Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/2.6.1
2.6.1 Recht in vorm: het rapport van de Commissie Moons
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS616703:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Commissie Moons 1993, p. 9.
Ook adviseerde de Commissie over verruiming van de mogelijkheid tot wijziging van de tenlastelegging, herijking van wettelijke nietigheden en over de voorlopige hechtenis.
Commisse Moons 1993, p. 9.
Commissie Moons 1993, p. 24.
Commissie Moons 1993, p. 2-3. Zie nader hierover par. 8.2.1.
Commissie Moons 1993, p. 54.
Commissie Moons 1993, p. 54-55.
Commissie Moons 1993, p. 24. Daarop valt af te dingen dat niet voor elk van de door de Commissie Moons genoemde rechtsdoelen van bewijsuitsluiting geldt dat de berechting van de verdachte centraal staat.
Commissie Moons 1993, p. 26.
Commissie Moons 1993, p. 55. Art. 178 SvNA laat zien dat daarover ook anders kan worden gedacht.
Maatschappelijke onvrede over de wijze waarop in het strafrecht op vormfouten werd gereageerd vormde de aanleiding voor het onderzoek van de Commissie Moons naar ‘vormvoorschriften in het Wetboek van Strafvordering en de gevolgen van verzuim daarvan’.1 Dat onderzoek zag niet alleen, maar wel voor een belangrijk deel, op vormfouten in het voorbereidend onderzoek. 2 De samenvatting van het rapport van de Commissie onder de titel Recht in vorm, houdt onder meer het volgende in:
‘De commissie stelt een nieuwe verdeling voor tussen de taak van de wetgever en die van de rechter. Uitgangspunt is dat de wetgever de vormvoorschriften vaststelt en de rechter de rechtsgevolgen van schending ervan bepaalt. De gevolgen van het niet naleven van vormvoorschriften kunnen zeer uiteenlopen. In het ene geval kan de schending van een vormvoorschrift zonder gevolg blijven en in het andere geval zijn fundamentele belangen van de verdachte geschaad. De rechter kan beter dan de wetgever de in concreto in het geding zijnde belangen afwegen en, binnen de grenzen door de wetgever gesteld, de gevolgen ervan bepalen.
Op grond van dit uitgangspunt stelt de commissie in de eerste plaats voor het aantal vormvoorschriften dat door de wetgever met nietigheid is bedreigd drastisch te beperken. Alleen die vormvoorschriften waarvan schending in alle gevallen tot nietigheid moet leiden omdat geen geval denkbaar is waarin deze sanctie te zwaar is, dienen met formele nietigheid te worden bedreigd.
In de tweede plaats stelt de commissie voor de sancties die de rechter ter beschikking staan bij het bepalen van de rechtsgevolgen van schending van vormvoorschriften die niet met nietigheid zijn bedreigd een wettelijke grondslag te geven. Zo wordt voorgesteld strafverlaging, bewijsuitsluiting en nietontvankelijkheid van het openbaar ministerie een plaats te geven in het Wetboek van Strafvordering. De commissie stelt echter voorop dat schending van vormvoorschriften pas mag worden gesanctioneerd als herstel van het verzuim niet mogelijk is.’3
Deze visie op de nieuwe taakverdeling tussen wetgever en rechter, die aansloot op de ontwikkeling in de rechtspraak, baseerde de Commissie mede op de vaststelling dat de wet goeddeels zweeg over in het voorbereidend onderzoek begane onregelmatigheden en dat de ervaring had geleerd dat vormfouten in de praktijk te divers zijn om de gevolgen ervan in de wet vast te leggen. Dat leidt tot een te rigide stelsel. De rechter bevindt zich in een veel betere positie om in concrete gevallen de voor een evenwichtige reactie noodzakelijke belangenafweging te maken. Hiertoe dienden de in de rechtspraak tot ontwikkeling gekomen reacties op vormfouten te worden gecodificeerd. Ten eerste, zo betoogde de Commissie Moons, omdat het legaliteitsbeginsel een wettelijke basis vergde en ten tweede om de rechter een onbetwiste legitimatie te verschaffen voor zijn beslissingen omtrent de toepassing van deze reacties, die immers veel kritiek had ondervonden vanuit de maatschappij. 4
