Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/2.2.1
2.2.1 Van schadevergoeding naar zoengeld
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Voetnoten
Voetnoten
De regel is niet in Justinianus’ Instituten opgenomen, maar de inhoud ervan is al wel in de Digesten terug te vinden: D. 4,3,9-11. Pas later werd dit uitgangspunt aangeduid met ’de minimis non curat praetor’ of varianten daarop. Zie uitgebreider over de achtergrond hiervan: Veech & Moon 1947. Een uitdrukkelijk verband met het opportuniteitsbeginsel is onder andere te vinden bij Verstraeten 2007, p. 68.
Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 44-45.
Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 44; zie ook Frederiks 1918, p. 354-356.
De Vries 1955, p. 18.
De Vries 1955, p. 225.
Voor een blik in de geschiedenis van de strafrechtelijke handhaving kan allereerst worden gekeken naar de reacties op onrecht die bij de Romeinen en de Germanen plaatsvonden. Misdaden die binnen het Germaanse stamverband werden begaan, werden meestal afgedaan door betaling van schadevergoeding, of anders tuchtrechtelijk door het opleggen van een maatregel door het hoofd van de stam. Ook in het Romeinse recht gold iets dergelijks; delicten zoals diefstal werden civielrechtelijk afgedaan. Daarbij bestaat er steeds een eisende partij die kan optreden en vergoeding voor het aangedane onrecht kan vorderen. Het private belang staat hierbij voorop. Daarop was wel een beperking aangebracht, want in het Romeinse recht gold de regel de minimis non curat praetor: een kleinigheid die voor de rechter werd gebracht kon door hem buiten behandeling worden gelaten.1
Onder de Germanen werd een misdaad die buiten stamverband werd begaan beslecht door een vete, die namens het slachtoffer door zijn stam werd gevoerd tegen de dader of een ander uit diens stam. Deze vete valt te karakteriseren als een vorm van genoegdoening voor de begane inbreuk op de vrede in de getroffen stam, en dient ter herstel van het verstoorde evenwicht. Maar omdat de grenzen van de gerechtvaardigde genoegdoening niet altijd in acht werden genomen werd dit veterecht een bron van onrust en een plaag waaraan alleen een einde kon worden gemaakt door een hoger gezag.2
Het overheidsgezag bood de mogelijkheid om begane misdaden met een zoengeld af te kopen, waardoor het veterecht verviel. Bij het sterker worden van het overheidsgezag werd deze afdoening verplicht gesteld en was het niet meer mogelijk om een vete te voeren, hoewel beide vormen lange tijd naast elkaar hebben bestaan. Pas aan het einde van de Middeleeuwen werd de private eigenrichting verdrongen door de publieke straf.3 Daaraan heeft vooral de opkomst van de steden bijgedragen. Een schending van de stadvrede tast de burgerlijke samenleving aan en maakt daardoor de stad minder verdedigbaar, waardoor de stadsheer zich in zijn belangen ziet aangetast.4 Het opkomen tegen een inbreuk op de stadvrede wordt daarom steeds meer een zaak van het stedelijke gezag.5 Het algemene belang van het behoud van de stadsvrede gaat dan vooropstaan bij de reactie op strafbare feiten.