Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/7.3.2.8
7.3.2.8 Uitvoering van de handhaving
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS605790:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 2.2 Wm jo Verordening (EU) 601/2012 jo hoofdstuk 16 en 18 Wm.
Dit volgt uit artikel 70 Verordening (EU) 601/2012 en artikel 35 lid 6 Verordening (EU) 389/2013.
HvJ EU 29 april 2015, C-148/14 (Nordzucker), r.o. 27-45.
HvJ EU 29 april 2015, C-148/14 (Nordzucker), r.o. 45.
Dit volgt ook uit artikel 66 Verordening (EU) 600/2012, dat voorziet in een wederzijdse erkenning van verificateurs die door een nationale accreditatie-instantie die de collegiale toetsing succesvol heeft doorlopen, is geaccrediteerd.
Artikel 18.2f jo hoofdstuk 16 Wm, alsmede artikel 18.6a en artikel 18.16a jo artikel 18.5, 18.6 en 18.18 Wm.
Artikel 18.4 Wm jo artikel 8a BaaV. Hieruit vloeit voort dat de ambtenaren werkzaam bij de afdeling Toezicht en handhaving van de NEa belast zijn met onder meer het toezicht op de naleving van het bij of krachtens hoofdstuk 16 Wm bepaalde.
Artikel 5:12 lid 1 jo lid 2 Awb. Lid 3 bevat de eisen die aan dit legitimatiebewijs zijn gesteld.
Artikel 5:15 lid 1 Awb Dit geldt niet voor woningen, maar dat is in het kader van ETS ook niet aan de orde.
Artikel 5:16 Awb.
Artikel 5:17 Awb.
Artikel 5:18 leden 1 en 2 Awb.
Artikel 5:20 Awb.
Artikel 5:10a Awb. Zie hierover: Jacobs, in: Sdu T&C Awb, artikel 5:10a Awb, aant. C2 (online, laatst geraadpleegd op 31 oktober 2016).
Jacobs, in: Sdu T&C Awb, artikel 5:10a Awb, aant. C2 (online, laatst geraadpleegd op 31 oktober 2016) en Grabenwarter 2007, p. 165 en 166. Zie ook: HR 21 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA8179, r.o. 3.3.2 en EHRM 17 december 1996, nr. 19187/91 (Saunders), r.o. 69.
Verschuuren & Fleurke 2014, p. 42 en 43. Zie ook: https://www.emissieautoriteit.nl/on-derwerpen/toezicht-ets/inhoud/vormen-van-toezicht (geraadpleegd op 25 januari 2017).
Het document is te downloaden van: https://www.emissieautoriteit.nl/documenten/hulpdocument/2014/12/08/infoblad-u-krijgt-een-inspectie-op-locatie (geraadpleegd 25 januari 2017).
https://www.emissieautoriteit.nl/onderwerpen/toezicht-ets/inhoud/werkwijze-toezicht bezoek (geraadpleegd op 25 januari 2017).
E-mail van de NEa van 3 februari 2016 ten behoeve van dit onderzoek.
Jaarverslag NEa 2015, p. 36.
Jaarverslag NEa 2009, p. 15.
Verschuuren & Fleurke 2014, p. 43.
https://www.emissieautoriteit.nl/onderwerpen/toezicht-ets/inhoud/vormen-van-toe-zicht (geraadpleegd 25 januari 2017). In 2014 werden deze themaonderzoeken onder meer toegepast op de glastuinbouw: Jaarverslag NEa 2014, p. 21.
Jaarverslag NEa 2009, p. 15.
Verschuuren & Fleurke 2014, p. 42. Zie ook: https://www.emissieautoriteit.nl/onder-werpen/toezicht-ets/inhoud/vormen-van-toezicht (geraadpleegd 25 januari 2017).
Verschuuren & Fleurke 2014, p. 42. Er hebben zich volgens dit rapport tevens inciden-ten voorgedaan waarin er door de NEa omissies werden geconstateerd. Deze ommissies zijn, als klacht, doorgegeven aan de betreffende verificateur en de RvA (Verschuu-ren & Fleurke 2014, p. 42).
Volgens de Explanatory Guidance komt dit neer op de vraag of er een ‘reasonable level of assurance meaning a high but not absolute level of assurance that the subject matter conforms in all material aspects with the required criteria’ is (AVR Explanatory Guid-ance, p. 15).
Artikel 22 Verordening (EU) 600/2012.
Uit het NEa jaarverslag 2015 volgt dat er in 2015 twee boetes voor het schenden van de inleverplicht in 2014, over het jaar 2013 zijn opgelegd.
https://www.emissieautoriteit.nl/actueel/nieuws/2015/05/01/100-naleving-door-bedrij-ven-en-luchtvaartmaatschappijen (laatst geraadpleegd op 13 februari 2017). Zie ook: NEa jaarverslag 2015, p. 20.
