Het systeem van sanctionering van fiscale fraude
Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/8.3.2:8.3.2 Beschouwingen
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/8.3.2
8.3.2 Beschouwingen
Documentgegevens:
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270040:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk vijf is de in de slotzin van de vorige paragraaf opgeworpen vraag naar het onderscheiden van feiten verder uitgewerkt. Voor het antwoord op de vraag wanneer sprake is van eenzelfde feit kunnen in theorie juridische en feitelijke argumenten (van een concrete zaak en van concrete delicten) voor vergelijking en afbakening worden gehanteerd.
Feitelijke argumenten zijn: het tijdstip waarop het gedrag plaatsvond, de pleegplaats en het fysieke optreden van de verdachte.
Juridische argumenten zijn: overeenkomende bestanddelen van aan het gedrag te koppelen delictsomschrijvingen, verwantschap in de beschermde rechtsgoederen die bij die delictsomschrijvingen horen en eraan gekoppelde strafmaxima.
Op nationaal niveau wordt gewerkt met een gemengde invulling van het begrip eenzelfde feit.1 Voor het onderhavig onderzoek is daarbij relevant dat de Hoge Raad (strafkamer) in de arresten van 20 juni 2017 iets meer gewicht heeft toegekend aan de feitelijke factoren door aan de feitenrechters de richtlijn mee te geven dat een enigszins uiteenlopen van de strekking van de desbetreffende strafbepalingen geen verhindering mag zijn c.q. hoeft te zijn om voor de straftoemeting uit te gaan van eendaadse samenloop of voortgezette handeling in de zin van art. 55 e.v. WvSr.2 Zag de Hoge Raad ook een te grote ‘diversiteit’ en overlap in de mogelijkheden van sanctionering?
Zowel de Europese als internationale uitleg van de anti-samenloop regelingen zijn gericht op de feitelijke component van ‘hetzelfde feit’-begrip. Het komt logisch voor dat het HvJ EU en het EHRM de nadruk leggen op het feitelijke aspect. In de eerste plaats omdat de toets daarvan zo veel mogelijk rechtsbescherming oplevert. In de tweede plaats zou – wanneer de hoven zich zouden bemoeien met de juridische component – sprake kunnen zijn van ongewenste inmenging met de nationale soevereiniteit voor zover het de definitie en inrichting van strafbepalingen gaat. Dit is niet alleen onwenselijk, maar ook onhandig, omdat dezelfde fysieke gedraging in verschillende landen anders kan worden gekwalificeerd.3
Al met al is het hoe dan ook noodzakelijk dat een vertaalslag wordt gemaakt van feitelijke aspecten in de vorm van gedrag, naar bestanddelen in delicten. Dat geldt zowel voor de wetgever (afbakening van delicten op het niveau van regelgeving) als voor de rechter (afbakening op het niveau van sanctionering van concrete gevallen). Het is aan de wetgever om de grootst mogelijke zorgvuldigheid en nauwkeurigheid te betrachten bij het kiezen van de precieze woorden in de verschillende delictsomschrijvingen; overlap dient te worden vermeden of verklaard. Toch zullen er binnen die vertaalslag altijd leemtes en overlap ontstaan. In de fiscaliteit lijkt van overlap bijvoorbeeld sprake waar sommige gedragingen veel raakvlak met elkaar vertonen, terwijl ze bij afzonderlijke delicten strafbaar zijn gesteld. Dat neemt niet weg dat naar een optimum in het vermijden van ongewenste en ongeoorloofde verdubbeling en overlap moet worden gestreefd. In de hoofdstukken vier en vijf is gebleken dat dit optimum thans niet (meer) voorhanden is.
Gebleken is dat de omschrijving van enkele gedragingen, zoals op dit moment in de delicten in de AWR, juridisch gezien problemen kan opleveren in de sfeer van voorzienbaarheid en in de sfeer van het voorkomen van ongeoorloofde en ongewenste samenloop. Het betreft concreet de volgende situaties en gevallen:
Er is geen duidelijk onderscheid tussen verschillende gedragingen in de fiscale fraudesfeer:
Het is moeilijk onderscheid te maken tussen de delicten van het niet doen van aangifte en het niet verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte;4
Het is moeilijk onderscheid te maken tussen de delicten van het niet doen van aangifte en te laat doen van aangifte’;5
Het is verleidelijk alle verschillende gedragingen onder de noemer van ‘schending van de informatieverplichting’ te scharen.6
Een bijkomend probleem is dat het niet of te weinig betalen van belasting geen fiscale fraude oplevert volgens de definitie in dit onderzoek. Er dreigt thans bovendien ‘overlap’ vanwege het raakvlak met het niet of onjuist doen van aangifte.7
In paragraaf 8.3.3.1. worden deze conclusies, ten aanzien van de moeilijkheid van het onderscheiden van gedragingen in de fiscale fraudesfeer, verwerkt, door aanbevelingen te doen.
Er ontstaat op concreet niveau in voorkomende gevallen ongeoorloofde samenloop tussen fiscale strafbepalingen uit de AWR en de commuun strafrechtelijke delicten valsheid in geschrifte en witwassen.8
In paragraaf 8.3.3.2. wordt aan deze conclusies, ten aanzien van de samenloop met het commune strafrecht, met aanbevelingen gevolg gegeven.
Er kan onduidelijkheid ontstaan over de reikwijdte van bepaalde delicten, vanwege onduidelijkheden met betrekking tot de formulering ervan:
Er is geen eenduidig begrip voor een ‘onjuiste aangifte’;9
Er is onduidelijkheid over het bereik van de strekkingseis;10
Er kan onduidelijkheid ontstaan over de reikwijdte van bepaalde gevolgsdelicten.11
In paragraaf 8.3.3.3. komen deze conclusies, ten aanzien van de formulering van delicten die toezien op gedrag in de fiscale fraudesfeer, terug, omdat wordt bezien of aanbevelingen in het kader van voorzienbaarheid op dit punt nodig zijn.
De formele aspecten van een delict (bijvoorbeeld ‘de aangifte’) en de onderliggende materialiteit (‘verschillende posten daarbinnen’) lopen uiteen. Hiermee hangt samen dat:
Er geen sprake lijkt te zijn van consistente straftoemeting in geval van het dubbel raken van vermogen;12
Het lastig te bepalen is hoe fiscale fraude zich voor wat betreft de periode (die één feit aanduidt) naar delicten moet vertalen.13
In paragraaf 8.3.3.4. wordt op deze conclusies ten aanzien van de verhouding tussen de formele kant van een delict en de materiële constellatie van gedrag, nader ingegaan door te bezien of aanbevelingen aangewezen zijn.