Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.5.4
7.5.4 Bewind
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232962:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel (7:182 lid 2 jo.) 4:178 lid 2 BW, nader besproken in paragraaf 6.4.
Artikel 4:72 sub a BW. Een verkrijging van een certificaat als legataris is hoe dan ook inferieur, omdat sprake is van een vorderingsrecht (zie artikel 4:73 lid 1 BW en voorts paragraaf 7.14.5).
Zie over de verhouding tussen certificering en legitieme portie paragraaf 7.14.
HR 1 juli 1988, NJ 1989/226, NJ 1989/226, nader besproken in paragraaf 7.14.3.
C.A. Kraan, Certificeren van vermogen, FTV 2007/26, paragraaf 3.2. Zie voorts M. van Olffen, Certificering van aandelen en de legitieme portie, Bedrijfsjuridische berichten 1989/20, pagina 238, die onder extreme omstandigheden nog wel een mogelijkheid ziet voor het aanmerken van certificering als een bewind.
Burgerhart, FTV 2003/2, paragraaf 4.1.
F.W.J.M. Schols, WPNR 2007/6737, pagina 12 – 14.
A.H.N. Stollenwerck, Rechtsvraag: Certificeren en bewind, FTV 2006/35.
Vegter, preadvies 2004, pagina 128.
Verstappen merkt in dit verband op dat men pas erfgenaam wordt na het overlijden van de erflater. Daarvoor is er slechts sprake van een hoopvolle verwachting. Indien de erfgenaam niet krijgt waar hij op hoopte, wordt hem derhalve niets ontnomen (L.C.A. Verstappen, De stichting tot afwikkeling van een nalatenschap (I), WPNR 1996/6245, pagina 841). Of met de woorden van Lubbers: de aanspraken van legitimarissen vangen pas bij het overlijden aan. Wat de erflater nalaat en de vorm waarin hij dit nalaat, is niet voor juridische kritiek van de legitimaris vatbaar (A.G. Lubbers, Aandelencertificering en huwelijksgoederenrecht; erfrecht, De NV 60/12, pagina 225).
Parlementaire geschiedenis BW boek 3, pagina 468.
Handboek Erfrecht (2020), B.M.E.M. Schols, paragraaf XV.2.
Parlementaire Geschiedenis Vaststellingswet erfrecht, Van der Burght c.s., pagina 837.
Evenzo Burgerhart, FTV 2003, pagina 29, F.W.J.M. Schols, WPNR 2007/6737, pagina 13 en Stollenwerck FTV 2006/35.
Evenzo Burgerhart, FTV 2003, pagina 29, F.W.J.M. Schols, WPNR 2007/6737, pagina 13 en Stollenwerck FTV 2006/35.
Parlementaire geschiedenis BW boek 3, pagina 468.
Parlementaire geschiedenis BW boek 3, pagina 567.
Een andere vergelijking die gemaakt kan worden, is die tussen certificering en bewind. Een (testamentair) bewind kan onder andere beëindigd worden op verzoek van de rechthebbende op de onderbewindgestelde goederen, als er vijf jaar zijn verstreken na het overlijden van de erflater en als aannemelijk is dat de rechthebbende de goederen zelf op verantwoorde wijze kan besturen.1 Indien deze bepaling van toepassing is op certificering, ofwel omdat de certificering gezien moet worden als een bewind, ofwel omdat de bepalingen inzake bewind, inclusief artikel 4:178 lid 2 BW inzake de beëindiging op verzoek van de rechthebbende, analoog van toepassing geacht moeten worden, dan is het langdurige voortbestaan van de certificering niet zeker. Bovendien impliceert het aanmerken van de certificering als een bewind dat bij verkrijging van de certificaten als erfgenaam sprake is van een inferieure making, waar daar bij een de verkrijging van een certificaat dat niet als bewind gezien wordt geen sprake van is.2 De consequentie hiervan zou zijn dat een legitimaris zijn erfdeel bestaande uit certificaten kan verwerpen en een beroep kan doen op zijn legitieme portie, teneinde niet-gecertificeerd vermogen te verkrijgen.3