EUTL, te raadplegen via http://ec.europa.eu/environment/ets/, onder ‘compliance’ (laatst geraadpleegd op 25 januari 2017).
€ 100,- * consumentenprijsindexcijfer, reeds besproken.
Artikel 70 Verordening (EU) 601/2012.
Artikel 35 lid 7 Verordening (EU) 389/2013.
In dat geval wordt Verordening (EU) 601/2012 immers alsnog overtreden. Dit wordt expliciet verboden door artikel 18.5 Wm (hierin wordt verwezen naar die bepalingen van Verordening (EU) 601/2012 die verplichtingen voor exploitanten bevatten).
Jaarverslag NEa 2008, p. 26 en Jaarverslag NEa 2011, p. 21. Het een en ander volgt ook uit het document ‘U krijgt een inspectie op locatie’, waarin wordt gesteld dat handhavend wordt opgetreden wanneer: 1) ‘uw bedrijf een kernbepaling overtreedt (zoals bijvoorbeeld het emitteren zonder vergunning of het inleveren van te weinig rechten);’ 2) ‘uw bedrijf niet wil naleven;’ 3) ‘de NEa al uitgebreid over uw verplichtingen heeft gecommuniceerd en dat niet tot naleving heeft geleid.’ Hiermee wordt gesuggereerd dat in beginsel niet direct handhavend wordt opgetreden. Dit sluit aan bij het in beginsel eerst waarschuwen of ondersteunen middels ‘compliance assistance’. Zie over dit beleid ook: Verschuuren & Fleurke 2014, p. 43.
Er wordt verder niet gedefinieerd wat ‘kernbepalingen’ zijn. Alleen het overtreden van de inleverplicht en het niet hebben van een vergunning worden als voorbeelden genoemd. Aansluiting kan worden gezocht bij de Beleidsregels I&M 2016, waarin sommige wettelijke bepalingen als ‘zware overtredingen’ of ‘zeer zware overtredingen’ worden gekwalificeerd. De betreffende overtredingen werden onder de beleidsregels van 2011 als ‘essentiële verplichtingen’ gekwalificeerd (Besluit van 8 september 2011, nr. IenM/BSK-2011/114418, Stcrt. 2011, 16636) en zijn deels aangevuld.
Dat evenmin afkomstig is van het bestuur van de NEa en daarmee dus evenmin als een besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb is te kwalificeren. Het in werking hebben van een inrichting zonder broeikasgasemissievergunning wordt in de Beleidsregels I&M 2016 gekwalificeerd als ‘zeer zwaar’.
Met name het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel (Schlössels & Zijlstra 2010, p. 268 en 269).
De Beleidsregels I&M 2016 kwalificeert het niet tijdig inleveren van een geverifieerd emissieverslag als ‘zwaar’ en zelfs als een essentiële verplichting voor monitoring en rapportage.
Infoblad ‘U krijgt een inspectie op locatie’.
Er wordt door de Wet milieubeheer, noch door de Beleidsregels I&M 2016, voorgeschreven met welk sanctie moet worden opgetreden.
Art. 5:32a lid 2 Awb.
Ingevolge de Beleidsregels I&M 2016 kan zelfs voor de lichtste overtredingen de dwangsom worden vastgesteld op € 500,- per dag. Ten aanzien van een emissieverslag dat niet bevredigend is geverifieerd kan de dwangsom zelfs op €4500,- per dag worden vastgesteld. Interessant daarbij is dat hoofdstuk 18 Wm, noch de Beleidsregels I&M 2016 aangeven wat het maximumbedrag is waarboven geen dwangsommen worden verbeurd. Hier bestaat dus een discretionaire bevoegdheid voor het bestuur van de NEa.
Bijvoorbeeld een overtreding van de verplichting tot het inleveren van een geverifieerd emissieverslag (artikel 67 Verordening (EU) 601/2012) en een overtreding van artikel 11 Verordening (EU) 601/2012 wat leidt tot een non-conformiteit als bedoeld in artikel 3 onder 12 sub a Verordening (EU) 600/2012. De overtreding van zowel artikel 67 als ar-tikel 11 Verordening (EU) 601/2012 wordt verboden door artikel 18.5 Wm, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ingevolge artikel 18.16a Wm.
