Het systeem van sanctionering van fiscale fraude
Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/2.4.5.6:2.4.5.6 De introductie van de strafbeschikking in 2008
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/2.4.5.6
2.4.5.6 De introductie van de strafbeschikking in 2008
Documentgegevens:
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270161:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Advies sanctiestelsels 2015, onderdeel 2b.
Salet ten Sackers 2019, onderdeel 2.
Hertoghs 2004.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast de toegenomen importantie van de rol en het veranderende karakter van de bestuurlijke boete, is een tweede oorzaak van vervlechting van strafrechtelijke en bestuursrechtelijke rechtshandhaving de opkomst van buitengerechtelijke afdoening binnen het strafrecht. In 2008 is via de Wet OM-afdoening de mogelijkheid van het uitvaardigen van een strafbeschikking door het OM geïntroduceerd, die ertoe geleid heeft dat, zo stelt de Minister van Justitie in datzelfde jaar, niet louter op basis van capaciteitsoverwegingen voor de bestuurlijke boete hoeft te worden gekozen.1
Het OM mag op grond van art. 257a WvSv voor strafbare feiten, waarop een gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar, zelf straffen opleggen in een uitgevaardigde strafbeschikking. Het gaat niet om vrijheidsbenemende straffen. Ondanks het feit dat sprake is van strafoplegging, is geen sprake van berechting. Het uitvaardigen van een strafbeschikking wordt wel aangemerkt als een vervolgingsdaad. De afdoening van een strafzaak door middel van een strafbeschikking paste in de wens van de wetgever meer mogelijkheden te creëren om grote stromen betrekkelijk lichte doorsnee strafzaken te kunnen afdoen zonder dat daar altijd een rechter aan te pas komt.2 De strafbeschikking moest de strafrechtelijke transactie van art. 74 WvSr overigens vervangen, maar heeft dat tot op heden niet gedaan.
Salet en Sackers beschrijven de gevolgen van deze ontwikkeling. Zij menen dat hierdoor sprake kan zijn van gebrekkige samenhang en inconsistentie van wetgeving, waardoor het stelsel moeilijk te doorgronden is voor justitiabelen. Onder verwijzing naar Hartmann stellen zij dat de duidelijkheid en geloofwaardigheid van rechtshandhaving kan afnemen bij een grote variëteit in sanctiestelsels en sanctiemodaliteiten.3 En Hertoghs schreef hierover:
“Bestuurlijke beboeting wordt gezien als het panacee voor een verstopte strafrechtelijke macht. Sinds kort is zelfs de officier van justitie persoonlijk tot bestraffing bevoegd. De belastinginspecteur was zijn justitiële collega in zoverre al een flinke slag voor. Hij hanteert het boetezwaard al langer dan een eeuw.”4
Ongeveer drie jaar later werd de fiscale transactie van art. 76 AWR wel vervangen door de nieuwe modaliteit van de fiscale strafbeschikking (in datzelfde artikel opgenomen). Sinds dit jaar heeft, voor de feiten waarnaar in dit artikel verwezen wordt, het bestuur ’s Rijksbelastingen dus een extra sanctiemodaliteit in handen.
Kortom: de inwisselbaarheid van het strafrecht en het bestuursrecht ziet toe op de keuze voor handhaving in een concreet geval, die (steeds) moeilijker te maken lijkt. De belangrijkste oorzaken hiervoor zijn de opkomst van de bestuurlijke boete en de opkomst van buitengerechtelijke afdoening in het strafrecht.