten om zo te bereiken dat haar vordering wordt afgewezen. 'Bewijsnood rechtvaardigt immers op zichzelf geen omkering van de bewijslast, maar dat is anders indien de bewijsnood door de niet met het bewijs belaste wederpartij wordt gecreëerd...', aldus Ekelmans.14 Wel blijft het noodzakelijk dat de verzoeker om bescheiden, voldoende stelt om te voldoen aan de eisen van artikel 843a Rv. Ekelmans ziet in de jurisprudentie een ontwikkeling waarbij in toenemende mate bepalend wordt of hetgeen verzoeker stelt het verzoek kan dragen zodat voor inhoudelijke discussie over de achterliggende vordering nog geen plaats is.15 Dit komt overeen met de in § 9.4.4 en § 9.4.5 te bespreken beoordeling van verzoeken tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor en een voorlopig deskundigenbericht.