Dit volgt uit overweging 1 van de considerans van Verordening (EU) 601/2012, tevens vastgelegd als algemene verplichtingen van (vliegtuig)exploitanten in de monitoring van emissies in artikelen 4-7 Verordening (EU) 601/2012, alsmede uit artikel 6 Verordening (EU) 600/2012. Zie tevens AVR Explanatory Guidance, p. 14. Uitgangspunt van de verificatie is na te gaan of conform Verordening (EU) 601/2012 en het MP is gemonitord. Daarbij kan de conclusie zijn dat er non-conformiteiten bestaan, maar dat het ver-slag alsnog als bevredigend wordt geverifieerd, omdat de non-conformiteiten niet leiden tot een materiële onjuistheid (artikel 22 lid 3 jo artikel 23 jo artikel 27 lid 1 aanhef en onder b Verordening (EU) 600/2012). De materiële onjuistheid kan dus worden beschouwd als een ernstige overtreding van Verordening (EU) 601/2012 of het MP, die ertoe leidt dat de emissies niet meer binnen de ‘materiëliteitsmarges’ zijn vast te stellen. Beide overtredingen zien dus op de volledigheid, consistentie, transparantie en nauwkeurigheid. Zij het dat de ene overtreding ernstiger is dan de andere.
Dit zou namelijk in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel: ABRvS 26 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4257, r.o. 3.1 en ABRvS 26 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4284, r.o. 3.1.
Bijlage I Beleidsregels I&M 2016.
Voor een uitwerking van de berekening van het variabele bedrag en de correctiefactor zij verwezen naar de toelichting bij de Beleidsregels I&M 2016 (Stcrt. 2016, nr. 47518).
Immers, het niet melden en beëindigen levert een waarde van 1, het niet minder verwijtbaar zijn levert een waarde van 1, en een eventuele recidive kan nog eventueel leiden tot een waarde hoger dan 1. Deze 3 onderdelen moeten met elkaar vermenigvuldigd worden, hetgeen een waarde oplevert van minimaal 1 (immers, 1* 1* >=1 is minimaal gelijk aan 1). De formule voor de correctiefactor is te vinden in: Beleidsregels I&M 2016, bijlage III, onder 4.
Bijlage III, onder 3.1 Beleidsregels I&M 2016.
Bijlage II, onder 3.3 Beleidsregels I&M 2016.
Artikel 5 Beleidsregels I&M 2016.
De bedrijfsgegevens zijn niet aangeleverd. Dit is echter ook niet bezwaarlijk, aangezien de aard en ernst van de overtreding belangrijker is om te bepalen of de sanctie streng genoeg is. Datum gegevens: 22 januari 2016.
http://www.telegraaf.nl/dft/nieuws_dft/24447957/__Forse_boetes_om_CO2-overtredin-gen__.html (geraadpleegd op 26 januari 2017). De boetes voor de overtreding van de inleverplicht die in 2015 zijn opgelegd betreffen de inleverplicht in 2014 over het kalenderjaar 2013. Hierboven is reeds opgemerkt dat over 2014 alle inrichtingen aan de inleverplicht hadden voldaan. Verder kunnen de boetes geen betrekking hebben op de inleverplicht over 2015, aangezien op het moment van aanlevering van deze gegevens de deadline voor inlevering (30 april) nog niet was verstreken. Wel wijken de boetebedragen in het persbericht van De Telegraaf licht af van de boetebedragen die aan mij zijn gecommuniceerd door de NEa. Mogelijk heeft De Telegraaf in haar persbericht geen rekening gehouden met de consumentenprijsindex waarmee de boete nog moest worden verhoogd.
Gegevens te downloaden van: https://www.emissieautoriteit.nl/onderwerpen/rappor-tages-en-cijfers-ets/documenten/publicatie/2016/04/01/emissiecijfers-2013-2015 (geraadpleegd op 26 januari 2017).
€ 302458,68 – € 297100,- = € 5358,68. Dit bedrag kan (aanzienlijk) lager zijn in verband met de mogelijk hoger uitvallende boete voor het overtreden van de inleverplicht. Immers, in bovenstaande berekening is de CPI-factor nog niet verwerkt. Ook een boete van € 0,- voor het niet op tijd inleveren van een emissieverslag is, gezien de hoogte van de boete voor de inleverplicht en de uiteindelijke naming & shaming-sanctie, in het licht van het evenredigheidsbeginsel evenwel verdedigbaar.
Dit volgt uit artikel 18.16p Wm.
Bedragen variëren blijkens het overzicht van € 41.158,- tot en met € 191.700.
Dit betreft de aanlevering van gegevens met het oog op een kosteloze toewijzing van emissierechten (zie hoofdstuk 4).
Jaarverslag NEa 2013, p. 34.
Artikel 40 Verordening (EU) 601/2012.
Artikel 42 lid 1 Verordening (EU) 601/2012 verwijst naar EN 14181. Uit MRR Guidance document no. 1, p. 78 valt af te leiden dat deze norm voorschrijft dat onder meer de kalibratie van meetgegevens door een geaccrediteerd laboratorium dient te worden verricht. Zie over deze norm tevens: http://www.infomil.nl/onderwerpen/klimaat-lucht/ meten-rapporteren/meten-luchtemissies/l40-praktijkbladen/7c-nen-14181/ (geraadpleegd op 26 januari 2017).
