Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/1.4
1.4 Relevantie
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264369:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Kaser, Studien III, p. 80-88. Zie voorts Kupiszewski 1974, p. 227-234; Papadatou 2008, p. 209-220; Bobbink 2016, p. 77-86; Bobbink & Mauer 2019, p. 356-383.
Voor zijn verhandeling over het Romeinse recht, zie Manigk 1910, p. 44-65.
Dit werk verschijnt vermoedelijk in 2021 in druk bij Oxford University Press.
Zie onder anderen Thomas 2007; Bobbink 2019a. De volgende auteurs schreven ook over het recht van pandgebruik, maar legden de nadruk op het recht van pandgebruik op inheemse rechtsstelsels: Heusler 1886; Génestal 1901; Landwehr 1967; Cerutti/Van den Bergh 1972; Planitz 1982; Titus 2012; Brits 2016, p. 142-150; Bobbink 2019b.
In HR 21 februari 2014, NJ 2015/82, m.nt. H.J. Snijders laat de Hoge Raad zich wel uit over de schuldeisersbevoegdheden van de pandhouder van een vordering. Anders dan de bevoegdheid van de pandhouder om rente van een verpande vordering te innen, ga ik echter niet in op inningsbevoegdheden van de pandhouder. De verklaring hiervoor geef ik in §2.4.4.
De weergave van de doorkruising van een levering of verpanding bij voorbaat door een faillissement steunt op HR 26 maart 1982, NJ 1982/615, m.nt. WMK (SOS/ABN en Scheepvaart Krediet); HR 30 januari 1987, NJ 1987/530, m.nt. W.C.L. van der Grinten (WUH/Emmerig q.q.), r.o. 3.2; Zwalve 2000, p. 37-39 en 43-44; Schuijling 2016, p. 144-147 en 365-373; Asser/Van Mierlo & Krzeminski 3-VI 2020, nr. 80-81 en 228.
Wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake, Belgisch Staatsblad 2 augustus 2013, nr. 48463
Art. 8 lid 1 CIME: “In the event of default as provided in Article 11, the chargee may, to the extent that the chargor has at any time so agreed and subject to any declaration that may be made by a Contracting State under Article 54, exercise any one or more of the following remedies: (a) take possession or control of any object charged to it; (b) sell or grant a lease of any such object; (c) collect or receive any income or profits arising from the management or use of any such object.”
Zie hierover Salomons 2004, p. 67-74; Barten 2014, p. 555-561.
Drobnig & Böger 2015, p. 655-659.
Drobnig & Böger 2015, p. 736-739.
UNCITRAL legislative guide on secured transactions 2010, p. 312. Vgl. Dirix 2012, p. 236.
UNCITRAL legislative guide on secured transactions 2010, p. 313-314.
De waarde van dit onderzoek ligt allereerst in het verkrijgen van inzicht in de werking van het recht van pandgebruik in het Romeinse recht en zijn receptie in het ius commune, het Rooms-Hollandse recht en het Zuid-Afrikaanse recht. Het recht van pandgebruik in het Romeinse recht krijgt aandacht in enkele artikelen, zoals Studien zum Römischen Pfandrecht III van Kaser.1 Daarnaast publiceerde Manigk in 1910 een studie naar het recht van pandgebruik in antieke rechtsstelsels.2 Ten slotte besteedt Verhagen aandacht aan het recht van pandgebruik in zijn monografie over het Romeinse zekerhedenrecht.3 Een veelomvattende en actuele studie naar het recht van pandgebruik in het Romeinse recht ontbreekt echter in de moderne literatuur. Moderne literatuur over de (doorwerking van) het recht van pandgebruik in het ius commune, het Rooms-Hollandse recht en het Zuid-Afrikaanse recht is eveneens schaars.4
Deze studie biedt voorts oplossingen voor problemen die spelen in het geldende Nederlandse privaatrecht. Het ontbreken van een duidelijke (wettelijke) regeling in het Nederlandse recht leidt tot onduidelijkheid met betrekking tot het recht van pandgebruik. Ten eerste bestaat in de Nederlandse literatuur discussie over het antwoord op de vragen wanneer de hypotheekhouder het beheersbeding mag inroepen, tot welke doeleinden hij het hypotheekobject mag beheren en in hoeverre de beherend hypotheekhouder zich kan verhalen op vruchten die hij in faillissement heeft geïnd. Ten tweede bestaat verschil van mening over de kwestie in hoeverre de vestiging van een recht van vruchtgebruik tot zekerheid mogelijk is. Ten derde regelt de wet nauwelijks de bevoegdheden van de pandhouder, anders dan de executiebevoegdheden. Voor een recht van pandgebruik, als onderdeel van het pandrecht, bestaat nauwelijks aandacht in de moderne literatuur.5 Onduidelijk is dus of het mogelijk is een recht van pandgebruik te vestigen met goederenrechtelijke werking. Dit onderzoek levert een bijdrage aan de beantwoording van deze vragen. Oplossingen voor problemen die spelen in het Nederlandse recht kunnen blijken uit de bestudering van het Nederlandse recht zelf. Zij kunnen daarnaast blijken uit inzicht in de werking van de rechten van pandgebruik en hypothecair beheer in het (gerecipieerde) Romeinse recht, het Zuid-Afrikaanse recht en het Duitse recht.
