Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.5.2.2
10.5.2.2 Verrekening
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS583670:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 500; Faber 2005, nr. 251, en vgl. nr. 255.
Voor de uitleg van het begrip 'dezelfde rechtsverhouding' in art. 6:130 lid 1 BW dient aansluiting te worden gezocht bij het begrip 'dezelfde rechtsverhouding' in art. 6:52 lid 2 BW. Zie HR 21 januari 2000, NJ 2000, 237, JOR 2000/116 (Stet/Braaksma), m.nt. NEDF; en zie hierover nader Faber 2005, nr. 252-254. Art. 6:130 lid 1 BW is ook van toepassing indien de curator de vordering cedeert, en aan de schuldenaar reeds een beroep op art. 53 Fw toekwam. Zie Rb. Roermond 31 maart 2010, JOR 2010/204, m.nt. N.E.D. Faber.
Zie nader Faber 2005, nr. 256-258.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 537; Van Achterberg 1999, nr. 17; Wibier 2009a, nr. 29; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 266; Faber 2005, nr. 245; en vgl. Faber 2005, nr. 234.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 537; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 266; Faber 2005, nr. 245.
Vgl. Faber 2005, nr. 245; A-G Bakels in zijn conclusie (sub 2.12) vóór HR 21 januari 2000, NJ 2000, 237 (Stet/Braaksma); Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 287.
Zie hiervóór nr. 564.
Zie onder het oude recht, HR 10 maart 1995, NJ 1996, 299 (Holtrop/Stevens), m.nt. HJS. Vgl. voorts Van Achterberg 1999, nr. 22, 64 en 79; Wibier 2009a, nr. 29 en 68; Faber 2005, nr. 289-290; Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 286 en 288; Wiarda 1937, p. 280-281.
Vgl. Wiarda 1937, p. 280; Faber 2005, nr. 290; Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 288; Wibier 2009a, nr. 68; en voorts HR 20 januari 1984, NJ 1984, 512 (Ontvanger/Barendregt), m.nt. G; en HR 10 maart 1995, NJ 1996, 299 (Holtrop/Stevens), m.nt. HJS.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 490; vgl. Faber 2005, nr. 135 en 234; Biemans 2006, par. 8; Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 287. In de literatuur wordt ook anders aangenomen, zie Faber 2005, nr. 135, nt. 21 voor literatuurverwijzingen.
Zie Faber 2005, nr. 135.
Vgl. Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 288a.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 490. Anders: Faber 2005, nr. 135.
Zie hierna nr. 624-625.
Vgl. Faber 2005, nr. 135.
Hetzelfde geldt ook voor art. 6:149 lid 1 BW. Zie hieronder.
Het omgekeerde geldt ook. Zie o.a. Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 18; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 268.
596. Uit art. 6:127 lid 2 BW volgt dat de schuldenaar na de overgang van de vordering in beginsel niet meer zijn schuld met een tegenvordering jegens de oude schuldeiser kan verrekenen wegens gebrek aan wederkerig schuldeiserschap. Als een vordering onder bijzondere titel is overgegaan, is de schuldenaar ondanks de overgang evenwel bevoegd ook een tegenvordering op de oorspronkelijke schuldeiser in verrekening te brengen, mits deze tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane vordering voortvloeit of reeds vóór de overgang aan hem is opgekomen en opeisbaar is geworden (art. 6:130 lid 1 BW).
Deze uitbreiding van de bevoegdheid van de schuldenaar is ingegeven door de gedachte dat het vertrouwen van de schuldenaar op de mogelijkheid van verrekening beschermd dient te worden.1 De eerste in art. 6:130 lid 1 BW genoemde uitzondering hangt in het bijzonder samen met de gerechtvaardigde verwachting die de schuldenaar ontleent aan de samenhang (de connexiteit) tussen beide vorderingen. Het is niet van belang op welk moment (voor of na de overgang van de vordering) de tegenvordering ontstaat of opeisbaar wordt. Of in een concreet geval sprake is van een vordering en een schuld die uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien, moet beoordeeld worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Van een overeenkomst hoeft geen sprake te zijn.2 Als de te verrekenen vordering en schuld niet uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien, kan de schuldenaar de vordering slechts verrekenen indien zijn vordering op de oude schuldeiser voor het moment van overgang reeds door hem was verkregen (door overgang of door het ontstaan in zijn vermogen) en opeisbaar was geworden (een vordering ter zake waarvan geen tijd voor de nakoming is bepaald, en waaraan geen opschortende voorwaarde is verbonden).3 De schuldenaar kan gebruik maken van art. 6:130 lid 1 BW als op het moment van de verrekeningsverklaring aan de (overige) vereisten van art. 6:127 BW is voldaan, met uitzondering van het wederkerigheidsvereiste.