Informatie per e-mail verstrekt door de NEa, datum: 26 januari 2016.
Van belang is wel dat overtreders van de vergunningplicht worden opgemerkt. Hiervoor is de afstemming met het bevoegd gezag van belang. Zoals in hoofdstuk 8 wordt besproken is de afstemming tussen het lokaal bevoegd gezag en het bestuur van de NEa door de bank genomen goed geregeld. Er mag van worden uitgegaan dat schendingen van de vergunningplicht dus doorgaans zullen worden opgemerkt.
Het toezicht op exploitanten is geconcentreerd bij de NEa, 1maar er is tevens een belangrijke rol voor de verificateur weggelegd. De verificateur controleert immers het jaarverslag van een installatie en van dit geverifieerde emissieverslag moet in beginsel worden uitgegaan waar het de inleverplicht van emissierechten betreft. Dit neemt evenwel niet weg dat de bevoegde autoriteit de emissies in het geverifieerde emissieverslag nog kan bijstellen,2 zelfs als de datum voor inlevering van emissierechten reeds is verstreken en de exploitant reeds emissierechten heeft ingeleverd.
Echter, in dit laatste geval mag de gefixeerde boete niet worden opgelegd aan de exploitant. Dit volgt uit het arrest Nordzucker, waarin het Hof van Justitie overwoog dat de inleverplicht is gekoppeld aan het geverifieerde emissieverslag. Indien de weergave van emissies achteraf onjuist blijkt, dan is de boetebepaling uit artikel 16 lid 3 jo lid 4 Richtlijn ETS niet van toepassing.3 Echter, het arrest lijkt wel een opening tot oplegging van de boete te laten wanneer voor de afloop van de inlevertermijn de onjuistheid wordt geconstateerd en gecorrigeerd door de bevoegde autoriteit. Het Hof overwoog namelijk:
‘Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 16, lid 3, van richtlijn 2003/87 aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling niet van toepassing is op een exploitant die een hoeveelheid broeikasgasemissierechten inlevert die gelijk is aan de emissies in het voorgaande kalenderjaar zoals gerapporteerd en geverifieerd overeenkomstig artikel 15 van deze richtlijn, wanneer bij een door de bevoegde nationale autoriteit na afloop van de inlevertermijn uitgevoerdeaanvullende verificatie blijkt dat deze emissies te laag zijn opgegeven, zodat de ingeleverde hoeveelheid emissierechten onvoldoende is. Het is aan de lidstaten om overeenkomstig artikel 16, lid 1, van richtlijn 2003/87 de sancties vast te stellen die in een dergelijke situatie kunnen worden opgelegd.’ [onderstreping door auteur] 4
Het toezicht op verificateurs is hiervoor reeds behandeld. Er moet van worden uitgegaan dat een geaccrediteerde verificateur voldoet aan de eisen die ingevolge Verordening (EU) 600/2012 en EN/ISO-normen aan hem worden gesteld.5
De taak van het bestuur van de NEa zit in de controle op de nalevingsplicht, waarbij tevens geverifieerde emissieverslagen op hun correctheid worden gecontroleerd. En verder in het verlenen van vergunningen en het toezicht op de algemene naleving van de vergunning, het MP en de relevante EU-regelgeving en overige wet- en regelgeving.6 Het is ook het bestuur van de NEa dat bevoegd is sancties op te leggen in geval van niet-naleving door een exploitant, zowel in het geval van de niet-naleving van de inleverplicht als in andere gevallen van overtreding.
