Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.3.1
10.3.1 De inhoud van de vestigingsplaatseis
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491464:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 17, p. 72. Dit betekent bijvoorbeeld dat een splitsing tussen in Duitsland gevestigde GmbH’s onder het bereik van art. 14a Wet VPB 1969 valt, mits de splitsende GmbH vóór de splitsing buitenlands belastingplichtig is in Nederland.
De a.b.-regeling is ook (of: juist) relevant voor natuurlijke personen/a.b.-houders. Dit onderzoek richt zich daar niet op.
Art. 2, lid 4, Wet VPB 1969 geldt namelijk ‘voor de toepassing van deze wet’ en dat is de Wet VPB 1969. Voor lichamen met een deelneming in de splitsende rechtspersoon bevat art. 13j Wet VPB 1969 voorschriften die art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo. art. 3.56 Wet IB 2001 aanvullen. De vestigingsplaatsfictie van art. 2, lid 4, Wet VPB 1969 is ook uitgeschakeld voor de toepassing van art. 13j Wet VPB 1969.
De 27 EU-lidstaten zijn: België, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Kroatië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië en Zweden. De volgende 3 staten zijn aangewezen EER-landen: IJsland, Noorwegen en Liechtenstein. Zie art. 2c Uitvoeringsbeschikking VPB 1971 en art. 11 UR IB 2001.
Een fiscaal gefaciliteerde splitsing is voor zowel de splitsingspartners als de (potentieel toekomstige) participanten en schuldeisers alleen mogelijk als is voldaan aan de vestigingsplaatseis. Deze eis houdt in dat de splitser en de verkrijger(s) gevestigd moeten zijn in Nederland of – in de zin van art. 3.55, lid 5, Wet IB 2001 – in een (andere) EU-lidstaat of een aangewezen staat die partij is bij de EER-Overeenkomst. Het is overigens niet vereist dat deze splitsingspartners in verschillende EU-lidstaten of EER-landen zijn gevestigd.1 De vestigingsplaatseis is neergelegd in de volgende splitsingsbepalingen:
Art. 14a, lid 11, Wet VPB jo. art. 3.55 Wet IB 2001 voor de splitsingspartners.
Art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo. art. 3.56, lid 2 en art. 3.55 Wet IB 2001 voor de (potentieel toekomstige) participanten en schuldeisers waarbij de aandelen, lidmaatschapsrechten, vorderingen, winstbewijzen en/of opties tot het ondernemingsvermogen behoren.
Art. 18, lid 5, Wet VPB 1969 jo. art. 4.41, lid 2 en art. 3.55 Wet IB 2001 voor de (potentieel toekomstige) participanten/a.b.-houders.2
Bij de beoordeling of is voldaan aan de vestigingsplaatseis van art. 14a, lid 11, Wet VPB 1969 is het goed om te beseffen dat de vestigingsplaatsfictie van art. 2, lid 4, Wet VPB 1969 is uitgeschakeld voor de toepassing van de splitsingsregeling in art. 14a Wet VPB 1969. Een naar Nederlands recht opgerichte rechtspersoon die buiten Nederland is gevestigd, wordt voor de toepassing van de splitsingsregeling in art. 14a Wet VPB 1969 dus niet geacht in Nederland te zijn gevestigd. Is deze rechtspersoon evenmin in de zin van art. 3.55, lid 5, Wet IB 2001 gevestigd in de EU/EER, dan is een fiscaal begeleide splitsing onmogelijk. Dit betekent dat de regels van art. 3.55, lid 5, Wet VPB 1969 ook relevant zijn voor naar Nederlands recht opgerichte rechtspersonen die buiten Nederland zijn gevestigd. Het voorgaande geldt ook voor de splitsingsfaciliteiten in de Wet IB 2001 aangezien de vestigingsplaatsfictie van art. 2, lid 4, Wet VPB 1969 niet doorwerkt naar de Wet IB 2001.3 Korter gezegd: de vestigingsplaatsfictie van art. 2, lid 4, Wet VPB 1969 geldt niet voor de splitsingsregelingen in de Wet VPB 1969 en Wet IB 2001.
Art. 3.55, lid 5, Wet IB 2001 definieert wat een in de EU/EER gevestigde rechtspersoon is.4 De bepaling bestaat uit drie elementen:
De rechtspersoon heeft een van de rechtsvormen die zijn opgenomen in bijlage 1, deel A van de Fusierichtlijn of een rechtsvorm die vergelijkbaar is met een van de rechtsvormen die voor Nederland zijn opgenomen in die bijlage.
De rechtspersoon wordt niet geacht volgens een door de staat van vestiging met een derde staat gesloten belastingverdrag te zijn gevestigd buiten de EU/EER.
De rechtspersoon is in zijn vestigingsstaat zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld onderworpen aan de lokaal geheven belasting naar de winst als bedoeld in bijlage 1, deel B van de Fusierichtlijn of aan een andere aldaar geheven belasting naar de winst.
De relevante aspecten van deze drie elementen komen hierna bij de toetsing aan het toetsingskader uitgebreider aan bod. Beseft moet worden dat fiscale facilitering voor de diverse betrokkenen bij een splitsing niet afhankelijk is gesteld van de woon- of vestigingsplaats van de (potentieel toekomstige) participanten en schuldeisers van de splitsende rechtspersoon. Dit houdt in dat fiscale begeleiding voor de betrokkenen bij een splitsing tot de mogelijkheden behoort als – bijvoorbeeld – een aandeelhouder van de splitser buiten de EU/EER woont of is gevestigd. Dit betekent ook dat een buiten de EU/EER woonachtige of gevestigde (potentieel toekomstige) aandeelhouder of schuldeiser die buitenlands belastingplichtig is in Nederland, zelf in aanmerking kan komen voor fiscale facilitering in Nederland. Voor alle duidelijkheid: fiscale begeleiding op het niveau van de (potentieel toekomstige) participanten en schuldeisers vereist wel dat de splitsingspartners aan de vestigingsplaatseis voldoen.