De meningen in de literatuur ter zake van de verhouding tussen certificering en bewind lopen uiteen. Kraan refereert in dit verband aan het Drukker-arrest4, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de certificering van aandelen in een besloten familievennootschap, waarbij de certificaten niet-royeerbaar waren, in zijn algemeenheid niet maatschappelijk onaanvaardbaar is. Hij meent dat deze uitspraak de mogelijkheid open laat dat een certificering, vanwege het doel hiervan, feitelijk gezien kan worden als een onderbewindstelling van vermogen. Zijns inziens is dit bijvoorbeeld het geval indien de continuïteit in het bestuur en de zelfstandigheid van de onderneming redelijkerwijs niet met de certificering kunnen worden gediend.5
Onder meer Burgerhart6, Schols7 en Stollenwerck8 zijn daarentegen van mening dat geen sprake is van een bewind, gezien de verschillen tussen bewind en certificering. Schols acht bovendien de omstandigheid dat certificering gebruikt zou kunnen worden met eenzelfde motief als een bewind onvoldoende reden om artikel 4:178 lid 2 BW analoog toe te passen bij certificering. Er is zijns inziens te veel verschil in juridische structuur tussen beide rechtsfiguren.
Vegter ten slotte ziet certificering niet zozeer als bewind, maar stelt zich wel de vraag in hoeverre de regeling van artikel 4:178 lid 2 BW, inzake de beëindiging van een testamentair bewind door de rechter op verzoek van de rechthebbende, van overeenkomstige toepassing kan zijn in geval van certificering. Hij beantwoordt deze vraag evenwel ontkennend. Vegter is van mening dat het in het algemeen mogelijk is om in het kader van schenking en erfrecht een verplichting of last tot het gedurende een bepaalde periode in stand laten van de certificering op te leggen. Dit in aanmerking nemend acht hij analoge toepassing van artikel 4:178 lid 2 BW niet verdedigbaar.9
Deze conclusie, dat de bepaling inzake de beëindiging van een bewind niet van overeenkomstige toepassing is op certificering, lijkt mij juist. In geval van een schenking, of welke andere overeenkomst dan ook, heeft de verkrijgende certificaathouder het certificaat aanvaard in de “staat” waarin dit zich bevindt, dus inclusief eventuele beperkingen ten aanzien van het beëindigen van de hierbij horende beheersovereenkomst. Het omzeilen van een dergelijke beperking door analoge toepassing van een bepaling die ziet op de situatie dat iemand geconfronteerd wordt met een bewind, terwijl hij geen (reële) keuze heeft gehad om dit al dan niet te aanvaarden, lijkt mij dan niet aan de orde, noch redelijk, behoudens uiteraard de situatie dat in feite sprake is van een bewind. In dat geval verklaart artikel 7:182 lid 2 BW de beëindigingsmogelijkheid van artikel 4:178 lid 2 BW van overeenkomstige toepassing.
Hetzelfde geldt voor een verkrijging van niet-royeerbare certificaten krachtens erfrecht: de goederen die vererven worden verkregen in de staat waarin deze zich bevinden, dus ook inclusief de daaraan verbonden voorwaarden en beperkingen.10 Daarbij is een regeling getroffen voor de bescherming van de positie van legitimarissen, in de vorm van de legitieme portie en in dit verband in het bijzonder de inferieure makingen. De wetgever heeft in artikelen 4:72 en 4:73 BW bepaald welke verkrijgingen “straffeloos” door de legitimaris verworpen kunnen worden. Situaties die daarbuiten vallen, waaronder het geval van de legitimaris die als erfgenaam certificaten verkrijgt, dient de legitimaris zich te laten welgevallen. Ook in dit geval kan men natuurlijk een uitzondering zien voor de situatie waarin de facto sprake is van een bewind. Het is echter de vraag of daar bij certificering sprake van kan zijn.
