Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VI.8.1
VI.8.1 Curaçaose Chinese Club
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178845:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 juni 1969, NJ 1969/317, m.nt. Scholten (Curaçaose Chinese Club).
Assink/Slagter 2013 (Deel 1), § 17, p. 324 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/306. In deze zin Hof ’s-Gravenhage 30 juni 1930, NJ 1930/1497 (Leidsche Uitgevers Maatschappij).
Hof ’s-Gravenhage 24 april 1981, NJ 1983/5, m.nt. Maeijer (Smit Internationale), Rb. Rotterdam 21 april 1995, NJ 1996/389 (Proswa), rov. 2.9, Rb. Arnhem 30 maart 2011, JOR 2011/176, m.nt. Groffen (Cyclomedia), rov. 4.9, Rb. Rotterdam 14 juli 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:5709 (International Plywoord), rov. 4.5 en Rb. Rotterdam 24 oktober 2018, RO 2019/7 (24Vision SPS), rov. 5.4. Zie ook (over besluiten buiten de agenda) Ktg. Gouda 30 november 1995, Prg. 1996/4467 (VvE Panoramaflat Gouda), rov. 2.4.
Moet de schending van een besluitvormingsregel van invloed zijn geweest op het genomen besluit? Een klassiek geval is dat van de Curaçaose Chinese Club. Vier ter vergadering aanwezige leden werden van stemming over een belangrijk besluit uitgesloten, omdat zij als ‘bijzondere leden’ zonder contributieverplichting naar de gewoonte geen stemrecht zouden hebben. Terecht of niet, het hof laat het besluit in stand en de Hoge Raad neemt dat oordeel over. Als het viertal wel was toegelaten tot de stemming, zo overweegt hij, zou het voorstel ‘toch de meerderheid hebben behaald’ en ‘ook zijn aangenomen als de betrokkenen er tegen zouden hebben gestemd’.1 De annotator, G.J. Scholten, leidt uit deze overweging af dat er geen reden is tot nietigverklaring van een besluit, als de bij totstandkoming van een besluit gemaakte fout geen verschil zou hebben gemaakt in de uitslag. Kortom: als het naleven van een geschonden besluitvormingsregel niet tot een ander besluit zou hebben geleid, moet de rechter van vernietiging afzien. De eiser ontbeert een redelijk belang (art. 2:15 lid 3 onder a BW).
Kan deze stellige regel werkelijk uit de Curaçaose Chinese Club worden afgeleid? Assink en Kroeze kennen betekenis toe aan de omstandigheid dat de vier clubleden niet aan de stemming konden deelnemen, maar wel aan de beraadslagingen. De Hoge Raad zou wellicht anders hebben beslist, wanneer het viertal ook van de vergadering was buitengesloten en aldus beroofd zou zijn van de mogelijkheid om de besluitvorming te beïnvloeden.2 De regel van de Curaçaose Chinese Club beperkt zich, zo begrijp ik Assink en Kroeze, tot het geval waarin een stemgerechtigde ten onrechte wordt geweerd. De lagere rechtspraak past hem niettemin ook breder toe. Zo is wel overwogen dat het verzuim om certificaathouders op te roepen of om een bestuurder in staat te stellen zijn raadgevende stem uit te brengen, niet tot vernietiging leidt als dat geen verschil zou hebben gemaakt voor het uiteindelijke besluit.3 Het geldend recht is dus wat ongewis.