Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/5.6.1
5.6.1 De invoering van de Fraudewet
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258927:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2011/12, 33207, nr. 3, p. 4, 5, 6 en 13. Zie voor de strafrechtelijke afdoening de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude (Stcrt. 2016, 12609).
Kritiek Ombudsman op Fraudewet, 26 november 2011; Geen fraudeur, toch boete 2014 (www.nos.nl/artikel/444720-kritiek-ombudsman-op-fraudewet.html); Rapport Nationale Ombudsman: Geen fraudeur, toch boete 2014.
Vonk, TRA 2013/86; Vonk, TRA 2015/38; Nummerdor-Buijs & De Wit, De Gemeentestem 2016/101; Duker, Tijdschrift voor Bijzonder Strafecht & Handhaving 2016/2; Smit, Tijdschrift Formeel Belastingrecht 2016/03; Duk, TRA 2016/54; Barentse, TRA 2017/1.
De Fraudewet verscherpte het sanctiesysteem aanzienlijk. Het voorheen bestaande sanctiestelsel zou volgens het kabinet een onvoldoende ontmoedigende werking hebben op de categorie doelbewuste en calculerende fraudeurs. Daarnaast moest ook worden voorkomen dat de aanscherping van bestuurlijke boeten leidt tot een onbalans tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke afdoening.1 Het uitvoeringsorgaan werd verplicht een boete van in beginsel 100 procent van het benadelingsbedrag op te leggen bij elke overtreding van de informatieplicht. Het boetetarief van 10 procent werd dus verhoogd naar 100 procent. Pas na oplegging van die boete kon een matiging plaatsvinden vanwege verminderde verwijtbaarheid. Bij recidive volgde een boete van 150 procent waarbij bij de invordering de beslagvrije voet (90 procent van de bijstandsnorm) vijf jaar buiten werking kon worden gesteld. Voor de bijstand werd de beslagvrije voet maximaal drie maanden buiten werking gesteld. In het per 1 januari 2013 gewijzigde Boetebesluit socialezekerheidswetten was neergelegd dat de bestuurlijke boete werd vastgesteld op het benadelingsbedrag. Er was in feite geen maximum meer, omdat het wettelijke boetemaximum dus tevens het vaste boetebedrag was.
Op de Fraudewet is veel kritiek geweest vanuit onder meer de Raad van State,2 de Ombudsman3 en de wetenschap,4 omdat de evenredigheidseis bijna volledig buiten werking werd gesteld. Kern van de kritiek was dat de wet zijn doel voorbij zou schieten en dat veel te zware boeten zouden worden opgelegd aan uitkeringsgerechtigden die kleine fouten maakten in het doorgeven van veranderingen. Een uitkeringsgerechtigde die niet of niet tijdig voldeed aan de inlichtingenplicht, waarbij opzet of andere redenen geen rol speelden, kreeg een boete van 100 procent van het benadelingsbedrag en daarnaast moest de uitkering ook nog volledig terugbetaald worden.5
De Fraudewet en de daaropvolgende wijzigingen van de bestuurlijke boeten in de sociale zekerheid hebben een groot effect gehad op de rechtspositie van de WW’er. Hiernavolgend zal de Fraudewet, de kritiek daarop en de daaropvolgende wetswijziging nader worden geanalyseerd.