Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/4.2.4
4.2.4 Literatuur
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180235:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
W.C.L. van der Grinten, Van der Heijden Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1976, negende druk, randnummer 64.
Als uitzondering op deze toepasselijkheid wordt verwezen naar lid 2 van beide artikelen. Aangenomen wordt dat deze bepalingen niet gelden voor de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap omdat de wetgever hiervoor een eigen regeling heeft gegeven in de artikel 2:101 en 2:210 BW. Ik kom hierop terug in hoofdstuk 9.
W.C.L. van der Grinten (m.m.v. H.H.M.N. Honée en Th.C.M. Hendriks-Jansen), Van der Heijden Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1992, twaalfde druk, randnummer 64.
P.J. Dortmond, Van der Heijden Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap, Deventer: Kluwer 2013, dertiende druk, randnummer 64.
J.B. Huizink, Rechtspersoon, vennootschap en onderneming, in: Jac. Hijma e.a., Studiereeks Burgerlijk Recht, deel 7, Deventer: Kluwer 2013, derde druk, p 302.
H. Beckman, bewerkt door H. Beckman en E. Marseille, Hoofdlijnen van het jaarrekeningenrecht in Nederland, Deventer: Kluwer 2013, tweede druk, p. 43.
H. Beckman, bewerkt door H. Beckman en E. Marseille, Hoofdlijnen van het jaarrekeningenrecht in Nederland, Deventer: Kluwer 2013, tweede druk, p. 43.
Over de vraag of artikel 2:10 BW en artikel 3:15i BW nevengeschikt zijn of niet, was Beckman in 2004 nog minder expliciet: “[D]e genoemde wetswijziging in 1993 heeft bovendien de bepalingen gemoderniseerd waarbij de algemene administratieplicht voor ondernemers en zelfstandige beroepsbeoefenaars werd opgenomen in art. 3:15i BW en die voor privaatrechtelijke rechtspersonen geregeld bleef in art. 2:10 BW”. Zie: H. Beckman, ‘Het wettelijk kader van de jaarrekening’, in: M.N. Hoogendoorn e.a., Externe Verslaggeving in theorie en praktijk, deel 1, hoofdstuk 12, ‘s-Gravenhage: Reed Business Information 2004, vierde druk, p. 253.
J.B. Wezeman, ‘Twintig jaar misbruikwetgeving, twintig jaar worstelen met ficties en vermoedens, Enige opmerkingen over art. 2:248 lid 2 BW en art. 8.2 Voorontwerp Insolventiewet’, in: N.E.D. Faber e.a., De bewindvoerder, een octopus, Serie Onderneming en Recht, deel 44, Deventer: Kluwer 2008, p. 92.
Bedoeld wordt naast artikel 3:15i BW.
Zie annotatie H. Beckman onder Rechtbank Almelo 26 augustus 1998, ECLI:NL:RBALM:1998:AG3198, JOR 1998/135, waar hij schrijft dat “[T[och moet voor ogen worden gehouden dat op grond van artikel 3:15a BW de administratieplicht op de BV rust. In de interne verhouding binnen de BV is de administratieverplichting gelegd op het bestuur (art. 2:10 BW)” en Rechtbank Rotterdam 21 maart 2007, r.o. 2.8, ECLI:NL:RBROT:2007:BA1309, JOR 2007/114.
Hoge Raad 24 november 2017, r.o. 4.2, ECLI:NL:HR:2017:3019, NJ 2017/2293, JOR 2018/40, m.nt. C.M. Harmsen (Kantrans), waar de Hoge Raad overweegt dat de administratie toebehoort aan de rechtspersoon. Na een aandelenoverdracht of een bestuurswisseling behoren de tot de administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers dus te blijven berusten bij de rechtspersoon en moeten zo nodig feitelijk ter hand worden gesteld aan een opvolgend bestuur. Zie ook annotatie bij dit arrest van C.M. Harmsen in Ondernemingsrecht 2018/90.
T.F.E. Tjong Tjin Tai, Groene Serie Vermogensrecht (losbladig), Deventer: Kluwer, artikel 3:15i BW, aant. 3.
C.J. van Zeben en J.W. du Pon, Parlementaire geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek, Invoeringswet Boek 2, Rechtspersonen, Deventer: Kluwer 1977, p. 1106.
M.J.F. Goethals en T. Hekman, ‘De administratieplicht van het bestuur bij holdingmaatschappijen’, FIP 2016/333. Goethals en Hekman motiveren hun standpunt, dat indien een rechtspersoon een bedrijf uitoefent, artikel 2:10 BW zich richt tot het bestuur en artikel 3:15i BW zich richt tot de rechtspersoon, niet.
