Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/2.3.8
2.3.8 Wachttermijn
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254172:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 december 1995, NJ 1996/691, m.nt. W.M. Kleijn (Damen/Dentjens), r.o. 4.4.
Peter, in: GS Zakelijke rechten, art. 5:78 BW 2019, aant. 1. Zie ook Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/198: “De regeling in art. 5:78-5:81 BW kan bij de akte van vestiging wel worden uitgebreid maar niet worden uitgesloten of beperkt.”
Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 278 (MvA II).
Van Oostrom-Streep e.a., in: Boek 5 BW van de toekomst 2016, p. 288-289.
Van Oostrom-Streep e.a., in: Boek 5 BW van de toekomst 2016, p. 289.
Zie ook par. 2.2.9.
141. Wijziging (of opheffing) van een erfdienstbaarheid wegens strijd met het algemeen belang is pas mogelijk, indien twintig jaar na het ontstaan van de erfdienstbaarheid is verstreken. Met betrekking tot het verbintenisrechtelijke equivalent van art. 6:259 lid 1 en sub a BW geldt een wachttermijn van tien jaar. Het verschil wordt verklaard doordat een erfdienstbaarheid een beperkt recht is en bij beperkte rechten een grotere nadruk ligt op de stabiliteit van de rechtsverhouding, maar regeringscommissaris Snijders heeft wel opgemerkt dat het “knopen doorhakken blijft”.1 Uit de strekking van het vereiste dat twintig jaar na de vestiging moet zijn verstreken en uit art. 165 Ow vloeit overigens niet voort dat de wachttermijn van twintig jaar pas gaat lopen vanaf het moment van inwerkingtreding van het huidig BW.2 Volgens Peter kunnen partijen de wachttermijn van twintig jaar verkorten, omdat sprake is van een uitbreiding van de regeling.3 Partijen kunnen toepassing van de regeling niet beperken of uitsluiten door (uitdrukkelijk) omstandigheden in de akte van vestiging te verdisconteren, aangezien art. 5:78 aanhef en sub b BW niet spreekt over een eis van onvoorziene omstandigheden.4
142. Van Oostrom-Streep, Verstappen & Van Vliet vragen zich af of er nog behoefte bestaat aan de lange wachttermijn van twintig jaar.5 Zij menen dat de wachttermijn een te stringente eis is die op gespannen voet staat met de wensen van de praktijk. Een wachttermijn van tien jaar is volgens de auteurs meer in lijn met de gewenste flexibiliteit en de maatschappelijke vraag. De wachttermijn van tien jaar is niet helemaal uit de lucht gegrepen. Omdat bij art. 6:259 lid 1 en sub a BW een wachttermijn geldt van tien jaar, wordt volgens hen meer eenheid gecreëerd door de wachttermijnen op elkaar te laten aansluiten.6 Mijns inziens kan er (nog) meer eenheid worden gecreëerd door de wachttermijn helemaal te schrappen.7