Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/11.3.5.1:11.3.5.1 Wettelijke omschrijving
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/11.3.5.1
11.3.5.1 Wettelijke omschrijving
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS609036:1
- Vakgebied(en)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Erfbelasting
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Schenkbelasting
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot de in art. 11 lid 1 onderdeel g Wet LB 1964 bedoelde verbonden personen behoort in de eerste plaats de echtgenoot van de werknemer/erflater, of zijn ex-echtgenoot. Op basis van art. 2 lid 6 AWR geldt dit ook voor de geregistreerde partner of voormalige partner.
Ook ongehuwde samenwoners behoren tot de kring van verbonden personen. Anders dan in art. 24 SW 1956, worden in dit verband geen stringente voorwaarden aan de samenwoners gesteld. Zo is een notarieel samenlevingscontract geen vereiste en geldt ook geen minimumtermijn ten aanzien van de samenwoning. Het is voldoende dat er duurzaam een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd, of is gevoerd.
In dit verband lijkt door de verwijzing naar de omschrijving in de Wet LB 1964 overigens sprake van een ‘intern conflict’ in art. 32 SW 1956. Immers, op basis van art. 32 lid 3 SW 1956 geldt de vrijstelling voor het successierecht alleen indien de aanspraken op de periodieke uitkeringen worden verkregen door ongehuwde samenwoners die voldoen aan de voorwaarden van art. 24 lid 2 onderdeel a, b of c SW 1956. Voor de toepassing van de vrijstelling van lid 3 moet dus wel sprake zijn van een notarieel samenlevingscontract en een gemeenschappelijke huishouding die ten minste vijf jaar heeft geduurd. De verwijzing naar de definitie van de term ‘aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden’ in art. 11 lid 1 onderdeel g Wet LB 1964 is in dit verband ongelukkig gekozen, omdat voor deze bepaling de genoemde voorwaarden juist niet gelden. De bepaling ten aanzien van het object van de vrijstelling duidt dus op een grotere kring van verbonden personen dan de bepaling voor het subject.
Voorts valt op dat de ‘aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden’ op basis van art. 11 lid 1 onderdeel g Wet LB 1964 ook kunnen toekomen aan de ex-echtgenoot. Deze kan echter geen aanspraak maken op de vrijstelling van art. 32 lid 3 SW 1956. Ook dit betekent dat het object van de vrijstelling uitgaat van een grotere kring van verbonden personen dan de subjectbepaling.
Kinderen en pleegkinderen van de werknemer/erflater worden eveneens tot de kring van verbonden personen van art. 11 lid 1 onderdeel g Wet LB 1964 gerekend. Op basis van art. 2 lid 3 onderdeel i AWR gaat het hierbij om ‘eigen’ kinderen, adoptiekinderen, erkende kinderen, maar ook om stiefkinderen ofwel kinderen van de echtgenoot. Op basis van art. 2 lid 6 AWR geldt dit ook voor kinderen van de geregistreerde partner van de overdrager. Een kind van de partner met wie de werknemer/ erflater ongehuwd samenwoont, telt echter niet mee.
Ten aanzien van de positie van kinderen lijkt in art. 32 lid 2 SW 1956 eveneens sprake van een ‘intern conflict’, nu voor de definitie van de term ‘aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden’ wordt verwezen naar art. 11 lid 1 onderdeel g Wet LB 1964. Ouders van kinderen behoren namelijk niet tot de kring van begunstigden van de ‘aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden’ in de zin van art. 11 lid 1 onderdeel g Wet LB 1964, maar zij kunnen wel aanspraak maken op de vrijstelling van art. 32 lid 2 SW 1956 indien zij deze aanspraken zouden verkrijgen. In dit opzicht gaat het object van de vrijstelling uit van een kleinere kring van verbonden personen dan de subjectbepaling.