De ambtenaren werkzaam bij de afdeling Toezicht en handhaving van de NEa zijn belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens hoofdstuk 16 Wm bepaalde, en dus ook met het toezicht op de naleving van de eisen gesteld aan inrichtingen en drijvers. 7Deze ambtenaren zijn daarmee toezichthouder in de zin van titel 5.2 Awb. Dit betekent dat de voor deze toezichthouders de bevoegdheden, en verplichtingen, uit titel 5.2 Awb van toepassing zijn. Een toezichthouder is daarmee onder meer verplicht bij het uitoefenen van zijn taken op verzoek zijn legitimatiebewijs, dat hem is verstrekt door het bestuur van de NEa, te tonen.8 Hij heeft echter ook vergaande bevoegdheden. Zo is de toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met meeneming van de benodigde apparatuur.9 Hij is zelfs bevoegd daarbij personen aan te wijzen die hem bij dit bezoek vergezellen.10 Een toezichthouder is verder onder meer bevoegd inlichtingen te vorderen,11 inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden en deze zo nodig te kopiëren.12 Ook kan de toezichthouder zaken onderzoeken, aan opneming onderwerpen en er monsters van nemen. Hij is daarbij bevoegd verpakkingen te openen.13 Er bestaat in beginsel een verplichting voor de drijver om medewerking te verlenen aan de toezichthouder.14 Het bestuur van de emissieautoriteit kan in geval van niet medewerking een bestuurlijke boete van maximaal € 4.500,- opleggen aan de overtreder.15 Er bestaat evenwel een belangrijke uitzondering op de medewerkingsplicht, die zijn grondslag vindt in het nemo tenetur-beginsel. Zodra het onderzoek van een toezichthouder gericht is op de oplegging van een bestuurlijke boete, is er sprake van een ‘criminal charge’. In dat geval heeft de drijver een zwijgrecht, en moet voor een eventueel verhoor cautie worden gegeven.16 Echter, voor zover het gegevens betreft die onafhankelijk zijn van de wil van de drijver, is het zwijgrecht in beginsel niet van toepassing.17
Uit een eerder onderzoek van Verschuuren en Fleurke kan worden opgemaakt dat complexere inrichtingen vaker zullen worden bezocht dan minder complexe inrichtingen en dat inrichtingen met een ‘clean sheet’ minder worden bezocht dan inrichtingen die in het verleden zich niet altijd aan de regels hebben gehouden. Bovendien wordt na constatering van een overtreding een redelijke termijn gesteld waarbinnen de overtreding moet zijn verholpen. De NEa voert vervolgens een hercontrole uit om te controleren of de overtreding ook daadwerkelijk is verholpen.18
De NEa heeft op zijn website een document ‘U krijgt een inspectie op locatie’ gepubliceerd, waarin is beschreven wat een inspectie van de NEa inhoudt.19 Wat opvalt aan het document en de website van de NEa,20 is dat in de regel toezichtbezoeken worden aangekondigd. Dit kan problematisch zijn in het geval van een ‘bewuste’ overtreder (een drijver die de regelgeving bewust overtreedt). Deze is immers op de hoogte van zijn overtreding en wordt zo in de gelegenheid gesteld zijn overtreding ‘weg te werken’. Aan de andere kant vergroot een vooraankondiging ook de efficiëntie van het bezoek, aangezien de drijver ervoor kan zorgen dat de benodigde documenten reeds klaar liggen voor inzage. Bovendien moet het risico dat een vooraankondiging voor de effectiviteit van een toezichtsbezoek vormt worden genuanceerd. Drijvers staan immers ook onder de controle van de verificateurs, die op hun beurt onder controle van de RvA staan. Ook deze verificateurs voeren toezichtbezoeken uit, en controleren het emissieverslag tegen de achtergrond van het MP en relevante regelgeving. Bovendien worden toezichtbezoeken in een enkel geval onaangekondigd uitgevoerd. Dit gegeven draagt eveneens bij aan de afschrikwekkendheid van het handhavingsbeleid.
Jaarverslagen van de NEa bevatten waardevolle informatie over de wijze waarop toezicht in een gegeven jaar is gehouden. Wanneer de jaarverslagen over 2013, 2014 en 2015 worden geraadpleegd, kan inzicht worden verkregen over de toezichtactiviteiten van de NEa over die jaren. Uit de jaarverslagen vloeit voort dat in 2013 103 audits werden uitgevoerd op een totaal van 485 vergunningen. In 2014 werden er 65 audits uitgevoerd op een totaal van 448 vergunningen. Daarnaast werden er in 2013 19 ad hoc onderzoeken uitgevoerd. In 2014 werden er geen ad hoc onderzoeken uitgevoerd, maar wel twee themaonderzoeken. Ten aanzien van vliegtuigexploitanten hebben er in 2013 en 2014 geen toezichtsbezoeken plaatsgevonden.21 In 2015 werden er 31 themaonderzoeken (in verband met het niet melden van activiteitsdalingen door meerdere inrichtingen) en 17 handhavingsonderzoeken naar inrichtingen verricht, in totaal dus 48 toezichtsbezoeken bij inrichtingen. Er werden vier toezichtsbezoeken bij vliegtuigexploitanten afgelegd.22
Audits zijn onderzoeken waarin onder meer het MP en de vergunning wordt vergeleken met de werkelijke situatie van de inrichting.23 Dit onderzoek kan zowel administratief als een controle van de praktijk zijn.24 Themaonderzoeken zijn controles van meerdere bedrijven of sectoren ten aanzien van een bepaald onderdeel of onderdelen.25
Ad hoc onderzoeken zijn een verzamelnaam voor handhavingsonderzoeken, hercontroles, signaalonderzoeken en nadere onderzoeken ter controle van het emissieverslag.26
Verder worden niet alle emissieverslagen op hun correctheid gecontroleerd. De NEa neemt een steekproef van emissieverslagen die het controleert op conformiteit met het MP en relevante wet- en regelgeving.27 Indien in deze controles alsnog onvolkomenheden worden geconstateerd, dan zal de NEa het emissieverslag vervangen met haar eigen metingen.28
Zoals reeds hierboven is behandeld, wordt een emissieverslag alleen als bevredigend geverifieerd als er een redelijke mate van zekerheid is dat het verslag geen materiële onjuistheden bevat.29 Een materiële onjuistheid vindt zijn oorsprong in non-conformiteiten of onjuistheden, al hoeft niet iedere non-conformiteit of onjuistheid tot een materiële onjuistheid te leiden.30 Een verificateur dient dus op non-conformiteiten en onjuistheden te controleren om tot een bevredigende verificatie te kunnen komen. Daarbovenop wordt de feitelijke situatie van inrichtingen gecontroleerd op conformiteit met het MP en wordt een willekeurige selectie van emissieverslagen door de NEa gecontroleerd. Er bestaat hiermee een redelijke zekerheid dat onjuistheden of non-conformiteiten worden opgemerkt.