Art. 6:130 lid 1 BW heeft betrekking op de bevoegdheid van de schuldenaar tot verrekening. Art. 6:145 BW, dat ziet op de verweermiddelen van de schuldenaar, is op de bevoegdheid tot verrekening niet van toepassing. 4 Als de schuldenaar reeds voor de overgang van de vordering (gedeeltelijk) heeft verrekend, is een beroep op het (gedeeltelijk) tenietgaan van de vordering door (gedeeltelijke) verrekening een verweermiddel in de zin van art. 6:145 BW.5 De ratio van art. 6:130 lid 1 BW vertoont evenwel verwantschap met de ratio van art. 6:145 BW.6 Art. 6:130 lid 1 BW gaat echter verder dan art. 6:145 BW. Art. 6:145 BW waarborgt alleen het behoud van bestaande verweermiddelen; de bepaling geeft geen betrekking op te verwachten, toekomstige verweermiddelen.7 Art. 6:130 lid 1 BW daarentegen stelt binnen een bepaald kader ook het vooruitzicht op de bevoegdheid tot verrekening veilig (en stelt daarmee indirect ook het vooruitzicht op het aan de uitoefening van die bevoegdheid te ontlenen verweermiddel veilig).
De schuldenaar kan zich jegens de nieuwe schuldeiser ook op een contractueel verrekeningsbeding beroepen.8 Als de schuldenaar een ruimere bevoegdheid tot verrekening heeft, kan hij hierop een beroep blijven doen. Het verrekeningsbeding bepaalt nader de inhoud van de vordering en de schuldenaar kan aan een dergelijk beding, net als bijvoorbeeld aan een arbitragebeding, ook rechten ontlenen jegens de nieuwe schuldeiser.9
597. Als de schuldenaar zijn tegenvordering op de oude schuldeiser verrekent met de overgegane vordering op grond van art. 6:127 jo 6:130 lid 1 BW, dient hij blijkens de parlementaire geschiedenis zijn verrekeningsverklaring te richten aan de nieuwe schuldeiser.10 De nieuwe schuldeiser is degene jegens wie ter afwering van diens vordering een beroep op verrekening wordt gedaan.11 Hij kan zich vervolgens ook jegens hem op de voltooide verrekening als verweermiddel beroepen.12 Als de schuldenaar zijn verrekeningsverklaring richt aan zijn nieuwe schuldeiser (de 'schuldeiser'), zal hij in beginsel ook aan zijn oude schuldeiser (zijn 'schuldenaar') mededeling behoren te doen van het feit dat hij van zijn bevoegdheid tot verrekening gebruik heeft gemaakt.13 Deze regel vloeit voort uit de redelijkheid en billijkheid in de rechtsverhouding tussen de schuldenaar en zijn oude schuldeiser (art. 6:2, 6:248 BW) en is in overeenstemming met het beginsel dat de gene die een rechtshandeling verricht jegens een bepaalde persoon, daarvan mededeling dient te doen aan de gene die door het verrichten van die rechtshandeling rechtsgevolgen ondervindt. Dit beginsel ligt ook ten grondslag aan art. 6:149 lid 1 BW en art. 3:51 lid 3 BW.14 Het achterwege Iaten van de melding staat niet aan een rechtsgeldige verrekening in de weg.15 Wel kan onder omstandigheden daardoor een schadevergoedingsverplichting op de schuldenaar komen te rusten jegens zijn oude schuldeiser.16
Als de schuldenaar een vordering op de nieuwe schuldeiser heeft, kan de schuldenaar na de overgang van de vordering zijn schuld met die vordering jegens de nieuwe schuldeiser verrekenen op grand van art. 6:127 BW.17 Hij dient zijn bevoegdheid tot verrekening uit te oefenen jegens zijn nieuwe schuldeiser, en dient zich ook jegens hem op de voltooide verrekening als verweermiddel beroepen. Mededeling aan de oude schuldeiser van de verrekening kan in dit geval achterwege blijven.