Ook Van der Zanden betoogde in zijn dissertatie uit 1991 dat artikel 6 WvK en artikel 2:14 BW zich niet tot dezelfde normplichtige richtten. Hij acht het mogelijk dat de rechtspersoon en de onderneming niet samenvielen en dat artikel 6 WvK zich richtte tot de onderneming en artikel 2:14 BW tot de rechtspersoon. Zie P.M. van der Zanden, Maatschappelijk aanvaardbare normen voor de jaarrekening en goed koopmansgebruik (diss. Rotterdam), Deventer: Kluwer Bedrijfswetenschappen 1991, p. 111.
Ook op de feitelijk bestuurder van een privaatrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:248 lid 7 BW rusten de verplichtingen van artikel 2:10 BW ongeacht of de feitelijk bestuurder een natuurlijk persoon of een rechtspersoon is. Zie: Hoge Raad 5 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2661, NJ 1998, 668 en JOR 1998/106 (Stainless) en Hoge Raad 23 november 2001, r.o. 3.6, ECLI:NL:HR:2001:AD4508,NJ 2002, 95, m.nt. J.M.M. Maeijer en JOR 2002/4, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Vlimeta, Mefigro) en C.M. Hilverda, Faillissementsfraude, Serie Onderneming en Recht, deel 53, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2009, derde druk, paragraaf10.5.
T.F.E. Tjong Tjin Tai, Groene Serie Vermogensrecht (losbladig), Deventer: Kluwer, artikel 3:15i BW, aant. 4.
In de paragraaf over boekhouding in het Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap uit 19761, staat over de verhouding tussen artikel 6 WvK en het toen ingevoerde artikel 2:14 (oud) BW dat voor de besloten vennootschap en de naamloze vennootschap in beginsel beide artikelen golden.2 In de twaalfde druk uit 19923 wordt opgemerkt dat artikel 2:10 BW geldt voor alle civielrechtelijke rechtspersonen en dat de bepaling van artikel 6 WvK geldt voor allen die een bedrijf uitoefenen. Daaraan wordt toegevoegd dat voor een naamloze vennootschap en een besloten vennootschap artikel 6 WvK niet van belang is, omdat de boekhoudverplichting in artikel 2:10 BW niet anders is geregeld dan in artikel 6 WvK. Hoewel de woorden “niet van belang” niet echt duidelijk maken of de conclusie is dat de artikelen nevengeschikt zijn of niet, lijkt het erop dat de auteurs van mening waren dat van nevenschikking geen sprake was en dat de woorden “niet van belang” moeten worden begrepen als “niet van toepassing”. In de dertiende druk4 wordt over de boekhouding vermeld dat artikel 2:10 BW het bestuur van de rechtspersoon verplicht zodanige aantekeningen omtrent zijn vermogenstoestand te houden dat daaruit te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend. Over de toepasselijkheid van artikel 3:15i BW of de verhouding tussen beide civielrechtelijke administratieplichten, wordt niets vermeld.
Kroeze vermeldt in de paragraaf over de administratieplicht in de Asser/ Maeijer & Kroeze wel het vervallen van artikel 6 WvK per 1 januari 1994 en ook dat dit artikel mede is vervangen door artikel 3:15a (thans 3:15i) BW. Over de verhouding tot artikel 2:10 BW vermeldt hij in deze paragraaf niets, anders dan dat artikel 3:15a (3:15i) BW de met artikel 2:10 BW corresponderende bepalingen bevat voor een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent.5
Huizink is van mening dat artikel 3:15i BW voor de in Boek 2 BW geregelde rechtspersonen, ook als zij een beroep of een bedrijf uitoefenen “eigenlijk geen betekenis” meer heeft.6
Beckman beschrijft dat in de doctrine wordt aangenomen dat artikel 2:10 BW als een soort lex specialis voor rechtspersonen naar Nederlands privaatrecht in de plaats treedt van artikel 3:15i BW.7 Zelf vindt hij deze opvatting niet juist.8 Hij is van mening dat artikel 3:15i BW de basisbepaling is, die van toepassing blijft naast artikel 2:10 BW, ook wanneer de rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:10 BW (uitsluitend) in Nederland een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent.9 Ook Wezeman is van mening dat de civielrechtelijke administratieplicht van artikel 2:10 BW voor privaatrechtelijke rechtspersonen naar Nederlands recht nevengeschikt is aan die van artikel 3:15i BW.10 Hij schrijft dat voor privaatrechtelijke rechtspersonen naar Nederlands recht “daarnaast”11 de administratieverplichting van artikel 2:10 BW geldt. In deze opvatting moet aan de woorden “het bestuur” in artikel 2:10 lid 1 BW overigens slechts de betekenis worden toegekend dat in de interne verhouding binnen de rechtspersoon de administratieplicht moet worden uitgevoerd door het bestuur.12 Dat de administratieplicht ex artikel 2:10 BW rust op de rechtspersoon en niet op het bestuur kan ook worden afgeleid uit een arrest van Hoge Raad inzake Kantrans.13
Voor een andere benadering kiest Tjong Tjin Tai. Hij betoogt dat artikel 2:10 BW en artikel 3:15i BW niet op dezelfde normplichtigen van toepassing zijn:14
“Art. 2:10 BW richt zich tegen het bestuur van de rechtspersoon, ook voor zover de rechtspersoon geen bedrijf uitoefent (Van Zeben, PG Inv.W. Bk 2 BW, p. 1106, MvA II). Daarentegen ziet art. 3:15a BW op (rechts)personen die een bedrijf dan wel zelfstandig een beroep uitoefenen. Op zichzelf overlappen deze bepalingen dus niet: de ene bepaling richt zich op het bestuur en de andere op de (rechts)persoon zelf. Bij een rechtspersoon die een bedrijf uitoefent [zal] art. 3:15i BW van toepassing zijn op de rechtspersoon en tegelijk art. 2:10 BW op het bestuur van die rechtspersoon. Echter vanwege de verantwoordelijkheid die het bestuur van zodanige rechtspersoon heeft wordt het niet voldoen aan art. 3:15i BW ook beschouwd als een schending van een verplichting van het bestuur zelf.”