Wanneer we de nalevingsgegevens, beschikbaar op de website van NEa, van de Nederlandse exploitanten over 2013 en 2014 bekijken, valt op dat over 2013 de meeste exploitanten, op twee na, voor de deadline van de inleverplicht voldoende emissierechten hadden ingeleverd.31 Over 2014 zien we dat alle exploitanten voor de deadline van de inleverplicht voldoende emissierechten hadden ingeleverd.32 Wanneer we het EUTL bekijken, zien we dat over de jaren verreweg de meeste exploitanten voor afloop van de deadline voor de inleverplicht ook een geverifieerd emissieverslag hadden ingeleverd.33 Er kan dus worden vastgesteld dat de naleving van Nederlandse drijvers goed is, in die zin dat de emissiegegevens die zij aanleveren met een redelijke mate van zekerheid vrij zijn van materiële onjuistheden. Dat de inleverplicht goed wordt nageleefd kan worden verklaard uit de hoge pakkans en de hoge boete die staat op het inleveren van te weinig emissierechten.34 Echter, zoals ook besproken is het overtreden van de plicht tot het indienen van een geverifieerd emissieverslag niet gekoppeld aan een automatische boete. Toch wordt deze plicht nageleefd. Dit kan worden verklaard uit de conservatieve schatting die wordt gemaakt door het bestuur van de NEa, indien geen geverifieerd emissieverslag is ingediend.35 In dat geval bestaat er voor de drijver van een inrichting onzekerheid over de vraag of hij genoeg emissierechten heeft ingeleverd, aangezien deze schatting pas in het register wordt ingevoerd na het verstrijken van de inleverdatum.36 Ingeval hij te weinig emissierechten inlevert, leidt dat tot de automatische boete. Daarbovenop bestaat er een bevoegdheid voor het bestuur van de NEa tot het opleggen van een last onder dwangsom, of een bestuurlijke boete voor het niet inleveren van een geverifieerd emissieverslag, die de kosten voor de drijver ook doen oplopen.
Dit neemt echter niet weg dat zich andere overtredingen van regelgeving kunnen voordoen. Immers, onjuistheden of non-conformiteiten die voorkomen maar die niet aan een bevredigende verificatie in de weg staan, zullen alsnog moeten worden hersteld.37 Deze overtredingen zijn evenwel lichter van aard, omdat zij de betrouwbaarheid van het emissieverslag niet zo ernstig aantasten dat deze niet meer als bevredigend kan worden geverifieerd.
