Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.2.4
10.2.4 Art. 3:94 lid 3 tweede zin BW
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590687:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 10; en o.a. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 269.
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 11-12; Faber 2005, nr. 40, 136, 239 en 408-410; Rongen & Verhagen 2003, p. 690-692; Biemans 2006, par. 8. Het is daarom opmerkelijk dat de Minister van Justitie heeft gesteld dat de schuldenaar die een tegenvordering op de stille cedent heeft, na de stille cessie geen derdenbeslag kan Iaten leggen op de stil gecedeerde vordering. Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 10. Voor derden, zoals beslagleggende schuldeisers van de stille cedent, is deze regel begrijpelijk. De stil gecedeerde vordering bevindt zich niet meer in het vermogen van de stille cedent. Voor de schuldenaar is dit echter niet begrijpelijk. Als de schuldenaar de stille cedent als zijn schuldeiser mag blijven beschouwen, dient hij ook voor een tegenvordering derdenbeslag te kunnen Iaten leggen onder zichzelf op de stil gecedeerde vordering zolang geen mededeling is gedaan. Op de bevoegdheid van de schuldenaar om onder zichzelf derdenbeslag te leggen op de stil gecedeerde vordering wordt hieronder nader ingegaan.
Zie Biemans 2007c, par. 2. Anders: Rongen & Verhagen 2003, p. 688-689 en p. 691, die een dergelijke onderscheid kennelijk wel voorstaan.
Meer in het algemeen geldt dat onderscheidingen, zoals die tussen het goederenrecht en het verbintenissenrecht, functionele indelingen zijn binnen het vermogensrecht die niet verabsoluteerd moeten worden.
De stille cessie is in beide opzichten vergelijkbaar met de overdracht van een vordering door stille cessie onder voorbehoud van een stil pandrecht, een stil recht van vruchtgebruik of een bewind dat stil ('geheim') wordt gehouden.
Zie hiervóór nr. 59 en zie hierna nr. 576 en nr. 587.
558. Bij een stille cessie wordt de rechtspositie van de schuldenaar bepaald door de tweede zin van art. 3:94 lid 3 tweede BW, die bepaalt: "De levering kan niet worden tegengeworpen aan de personen tegen wie deze rechten moeten worden uitgeoefend dan na mededeling daarvan aan die personen door de vervreemder of de verkrijger." Uit deze bepaling volgt dat de levering, en daarmee ook de overdracht, niet aan de schuldenaar kan worden tegengeworpen dan na mededeling daarvan aan de schuldenaar door de stille cedent of de stille cessionaris.
Door de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW treedt door de stille cessie geen juridische verandering (verslechtering noch verbetering) op in de rechtspositie van de schuldenaar. Hij mag de stille cedent in alle opzichten voor zijn schuldeiser houden en de stille cessionaris voor een derde totdat mededeling is gedaan. De stille cessie kan hem tot het moment van mededeling niet door de stille cedent en de stille cessionaris worden tegengeworpen. Anders dan bijvoorbeeld bij art. 6:34 lid 1 BW speelt de goede trouw van de schuldenaar geen rol. De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW maakt bovendien geen onderscheid tussen de bevoegdheden die alleen betrekking hebben op de stil gecedeerde vordering, zoals de bevoegdheid tot betaling,1 en andere bevoegdheden, zoals de bevoegdheid tot verrekening2 of de bevoegdheid tot het instellen van een eis in reconventie. De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW maakt evenmin onderscheid tussen de verschillende soorten rechtsgevolgen, zoals de goederenrechtelijke, verbintenisrechtelijke, procesrechtelijke of faillissementsrechtelijke rechtsgevolgen. Een dergelijk onderscheid zou niet wenselijk zijn en is bij de overgang van vorderingen, bezien vanuit de schuldenaar, ook niet te maken.3 De cessie is zowel de goederenrechtelijke overgang van de vordering, als de verbintenisrechtelijke schuldeiserswissel.4 De schuldenaar kan derhalve de stille cedent zowel in goederenrechtelijk als in verbintenisrechtelijk opzicht voor zijn schuldeiser houden. Voor de schuldenaar treedt evenmin een feitelijke verandering op in de persoon die zich jegens de schuldenaar voordoet als schuldeiser.5
559. De rechtsgrond voor de bescherming van de schuldenaar is art. 3:94 lid 3 BW zelf. De bepalingen die betrekking hebben op de overgang van vorderingen, zoals art. 6:34 BW, art. 6:130 lid 1 BW en art. 6:149 lid 1 BW zijn in beginsel niet van toepassing en blijven tot het moment van mededeling buiten beschouwing. Dat zij buiten beschouwing blijven tot het moment van mededeling, volgt uit de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW. Het volgt bijvoorbeeld niet uit de ( overeenkomstige) toepassing van bepalingen zoals art. 6:130 lid 2 BW of art. 6:149lid 3 BW. Vanaf het moment van mededeling aan de schuldenaar zijn de gewone regels van de overgang van vorderingen van toepassing. De rechtspositie van de schuldenaar wordt bij de stille cessie eerst vanaf het moment van mededeling bepaald door de bepalingen inzake de rechtspositie van de schuldenaar bij de overgang van vorderingen, zoals art. 6:34, 6:130 lid 1, 6:145 en 6:149 lid 1 BW en art. 136 Rv.
560. De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW dient ter bescherming van de schuldenaar. Net als bij art. 6:34 BW is het derhalve ter keuze aan hem of hij zich op de bepaling wil beroepen of niet.6 De schuldenaar kan zich jegens de stille cedent of jegens de stille cessionaris erop beroepen dat de levering niet heeft plaatsgevonden totdat aan hem mededeling is gedaan, maar hij kan ook afzien van de bescherming. In dat geval is zijn rechtspositie dezelfde als de schuldenaar bij een 'gewone' cessie die gepaard gaat met een (privatieve) last tot inning aan de stille cedent.