De wetgever heeft welbewust geen definitie van bewind in de wet opgenomen. Een bewind wordt verondersteld voldoende gekend te worden uit zijn rechtsgevolgen.11 Deze rechtsgevolgen houden in essentie in dat de rechthebbende op de onderbewindgestelde goederen het beheer ontnomen wordt. De rechthebbende wordt niet handelingsonbekwaam als gevolg van het bewind, maar kan in beginsel niet meer zelfstandig over de goederen beschikken.12 Bij de beoordeling of sprake is van een bewind, prevaleert het materiële gezichtspunt: de wensen van de erflater ter zake van duur en bevoegdheden van de getroffen voorziening zijn beslissend. Indien deze stroken met de regeling van het bewind, is wezenlijk ook sprake van een bewind.13
Naar mijn mening is certificering echter niet materieel gelijk aan een bewind, vanwege een aantal essentiële verschillen tussen beide rechtsfiguren:
De goederenrechtelijke positie van de bij certificering betrokken partijen verschilt wezenlijk van die van de betrokkenen bij een bewind. In geval van bewind is de rechthebbende eigenaar van c.q. rechthebbende op de desbetreffende goederen, terwijl de certificaathouder slechts een vorderingsrecht heeft jegens de STAK en verder (behoudens bijzondere afspraken) op geen enkele wijze tot de gecertificeerde goederen gerechtigd is. De STAK, die bij een gelijkstelling van certificering met bewind de rol van bewindvoerder zou vervullen, is de (juridisch) rechthebbende, waar een bewindvoerder dat nooit zou kunnen zijn.14
Het bewind is beperkt in zowel de wijze van instellen, hetgeen slechts bij testament of schenking kan geschieden, als het object, zijnde nagelaten, vermaakte of geschonken goederen. Certificering kan daarentegen op elk gewenst moment tot stand gebracht worden, doorgaans geschiedt dit reeds tijdens leven.15 Bovendien kan ieder willekeurig goed, mits overdraagbaar, het object zijn van certificering.
Certificering is een wederkerige overeenkomst, waarbij de certificaten een vorderingsrecht belichamen, waarbij bij de totstandkoming de wil van beide partijen op de certificering gericht moet zijn. Bewind is daarentegen een “verband op goederen”16, dat geheel buiten de wil van de rechthebbende om ontstaat. Dit verband is er ook onafhankelijk van de persoon van de bewindvoerder en kan er ook zijn voordat deze aanvaard heeft, of indien deze niet aanvaardt of overlijdt, zodat er geen bewindvoerder is. Certificering zonder een administratiekantoor is evenwel niet denkbaar, die verhouding kan niet zelfstandig bestaan.
Certificering richt zich puur op de gecertificeerde goederen en heeft verder geen persoonlijk element. De certificering geldt tegenover iedereen en de wederpartij van de STAK is de rechthebbende op de certificaten, ongeacht wie dat is. Bewind daarentegen, hoewel dit een verband op goederen is, heeft een hele duidelijke persoonlijke component en is gericht op de persoon wiens goederen onder bewind gesteld zijn. Deze is ook de enige voor wie het bewind gevolgen heeft voor zijn beschikkingsbevoegdheid ter zake van de onderbewindgestelde goederen.
Gezien het voorgaande zijn naar mijn mening de verschillen tussen certificering en bewind dermate fundamenteel en dermate groot, dat deze rechtsfiguren niet met elkaar gelijkgesteld kunnen worden. Voor deze conclusie is bovendien een bevestiging te vinden in het ontwerpartikel 3.6.2.7 lid 1 BW, dat luidde:
Wanneer iemand door het uitgeven van certificaten doet delen in de opbrengst van door hem op eigen naam verkregen aandelen of schuldvorderingen, ontstaat daardoor geen bewind, maar hebben de certificaathouders een vordering tot uitkering van het hun toegezegde tegen de uitgever van de certificaten. [onderstreping AEdL]17
In de ogen van de wetgever is certificering, althans in elk geval van aandelen en schuldvorderingen, dus geen bewind.
Gezien het voorgaande ben ik van mening dat certificering noch gekwalificeerd kan worden als een bewind, noch op grond van analoge toepassing van artikel 4:178 lid 2 BW beëindigd kan worden.