Desalniettemin is het sanctiebeleid van het bestuur van de NEa hier van belang, om te voorkomen dat de drijver binnen de grenzen van een ‘bevredigende verificatie’ van de regels en het MP afwijkt. In dat kader is de afweging van de NEa, om in de hoofdregel in eerste instantie waarschuwingen af te geven, of via ‘compliance assistance’ naleving te bewerkstelligen, opvallend.38 Een dergelijk beleid komt er immers op neer dat voor overtredingen in beginsel niet direct sanctionerend wordt opgetreden. Wel wordt gesteld dat handhavend wordt opgetreden bij overtredingen van ‘kernbepalingen’.39 In het infoblad ‘U krijgt een inspectie op locatie’, waar deze benadering van de NEa thans is terug te vinden, wordt niet expliciet vermeld dat deze afkomstig is van, of is opgesteld onder de verantwoordelijkheid van het bestuur van de emissieautoriteit. Het betreft mijns inziens dus geen besluit in de zin van artikel 1: 3 lid 1 Awb en daarmee geen beleidsregel in de zin van artikel 1: 3 lid 4 en titel 4.3 Awb. Toch lijkt hiermee een interne beleidslijn te zijn uitgedrukt, die overigens ook deels is terug te vinden in het jaarverslag van 2008.40 Ondanks dat het hier dus geen beleidsregel in de zin van artikel 1: 3 lid 4 Awb betreft, is het bestuur van de emissieautoriteit in beginsel wel aan haar interne beleid gebonden op grond van algemene beginselen van behoorlijk bestuur.41
De vraag doet zich dan voor of dit beleid ten aanzien van overtredingen als voldoende afschrikwekkend kan worden gekwalificeerd. In dat kader moet worden opgemerkt dat overtredingen van niet-kernbepalingen er niet toe hoeven te leiden dat een emissieverslag niet bevredigend wordt geverifieerd. Wanneer dit wel gebeurt moet dit gezien worden als een aparte overtreding van een kernbepaling en zal tegen die overtreding met een sanctie moeten worden opgetreden.42 Indien overtredingen dus niet tot gevolg hebben dat het emissieverslag niet meer bevredigend kan worden geverifieerd, wordt in de kern de integriteit van de emissiegegevens niet (ernstig) aangetast. Indien herhalend overtredend wordt opgetreden, of indien er geen bereidheid tot naleven is, wordt overigens wel met een sanctie opgetreden.43 Hiermee wordt bewerkstelligd, mits de hoogte van de sanctie voldoende afschrikt, dat er alsnog een grote prikkel tot naleving bestaat. Dat dus niet direct met een sanctie wordt opgetreden is dan ook niet in strijd met het vereiste van afschrikwekkendheid. Bovendien is deze benadering van de overtreding van niet-kernbepalingen vanuit het vereiste van evenredigheid juist aan te moedigen.
Evenmin is het problematisch om bij niet-naleving na waarschuwingen en/of ‘compliance assitance’ met een last onder dwangsom op te treden.44 Weliswaar wordt bij een last onder dwangsom een begunstigingstermijn verleend,45 door het vooruitzicht van een mogelijke dwangsom wordt er een prikkel gegeven alsnog tot naleving over te gaan. De dwangsom dient uiteraard wel hoog genoeg te zijn om een prikkel tot naleving te geven. De Beleidsregels I&;M 2016 bieden hier voldoende ruimte voor. 46
Van belang is nog de hierboven genoemde situatie dat een overtreding (bijvoorbeeld een of meerdere non-conformiteiten in het emissieverslag) leidt tot een emissieverslag dat niet als bevredigend kan worden geverifieerd. In dat geval is het de vraag of tegen zowel de non-conformiteit, als het indienen van een niet-bevredigend emissieverslag, handhavendkan worden opgetreden. Hoewel het hier de overtreding van twee verschillende bepalingen betreft,47 en op grond van artikel 5: 8 Awb dus in beginsel ten aanzien van beide overtredingen handhavend kan worden opgetreden, gaat het hier wel een eendaadse samenloop en verzet het evenredigheidsbeginsel zich tegen een cumulatie van sancties. Immers, zowel de verplichting tot het indienen van een geverifieerd emissieverslag, als de verplichting emissies bij te houden conform het MP, streven het overkoepelende doel van een volledige, consistente, transparante en nauwkeurige monitoring en rapportage van broeikasgasemissies na.48 Aangezien in het geval van een eendaadse samenloop een bestuurlijke sanctie niet ten aanzien van beide overtredingen mag worden opgelegd,49 zal in dergelijke gevallen door het bestuur van de emissieautoriteit dus een keuze moeten worden gemaakt. Gezien het tijdig inleveren van een geverifieerd emissieverslag in de beleidsregels van de Minister is gekwalificeerd als een essentiële verplichting en het overtreden daarvan kwalificeert als een zware overtreding,50 ligt het voor de hand dan ten aanzien van het niet inleveren van een geverifieerd emissieverslag met een bestuurlijke sanctie op te treden.
Uiteraard kan voor een overtreding ook een bestuurlijke boete worden opgelegd. De Beleidsregels I&M 2016 geven hier ook richting aan de hoogte die een boete bij specifieke overtredingen mag hebben. Ook voor deze boetes geldt dat het bereik dat door de beleidsregels wordt gegeven voldoende ruimte biedt voor een afschrikwekkend handhavingsbeleid.