Daarnaast biedt de vestiging van een recht van pandgebruik op een vruchtdragend goed wellicht mogelijkheden om zekerheid te verschaffen op de (toekomstige) vruchten van dit goed. In het Nederlandse recht ondervinden schuldeisers problemen met de vestiging van zekerheid op toekomstige vruchten. Vanaf de dag van zijn faillissement verliest de schuldenaar/zekerheidsgever de beschikking over zijn vermogen. Indien goederen op datum faillissement nog toekomstig zijn, heeft de levering of verpanding bij voorbaat daarom geen effect.6 Zodra de goederen in het vermogen van de gefailleerde terechtkomen, vallen zij onbezwaard in de failliete boedel. Dit is in het bijzonder problematisch voor de verpanding van huurvorderingen. Indien een huurvordering na datum faillissement verschijnt, valt zij in de failliete boedel en niet onder het pandrecht van de schuldeiser. Dit geldt voor huur die is verschuldigd voor het huurgenot dat de gefailleerde na datum faillissement verschaft.
Ten slotte is de bestudering van het recht van pandgebruik relevant, omdat het recht van pandgebruik is geregeld in de wetgeving van ons omringende landen, in verdragen en in modelwetgeving. Zo bepaalt art. 51 van de Belgische Pandwet7 dat de pandhouder het pandobject kan executeren door verhuur. De Italiaanse Codice Civile stelt in art. 2791 dat als een pandrecht rust op een vruchtdragende zaak, de pandhouder de vruchten kan trekken en hun waarde in mindering kan brengen op de gesecureerde vordering (rente en de hoofdsom). Voorts geeft het Verdrag van Kaapstad inzake internationale zekerheden op mobiel materieel (Convention on International Interests on Mobile Equipment; CIME) aan dat de hypotheekhouder een verhypothekeerd vliegtuig onder zich kan nemen (take possession or control). Voorts is hij bevoegd om het vliegtuig te verhuren. Bovendien is hij bevoegd om de vruchten te innen die voortvloeien uit het beheer (management) van het vliegtuig. De hypotheekhouder heeft deze bevoegdheid alleen als hij en de hypotheekgever dit zijn overeengekomen.8 Het Koninkrijk der Nederlanden heeft het CIME geratificeerd. Deze ratificering gold echter niet voor Nederland, maar alleen voor (thans) Aruba, Curaçao, Sint-Maarten en Caribisch Nederland.9 Daarnaast hebben Drobnig & Böger enkele gemeenschappelijke principes van Europees zekerhedenrecht (Principles of European Law – Proprietary Security in Movable Assets) vastgesteld die betrekking hebben op het recht van pandgebruik. De zekerheidsgerechtigde wiens zekerheidsrecht zich uitstrekt tot de burgerlijke vruchten van het zekerheidsobject, is volgens hen bevoegd deze vruchten te innen en in mindering te brengen op de gesecureerde vordering (art. IX-5:208 PEL Prop. Sec.).10 De zekerheidsgerechtigde kan het zekerheidsobject executeren door executoriale verhuur (art. IX-7:207 PEL Prop. Sec).11 Ook de UNCITRAL legislative guide on secured transactions beveelt executoriale verhuur aan als executiewijze (aanbeveling 141 onder b).12 Als de zekerheidsgerechtigde het zekerheidsobject verhuurt, dient hij de geïnde huurvorderingen in mindering te brengen op de gesecureerde vordering (aanbevelingen 148-155).13