In de Memorie van Antwoord II bij de Invoeringswet van Boek 2 BW waarnaar Tjon Tjin Tai verwijst, staat:15
“Naar analogie van artikel 6W.v.K. is een nieuw artikel ingevoegd voor alle rechtspersonen waarop de titels 2.2-2.4 van toepassing zullen zijn, ook voor zover zij geen bedrijf uitoefenen. Het artikel behelst verplichtingen tot het houden van boekhoudkundige aantekeningen, het opmaken van jaarstukken en het bewaren van bescheiden. Voor de rechtspersoon hebben deze verplichtingen een bijzonder intern belang wegens de in de loop van de tijd wisselende samenstelling der organen.”
Ik lees deze passage uit de Memorie van Antwoord II zo, dat daaruit niet valt af te leiden dat de woorden “het bestuur” de zelfstandige betekenis toegekend hebben gekregen, die Tjong Tjin Tai daaraan toedicht. Uit de Memorie van Antwoord II kan slechts worden afgeleid dat de minister van mening was dat de verplichtingen van artikel 2:14 (oud) BW in het bijzonder een intern belang dienden omdat de organen van de rechtspersoon wisselen van samenstelling.
Uitgaande van de verwijzing naar deze passage van de Memorie van Antwoord II bij de Invoeringswet Boek 2 BW, kan ik mij niet vinden in het standpunt van Tjong Tjin Tai dat artikel 2:10 BW zich richt tot het bestuur van de rechtspersoon en artikel 3:15i BW tot de rechtspersoon zelf, een standpunt dat ook door Goethals en Hekman16 wordt onderschreven.17 Wanneer in artikel 2:10 BW zou hebben gestaan dat de administratieplicht rust op de rechtspersoon, zou ook het bestuur van de rechtspersoon het orgaan zijn dat belast is met deze taak omdat het behoort tot het besturen van de rechtspersoon.18 In het rechtspersonenrecht is er geen ander orgaan binnen de rechtspersoon aan te wijzen waarop de administratieplicht zou moeten rusten dan het bestuur. Ook laat deze visie van Tjong Tjin Tai zich moeilijk rijmen met de situatie dat gedurende een bepaalde termijn er geen bestuurder(s) is (zijn) en het bestuursorgaan dus geen bestuursleden kent. Onduidelijk is of Tjong Tjin Tai en Goethals en Hekman in die situatie zouden willen betogen dat artikel 2:10 BW zinledig is. Dat lijkt mij een ongerijmde uitkomst waarvoor ook geen enkele onderbouwing is te vinden in de parlementaire geschiedenis of literatuur. Zijn hiervoor beschreven standpunt lijkt overigens in tegenspraak met de inleidende opmerking van Tjong Tjin Tai in aantekening 4 op artikel 3:15i BW:19
“Art. 3:15i BW legt op individuen die een bedrijf of beroep uitoefenen een administratieplicht op. Zij moeten een boekhouding bijhouden. Voor rechtspersonen geldt art. 2:10 BW.”
Ook deze opvatting van Tjong Tjin Tai spreekt mij niet aan omdat een ieder als bedoeld in artikel 3:15i BW in deze opvatting ten onrechte wordt beperkt tot individuen die een bedrijf of beroep uitoefenen. Gezien de parlementaire geschiedenis van artikel 3:15i BW en zijn voorgangers, ligt het juist voor de hand een ieder in de zin van dat artikel ruim uit te leggen en niet te beperken tot individuen.