Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/2.2.3:2.2.3 Vereenvoudigde afdoening
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/2.2.3
2.2.3 Vereenvoudigde afdoening
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de praktijk groeiden er manieren om, buiten het eigenlijke strafproces om, te komen tot afdoening van strafbare feiten. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de submissie. Daarbij kon een verdachte van een strafbaar feit bij het Hof van Holland een request indienen om in submissie te worden ontvangen. Als het Hof daarop gunstig beschikte werd meestal een geldboete opgelegd, en de aanklager werd gelast de verdachte niet verder te vervolgen. De regeling hiervan in artikel 27 van de Instructie van het Hof van Holland was beperkt tot gevallen waarin het Hof in eerste instantie recht sprak, maar werd ook van toepassing geacht in hoger beroep. De reden hiervoor zou kunnen zijn dat in de procesvoering van die dagen alles wat niet verboden was, geoorloofd werd geacht, hetgeen in de procesvoering destijds een belangrijke rol speelde.1
Een andere vorm van vereenvoudigde afdoening, die geheel buitengerechtelijk tot stand kon komen, was de compositie. De baljuws en officieren die bij de lagere gerechten waren aangesteld, waren zowel hoofd van de politie als voorzitter van het gerecht. Zij hadden de bevoegdheid om verdachten aan te houden, en konden beslissen over de vervolging voor het gerecht. Het mogen aanbieden van een compositie werd hier in de praktijk uit afgeleid, zonder dat daar uitdrukkelijke bepalingen voor waren. De baljuws konden aanvankelijk zonder toestemming van de overige leden van het college een compositie aanbieden aan de verdachte, die door daarop in te gaan zijn strafvervolging kon afkopen. Op deze manier kon de baljuw voor zichzelf inkomsten genereren. Het ambt van baljuw werd vaak voor veel geld gekocht, en daarom was deze compositiepraktijk een middel om de kosten te drukken. Hierdoor ontstonden veel misstanden.2 De overheid trachtte aan deze praktijken een einde te maken door een rechterlijke toestemming voor een compositie te verplichten, door de compositiemogelijkheid uit te sluiten voor bepaalde categorieën misdrijven, of door een algeheel verbod op de compositie uit te vaardigen, zoals in de Criminele Ordonnantie. Deze inspanningen hadden echter weinig resultaat.3