Kavelruil
Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.II.C.1:1. Algemeen
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.II.C.1
1. Algemeen
Documentgegevens:
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS474961:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader grenspost 1, hfdst. H, onderdeel F.7.
Vrij naar: W. Burgerhart, Als je begrijpt wat ik bedoel.
Zie onderdeel B.l hiervoor.
Rb Zwolle 25 oktober 2007, ECLI:NL:RBZLY:2007:BB7372. De uitspraak is reeds uitgebreid besproken (in het kader van de civielrechtelijke aansprakelijkheid bij kavelruil) in grenspost 1, hfdst. II, onderdeel C.B.b.
Zie grenspost 1, hfdst. I, onderdeel G.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na de bespreking van enkele ‘eigenaardigheden’ die verband houden met de fiscale vrijstelling van overdrachtsbelasting en die gezien moeten worden als ‘opwarmertje’ voor de fiscale hoofdschotel die thans opgediend wordt, is het moment aangebroken om een terrein te verkennen dat kan worden gekenmerkt als een waar ‘walhalla’ voor de multidisciplinaire jurist of fiscalist. De in het civielrechtelijke deel reeds aangetoonde relatie tussen de drie dimensies van de kavelruil (civiel, subsidie en fiscaal)1 zal, wanneer de (recente) fiscale rechtsontwikkeling nader wordt beschouwd, veelkleurig en gecompliceerd blijken te zijn. Soms lijkt de relatie tussen de drie onderdelen wel op een intermenselijke: periodes van aantrekking, samensmelting en duidelijkheid worden afgewisseld door periodes van afstoting, ‘uit elkaar groeien’ en onbegrip. De soms krachtige drie-eenheid blijkt op bepaalde momenten niet meer dan een willekeurig samenraapsel van losse elementen te zijn. Slechts door intensieve en gestructureerde bestudering van het fiscale landschap in combinatie met het civiele recht en de ontwikkelingen ten aanzien van de subsidiëring van kavelruilprojecten kunnen de fiscale grenzen worden ontwaard en vervolgens verkend. Kennis van alle drie genoemde elementen, die samen het fundament onder de kavelruil vormen, is daarbij een basisvoorwaarde. Er zal derhalve wederom een beroep worden gedaan op het vermogen tot ‘multilingualisme’, als men begrijpt wat ik bedoel.2
Nog een korte opmerking vooraf: zoals reeds geconstateerd, 3 is de fiscale vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel 1, WBR niet aan (nadere) voorwaarden gebonden. Zodra er sprake is van een kavelruil als bedoeld in hoofdstuk 9 van de WILG en artikel 31a BILG, is de vrijstelling van toepassing. De (recente) historie leert echter dat deze op het eerste gezicht eenvoudige redenatie toch meermaals voor onduidelijkheid heeft gezorgd. De uitspraak van de Rechtbank Zwolle van 25 oktober 2007 is in dit kader illustratief. In deze uitspraak is onder meer het volgende te lezen:
“Blijkbaar bestaat er in de notariële praktijk enige onduidelijkheid over de vraag of een beroep kan worden gedaan op de vrijstelling bij ontbreken van ministeriële goedkeuring. De Rechtbank wil wel aannemen dat die onduidelijkheid er was, hoewel de belastinginspecteur (…) heeft aangegeven dat het wettelijk stelsel duidelijk is.”4
Verwarring alom: blijkbaar is er toch sprake van een nadere voorwaarde (ministeriële goedkeuring van de kavelruil) voor de fiscale vrijstelling. Hoe verhoudt dit zich tot de wettekst van artikel 15, lid 1, onderdeel 1, WBR? Hoog tijd om daadwerkelijk over te gaan tot de fiscale grensverkenning. De termen ‘vrijstelling van overdrachtsbelasting’, ‘onroerende zaak’, ‘goedkeuring van de kavelruilovereenkomst door de DLG’, ‘civielrechtelijke geldigheid van de kavelruil’, ‘fiscale beoordeling van de kavelruil’ en ‘objectieve verbetering’ blijken de ingrediënten voor een uiterst merkwaardig fiscaal gerecht dat qua samenstelling en smaak gedurende de jaren meermaals een gedaanteverwisseling heeft ondergaan. Startpunt van het onderzoek is 15 oktober 1985, de invoeringsdatum van de Landinrichtingswet.5