Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming
Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/1.3.1:1.3.1 De kwalificatievraag bij platformarbeid
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/1.3.1
1.3.1 De kwalificatievraag bij platformarbeid
Documentgegevens:
Mijke Houwerzijl, Saskia Montebovi & Nuna Zekić, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Mijke Houwerzijl, Saskia Montebovi & Nuna Zekić
- JCDI
JCDI:ADS288442:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De meest gestelde vraag in de arbeidsrechtelijke literatuur over platformwerk betreft de kwalificatie van de (arbeids)overeenkomst tussen het werkplatform en de platformwerker. Dit heeft te maken met de alom bekende functie van de arbeidsovereenkomst als het entreebiljet voor zowel arbeidsrechtelijke en (hiervan afgeleide) socialezekerheidsrechtelijke bescherming. Het is derhalve cruciaal om vast te stellen of platformwerkers kunnen kwalificeren als werknemer, waardoor zij (in ieder geval) tijdens de uitvoering van hun werk een arbeidsovereenkomst zouden hebben met het platform, of dat zij toch (veelal) opdrachtnemers zijn en dus platformwerk verrichten op basis van een opdrachtovereenkomst. In hoofdstuk 3 behandelt Hanneke Bennaars diepgaand de actuele stand van zaken omtrent deze kwestie.
Zoals de auteur uiteenzet, is het onderscheid tussen werknemers en opdrachtnemers al langer problematisch, maar bij platformarbeid speelt dit in extremere mate. Werkplatforms kunnen de voorwaarden waaronder wordt gecontracteerd veelal eenzijdig opstellen en wel op zo’n manier dat ze wijzen in de richting van een opdrachtovereenkomst. Tegelijkertijd bestaan er grote verschillen tussen de verschillende platforms. Tegen deze achtergrond gaat Bennaars na of de huidige criteria voor de kwalificatie van de arbeidsovereenkomst en de driehoeksverhoudingen in het arbeidsrecht wel zijn toegesneden op de praktijk van platforms. Uit haar uitgebreide analyse blijkt dat het kwalificatievraagstuk een ‘moving target’ is. In veel landen en bij het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt inmiddels geprocedeerd over de vraag of een platformwerker werknemer, opdrachtnemer of een tussencategorie is. Ook in Nederland is hierover de nodige rechtspraak verschenen en er zit meer jurisprudentie in de pijplijn. Bennaars signaleert verder dat de Europese en Nederlandse beleidsmakers ook niet stilzitten en bespreekt een aantal (soms alweer terzijde gelegde) beleidsideeën, waaronder de vraag of een rechtsvermoeden van werknemerschap bij platformarbeid het overwegen waard is en of de Waadi op sommige driehoeksverhoudingen bij platformarbeid van toepassing zou moeten zijn.
Volgens de auteur volstaat de definitie in art. 7:610 BW nog steeds om te bepalen of sprake is van een arbeidsovereenkomst, zeker indien de rechter in zijn beoordeling de nieuwe manieren betrekt waarop platforms invloed uitoefenen op het gedrag van de werkers. Zij constateert dat de algoritmische mix van ‘ratings’, ‘gamification’ en ‘nudging’-technieken misschien nog wel effectiever is dan de klassieke motivatieprikkels en instructiebevoegdheden van werkgevers. Juist het aanpasbare, open karakter van het gezagscriterium uit de definitie van de arbeidsovereenkomst maakt het mogelijk rekening te houden met de specifieke werkwijze en bedrijfsmodellen van platforms. Ook in het verleden is gebleken dat het label ‘arbeidsovereenkomst’ past bij vele soorten arbeid, waarbij op heel verschillende wijze de gezag- en instructiebevoegdheid wordt ingevuld. Het feit dat we nog met de definitie uit de voeten kunnen, wil echter niet zeggen dat we moeten stoppen met het verkennen van de mogelijkheden om tot meer contractneutrale arbeidsrechtelijke bescherming te komen, aldus Bennaars.