Voor het opleggen van boetes geldt de volgende formule (Beleidsregels I&M 2016): Boete = Vast bedrag + Variabel bedrag * Correctiefactor + Economisch voordeel. Daarbij is het vaste bedrag vastgesteld op € 5.000,-.51 Uit deze formule volgt dat een boete het economisch voordeel ontneemt, daarbovenop een bedrag van € 5.000,- oplegt + een variabel bedrag. Van belang daarbij is dat een verwijtbare overtreding die niet uit eigen beweging wordt gemeld en beëindigd een correctiefactor van minimaal de waarde 1 oplevert.52 Het variabele bedrag hangt onder meer af van de vraag of er een kwantificeerbaar effect is (effect dat in tonnen CO2 is uit te drukken). In geval van een kwantificeerbaar effect wordt voor het variabele bedrag aangesloten bij de waarde van het betreffende aantal ton CO2, bepaald aan de hand van de prijs van emissierechten, vermenigvuldigd met een factor tussen 1 en 4 (pregoratief van het bestuur van de NEa). Het variabele bedrag kan vervolgens nog worden bijgesteld aan de hand van de omvang van de inrichting (opnieuw een pregoratief van het bestuur van de NEa), waarbij het uitgangspunt is dat grotere emittenten zwaarder moeten worden bestraft, gezien hun grotere verantwoordelijkheid.53 Waar een overtreding zowel een kwantificeerbaar als niet-kwantificeerbaar effect heeft moeten de beleidsregels voor het kwantificeerbare effect worden toegepast.54
In de praktijk worden eveneens binnen de bandbreedte van de Beleidsregels I&;M (destijds nog de oude beleidsregels I&M 2011, de beleidsregels I&M 2016 zijn pas in werking getreden op 1 oktober 2016)55 aanzienlijke boetes opgelegd voor overtredingen. Ten behoeve van dit onderzoek is het volgende overzicht door de NEa verstrekt: 56
Interessant is de boete opgelegd voor de schending van de inleverplicht en het te laat inleveren van een emissieverslag. Deze boete is opgelegd ten aanzien van Asfaltproductie Rasenberg Wegenbouw B.V., zo is te herleiden uit een persbericht van De Telegraaf.57 Wanneer wordt uitgegaan van dit persbericht, blijkt Asfaltproductie Rasenberg Wegenbouw B.V. in het geheel geen emissierechten te hebben ingeleverd. Uit het emissieoverzicht over 2013 van de NEa blijkt dat de totale uitstoot van Asfaltproductie Rasenberg Wegenbouw B.V. over 2013, 2971 ton CO2(e) te zijn geweest.58 Uitgaande van een boetebedrag van € 100,- per ton CO2, de consumentenprijsindex even buiten beschouwing gelaten, zou dit neerkomen op een boete van € 297.100,-. Dit zou betekenen dat ten aanzien van de overtreding op tijd een emissieverslag in te leveren een boete van maximaal € 5.358,68 is opgelegd.59 Gezien de forse boete die reeds is opgelegd voor de overtreding van de inleverplicht, en het feit dat de naam van de drijver zal worden gepubliceerd,60 is deze relatief lage boete in het kader van het evenredigheidsbeginsel verdedigbaar.
Verder kan worden gesignaleerd dat fouten en/of non-conformiteiten in de CO2-monitoring fors beboet worden.61 Ook de overlegging van onjuiste allocatiegegevens werd fors beboet (€ 40.000,-).62 Bijzonder is verder de boete van € 3000,- voor een fout van een N2O-meetbureau. Deze boete kwam ten laste van het meetbureau en niet de drijver.63 Dit is verklaarbaar vanuit de regelgeving omtrent metingen. Voor N2O-emissies is namelijk voorgeschreven dat deze via metingen moeten worden bijgehouden.64 Wat betreft de kalibratie van meetapparatuur wordt voorgeschreven dat dit door een laboratorium dient te worden verricht.65 Voor dit laboratorium zijn kwaliteitseisen voorgeschreven door artikel 42 lid 2 Verordening (EU) 601/2012. Wanneer een exploitant voldoet aan deze regelgeving en zijn meetapparatuur dus door een dergelijk laboratorium laat kalibreren, voldoet de exploitant aan de voor hem geldende regelgeving. Indien het laboratorium vervolgens fouten maakt in de kalibratie is dat een overtreding van dit laboratorium voor de mede aan hem gerichte verplichting van artikel 42 lid 1 Verordening (EU) 601/2012. Deze overtreding kan door het bestuur van de NEa worden beboet op grond van artikel 18.5 lid 2 jo artikel 18.16a Wm.
De overtreding van de vergunningplicht betrof een relatief kleine inrichting (categorie A in de zin van artikel 19 Verordening (EU) 601/2012).66 Dit betekent dat deze inrichting jaarlijks hooguit 50 000 ton CO2(e) per jaar uitstoot. De boete van € 17.660,- kan dan als afschrikwekkend worden gekwalificeerd. Immers, de drijver zal ook nog aan de vergunningplicht moeten voldoen en vervolgens emissierechten moeten inleveren over de uitstoot van de inrichting. De boete vrijwaart de inrichting immers niet van deze verplichtingen, en komt dus als een extra kostenpost ten laste van de drijver.67
Samenvattend kan worden gesteld dat er een goede pakkans is wat betreft potentiële overtreders en dat overtredingen relatief zwaar worden bestraft.