Einde inhoudsopgave
Sturen met proceskosten (BPP nr. XII) 2011/2.2.1
2.2.1 Kwaliteit van uitkomsten
mr. P. Sluijter, datum 31-10-2011
- Datum
31-10-2011
- Auteur
mr. P. Sluijter
- JCDI
JCDI:ADS601310:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wellicht uitgezonderd enkele querulanten, hoewel zelfs hun proceszuchtigheid in de meeste gevallen door andere neigingen wordt veroorzaakt dan plezier, zie Mahendra 2008 en Lamine, Schoenaerts & Vaes 2003, p. 21-23.
Zie voor deze doelen Van Velthoven & Ter Voert 2003, p. 142. Zie specifiek voor letselschadeslachtoffers ook Huver e.a. 2007, p. 81 e.v. Erkenning en excuses kan de civiele rechter weliswaar niet opleggen, maar de procedure kan partijen wel faciliteren om samen die uitkomst te bereiken.
De Mot & De Geest 2004, p. 19.
In dit onderzoek wordt om verwarring te voorkomen het materiële recht gelijkgesteld aan het burgerlijk recht en het formele recht aan het burgerlijk procesrecht, al wordt in Van der Wiel 2004, p. 4-5, terecht aangestipt dat die grenzen feitelijk niet precies samenvallen.
Als ' uitkomst' wordt de inhoud van de beslissing of schikking beschouwd, of het moment dat een partij besluit een vordering in te trekken of niet eens te beginnen. Als 'uitkomst' had ook aangesloten kunnen worden bij het moment van vrijwillige naleving of gedwongen tenuitvoerlegging, maar dat zou een minder goed werkbare definitie opleveren voor dit onderzoek naar de kostenveroordeling ten aanzien van gedrag in de procedure (en niet gedrag na de procedure en na de kostenbeslissing; nakosten laat ik eveneens buiten beschouwing). Zie over naleving van civiele vonnissen en schikkingen Eshuis 2009.
Voor het begrip ' accuraatheid', zie Klein Haarhuis 2008, p. 44 en De Mot & De Geest 2004, p. 19 en 39-40. Accurate vonnissen en schikkingen hebben ook een belang dat het individuele belang overstijgt: mogelijke invloed op het ' ex ante gedrag' van burgers. Dat is de mate waarin burgers materiële rechtsnormen naleven, zoals zorgvuldigheidseisen bij mogelijk gevaarlijke situaties. Zie De Mot & De Geest 2004, p. 40.
Zie ook Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011, nrs. 98-99, met voorbeelden als HR 24 juni 2005, NJ 2006, 46 (Dimopoulos/Van Mierlo). Kritisch over de 'formele waarheid' is De Bock 2011, p. 73-80.
Zo ook Zuckerman 1999, p. 4, en De Mot & De Geest 2004, p. 39-40.
Neleman & Neijt 2010.
Zie www.rechtspraak.nl; zoeken op 'Pilot toetsing vonnissen', zie vervolgens het commentaar onder het kopje ' Inzetbaarheid nog beperkt' (laatst geraadpleegd 12 april 2011).
Neleman & Neijt 2010, p. 15-16.
De kwaliteit kan ook worden verbeterd als vernietigde vonnissen door de lagere rechters als feedback geworden gebruikt en intern worden besproken. Dit gebeurt al bij de meeste rechtbanken, zie Rapport Visitatie Gerechten 2006, p. 21.
Rapport Visitatie Gerechten 2006, hoofdstuk 3. Het feit dat er periodiek gevisiteerd wordt en de visitatierapporten openbaar zijn, levert wellicht al een positief kwaliteitseffect op.
Burgers procederen niet omdat ze dat leuk vinden,1 maar omdat ze daarmee een bepaalde uitkomst hopen te krijgen die in hun belang is. Zij willen vaak een bepaald bedrag ontvangen van of juist kwijtgescholden zien door een ander of zij willen vervanging of herstel van een product of dienst. Naast deze materiële wensen zoeken mensen vaak ook gerechtigheid, erkenning, excuses en/of gedragsveranderingen van de ander in de toekomst.2 De procedure moet de burgers een uitkomst bieden, maar meestal zullen de beoogde doelen van de partijen conflicterend met elkaar zijn. De een wil geld zien en de ander juist kwijtschelding van de vordering. Hoe kan nu bepaald worden welke uitkomst van goede kwaliteit is?
Het is enerzijds te ruim om te stellen dat élke uitkomst door schikking of bindende beslissing door een derde per definitie juist is. Als de ene uitkomst niet als beter kan worden beschouwd dan de ander, zou de rechter beter een munt kunnen opgooien dan de zaak inhoudelijk te beschouwen. Anderzijds is het te eng om de kwaliteit van uitkomsten alleen af te meten aan de 'accuraatheid':de correcte toepassing van het materiële recht op de bewezen feiten.3 Belangen en recht hoeven namelijk niet precies samen te vallen en het is niet reëel om een schikking waar beide partijen zeer tevreden mee zijn, als uitkomst lager aan te slaan omdat die niet precies strookt met wat rechtens is. Ten slotte is het ook geen juiste maatstaf om alleen te kijken naar de belangen van de betrokken partijen, want dan moet er van uit worden gegaan dat sommige correcte uitspraken van rechters toch incorrecte uitkomsten zijn. In dit onderzoek bestaat de beperking dat slechts naar de kwaliteit van het procesrecht wordt gekeken en dat de juistheid van het materiële recht wordt voorondersteld en als extern gegeven wordt beschouwd.4 Het gaat, met andere woorden, te ver om het hele materiële recht te toetsen aan belangen en rechtvaardigheid.
