Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.3.2
3.3.2 Vrijheid van inrichting van het bijzonder onderwijs
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949367:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Mentink en Vermeulen 2011, p. 57.
Mentink en Vermeulen 2011, p. 63.
Van Esch e.a. 1992, p. 10-14.
Mentink en Vermeulen 2011, p. 57.
Zoontjens 2023, p. 43 e.v.
Akkermans 1987, p, 368-369.
Akkermans 1987, p, 368-369.
D. Mentink, Orde in onderwijsbeleid. De wettelijke regeling van deugdelijkheidseisen als grondwettelijk probleem, Kluwer: Deventer 1989, p. 34-35.
Noorlander 2005, p. 63.
Noorlander 2005, p. 66.
Drop 1987, p. 16.
Van Esch e.a. 1992, p. 29.
W.J.G.M. Gielen, 'Het wondere ambt': het rijksschooltoezicht en de toepassing van de lager-onderwijswet 1920 gedurende de jaren 1921 tot en met 1930, Nijmegen 1984, p. 1 (raadpleegbaar via: https://repository.ubn.ru.nl/handle/2066/114095).
Een bijzondere school kan met de vrijheid van richting een eigen visie op de mens en de samenleving tot uitdrukking brengen in het onderwijs.1 Deze visie is gestoeld op een bepaalde godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging. De vrijheid van richting omvat met name de vrijheid om leermiddelen te kiezen en docenten aan te stellen.2 Uit de woorden ‘met name’ wordt afgeleid dat de vrijheid van richting meer inhoudt. Vermeulen schrijft dat over de precieze invulling van de vrijheid van richting onduidelijkheid bestaat, omdat niet definitief kan worden vastgesteld hoe en in welke mate de richting van een school gerealiseerd kan en moet worden in de inrichting van de school.3 De vrijheid van de bijzondere school om zichzelf in te richten wordt de vrijheid van inrichting genoemd.
Over de precieze inhoud van de vrijheid van inrichting bestaan in de literatuur verschillende opvattingen.4 Met de vrijheid van inrichting kan de school volgens Mentink en Vermeulen het onderwijs en de daarbij behorende organisatie, het beheer en het bestuur van de school naar eigen inzicht regelen. Hierbij zal de richting van de school vaak een rol spelen. De vrijheid van inrichting is evenwel niet enkel een connex recht van de vrijheid van richting.5 Dit betekent dat de vrijheid van inrichting een bredere reikwijdte heeft dan louter het ondersteunen van de vrijheid van richting. Uit de wetsgeschiedenis kan afgeleid worden dat de vrijheid van inrichting ook betrekking heeft op zaken die buiten de richting liggen. Wel is vrijheid van inrichting een noodzakelijke voorwaarde om van de vrijheid van richting gebruik te kunnen maken. Binnen de richting kan deze vrijheid gebruikt worden om leerlingen te weigeren en om leraren te benoemen en te ontslaan. Buiten de richting geeft deze vrijheid de school vergaande organisatorische autonomie.6
Volgens Akkermans is de vrijheid van inrichting de vrijheid om scholen ook buiten datgene wat van belang is in het kader van de betreffende richting naar eigen inzicht in te richten.7 Meer concreet omschrijft Akkermans de vrijheid van richting en inrichting als datgene dat niet door de wet geregeld is en datgene dat al wel geregeld is, maar waarbij de bijzondere school een eigen beslissingsbevoegdheid heeft voor het realiseren van het onderwijs.8 Mentink schrijft dat de vrijheid van inrichting de ruimte van de bijzondere school is om naar eigen inzicht de inhoud en vorm van het onderwijs vorm te geven.9 Noorlander omschrijft de vrijheid van inrichting simpelweg als de vrijheid om de school naar eigen inzicht in te richten.10 Bij de vrijheid van inrichting ligt het zwaartepunt volgens Noorlander op de pedagogisch-organisatorische autonomie van de school.11 Met de organisatorische autonomie kan het bevoegd gezag, onder andere, de bestuurlijke inrichting van de rechtspersoon bepalen met inachtneming van het rechtspersonenrecht.
Drop kadert de vrijheid van inrichting verder in door deze vrijheid op te delen in drie niveaus, de vrijheid van inrichting in:
ruime zin: dit heeft betrekking op de organisatie van het onderwijs.
een wat beperktere zin: dit heeft betrekking op de interne organisatie van de school.
in enge zin: dit heeft betrekking op de pedagogisch-didactische relatie tussen docenten en leerling in het eigenlijke onderwijsproces.12
De vrijheid van inrichting in enge zin omschrijft Van Esch als de inrichting in onderwijskundige zin.13 Ontleend aan het proefschrift van Gielen14 kadert Van Esch dit nader in als de inrichting van het onderwijsproces, zoals dit in de school en in de klas zich in de relatie tussen de leraar en de leerling afspeelt. Op de vrijheid van inrichting in enge zin in verband met de pedagogische autonomie wordt dieper ingegaan in § 3.3.4.