Zo zullen veel mensen het niet rechtvaardig vinden dat bij het niet voldoen aan de klachtplicht van artikel 6:89 BW alle rechten uit hoofde van niet-nakoming van een contract vervallen. Het is echter niet aan dit onderzoek om de mate van distributieve rechtvaardigheid van die rechtsregel te toetsen. Ik hanteerde assumptie dat een correcte rechterlijke toepassing van artikel 6:89 BW een optimale uitkomst geeft. Er zijn daardoor twee optimale uitkomsten5 mogelijk: (1) Belangenoptima-lisering: een vrijwillige schikking of een beslissing op basis van de materiële belangen van partijen, waar beide partijen mee kunnen leven; (2) Volledige accuraatheid: een juiste beslissing of schikking op basis van de feiten en het recht.6
Uit de definitie van de twee optimale uitkomsten volgt dat er ook suboptimale uitkomsten mogelijk zijn. Bij een schikking is dit het geval als een partij een nadelige schikking aangaat die niet is ingegeven door zijn belangen, maar wanneer die feitelijk gedwongen wordt om genoegen te nemen met minder. Dit risico bestaat bijvoorbeeld als de rechter te duur of te traag is en/of als de wederpartij deeperpockets heeft en de zaak dus langer kan volhouden. Verder kan een nadelige schikking onder invloed van dwaling, bedreiging of bedrog zijn aangegaan. Suboptimale uitkomsten via de weg van een neutrale beslisser zijn ook mogelijk. Een voorbeeld is de rechter die door een evident verkeerde interpretatie van het recht een onjuiste uitspraak doet. De suboptimale uitkomst kan eveneens worden veroorzaakt door een processuele regel die verwezenlijking van materiële rechtsregels in de weg staat, zoals de mogelijkheid van de rechter om een te laat ingediende conclusie te weigeren, waardoor de zaak niet op de merites wordt beslist. Een regel als in artikel 24 Rv, die de rechter verbiedt om de feitelijke grondslag aan te vullen, kan eveneens de kwaliteit van de uitkomst in de weg staan. Daardoor wordt soms immers niet beslist op basis van de werkelijke feiten, maar op basis van de formele werkelijkheid zoals die wordt geconstrueerd uit de in het proces gestelde feiten.7
Uit dit laatste voorbeeld blijkt reeds dat de wetgever soms voor processuele regels kiest die de hierna te bespreken noties van tijd, kosten en procedurele kwaliteit laten prevaleren boven de perfecte kwaliteit van de uitkomst.
Nu gedefinieerd is wat optimale uitkomsten zijn, rijst er een ander probleem: hoe kan worden gemeten wat het effect van procesrechtelijke regel A is op de kwaliteit van uitkomsten, in vergelijking met alternatief B? Feitelijk is dit nauwelijks rechtstreeks vast te stellen. Een onderzoeker zou dan meerdere uitspraken van rechters moeten volgen en vast moeten stellen hoe vaak rechters de fout in gaan. In zaken die op een processuele grond worden afgedaan, moet de onderzoeker vaststellen hoe de zaak zou zijn afgelopen als op de merites zou zijn beslist. Dit is niet realistisch.8 Het zou een onderzoeker vergen die het recht beter beheerst dan de rechter. Er is door de door de Raad voor de Rechtspraak ingestelde Commissie Neleman wel een recente poging gedaan om een toetsingskader op te stellen om de inhoudelijke kwaliteit van civiele uitspraken steekproefsgewijs te kunnen meten9, maar de Raad zegt hier zelf over dat nader experimenteren met het toetsingskader nodig is en spreekt bovendien zorg uit over de hoge tijds- en kostenbesteding die met de toetsing gepaard gaan.10 De juistheid van de uitkomst zelf wordt overigens niet getoetst, maar alleen de wijze van totstandkoming van de beslissingen.11
Ook is het met dit toetsingskader niet mogelijk om te bepalen hoe een zaak zou zijn bepaald op de merites als die niet eerder op een processuele grond was afgedaan, omdat juist gedurende de procedure pas echt de van belang zijnde feiten boven water komen en de onderzoeker dus niet kan weten wat een getuigenverhoor had opgeleverd als dat was bevolen.
Vaak kan echter wel worden geschat wat effecten van procesrechtelijke regels zijn op de kwaliteit van uitkomsten. Hoger beroep vergroot normaliter de kans op een goede uitkomst, omdat er van uit kan worden gegaan dat door de rechter of partijen gemaakte fouten dan vaker worden gecorrigeerd.12 Hetzelfde geldt voor hoor- en wederhoor en mondelinge elementen in de procedure. Wanneer de procedure veel formaliteiten op straffe van nietigheid en niet-ontvankelijkheid kent, zal de kwaliteit van uitkomsten juist lager worden. Naast de procesrechtelijke regels heeft vooral intern beleid binnen de rechtspraak invloed op de kwaliteit. Zo worden bij de visitaties van de gerechten kwaliteitsindicatoren gebruikt, zoals de mate waarin rechters en gerechtssecretarissen permanente educatie krijgen en vakinhoudelijk overleg voeren.13
Gelijkwaardige onderhandelingen tussen partijen vergroten ook de kans op een correcte uitkomst. Bij hoge kosten is de kans op onvoordelige schikkingen of zelfs opgave door de kleinere eisende partij bijvoorbeeld groter, omdat dan de inhoud van de portemonnee van beide partijen gaat meespelen.
Deze indirecte schattingen blijven moeilijk te kwantificeren, maar er kan wel degelijk kwalitatieve informatie uit worden gehaald.