Over de doeleinden van de verschillende mogelijke reacties en hun daarmee nauw samenhangende precieze toepassingsbereik zei de Commissie niet zo veel. Zij overwoog – ook na verschillende rubriceringen van soorten vormfouten te hebben beproefd – niet erin te zijn geslaagd maatstaven te formuleren aan de hand waarvan de rechter gemakkelijk kan vaststellen voor welke ‘sanctie’ hij in concrete gevallen moet kiezen. Omdat een dergelijke rubricering van vormfouten geen begaanbare weg bleek te zijn, koos de Commissie ervoor te volstaan met het in opklimmende zwaarte ordenen van de mogelijke rechtsgevolgen en het formuleren van de factoren waarmee de rechter bij zijn keuze rekening moet houden.5
De beperkte overwegingen van de Commissie over het toepassingsbereik van de verschillende mogelijke reacties komen op het volgende neer. Strafvermindering kan worden toegepast als het door het vormverzuim ontstane nadeel hierdoor redelijkerwijs kan worden vereffend, bijvoorbeeld bij overschrijding van de redelijke termijn, maar niet bij een ernstige beperking van de verdedigingsmogelijkheden.6 Niet-ontvankelijkverklaring van het OM kan worden uitgesproken indien als gevolg van het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet. Het verzuim moet zo ernstig zijn dat niet met strafvermindering of bewijsuitsluiting kan worden volstaan, bijvoorbeeld in geval een vervolging heeft plaatsgevonden in flagrante strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Het meest uitvoerig zijn de overwegingen van de Commissie over bewijsuitsluiting. Vooropgesteld werd dat er een direct causaal verband moet zijn tussen het verzuim en de bewijsverkrijging, wil deze reactie in aanmerking komen. Vervolgens werd opgemerkt:
‘ De commissie wijst er op dat over het algemeen de volgende argumenten worden aangevoerd voor toepassing van bewijsuitsluiting:
onrechtmatig gedrag bij de opsporing van strafbare feiten kan het beste worden voorkomen door dergelijk gedrag geen effect te laten hebben voor de zaak;
de overheid mag niet profiteren van eigen onrechtmatig gedrag, omdat daardoor de geloofwaardigheid van de rechtsorde zou worden aangetast: de integriteit van de rechtspleging staat op het spel;
het illegaal handelen van de overheid dat de grondrechten van de verdachte aantast, mag niet tegen hem worden ingebracht, omdat hij aldus in die grondrechten zou worden gekort.
Onderscheid wordt wel gemaakt tussen rechtsgrond en rechtsdoel van de bewijsuitsluiting. De grondslag is dan gelegen in de beginselen van de rechtsstaat, namelijk legaliteit van de gevallen waarin de overheid mag optreden en van de bevoegdheden die daarbij mogen worden uitgeoefend. Het doel is het zo mogelijk herstel van de oude toestand bewerkstelligen en normconform gedrag van functionarissen bevorderen.
De commissie acht het niet de taak van de wetgever om aan te geven welk principe of welk doel voorop dient te staan. Zij acht het de taak van de rechter deze sancties binnen de bij de wet gestelde grenzen naar eigen inzicht toe te passen. De commissie acht de tijd nog niet rijp voor een verdergaande codificatie van dit leerstuk. Zo zijn het begrip “Schutznorm” en de daaraan te stellen eisen nog onvoldoende uitgekristalliseerd om deze wettelijk vast te leggen.’7
De Commissie Moons schiep dus niet veel meer duidelijkheid, behalve dan over het feit dat het in haar visie de rechter was die hier de lijnen moet uitzetten en moet zorgen voor het waarborgen van de rechtseenheid. Het reactiepalet van art. 359a Sv zou in concrete gevallen steeds een evenredige reactie mogelijk maken.
Volgens de Commissie Moons was voor disciplinaire bestraffing van degene die de vormfout beging binnen het strafproces geen plaats, omdat in het strafproces een beslissing moet worden genomen over de verdachte. Voor zover de strafrechter oordeelt over fouten van politie of OvJ, doet hij dit altijd met het oog op de berechting van de verdachte, aldus de Commissie.8 Ook een aparte bezwaarschriftprocedure waarin naar het voorbeeld van de Amerikaanse ‘pre-trial procedure’ voorafgaand aan de inhoudelijke berechting van de verdachte wordt beslist op verweren over onrechtmatig verkregen bewijs, wees de Commissie af, onder meer omdat dat niet in het Nederlandse systeem van strafvordering past. Daarvoor werden als argumenten genoemd, dat het zich met de taak van de zittingsrechter om de waarheid te vinden niet verdraagt dat hem stukken worden onthouden, dat de wetgever er vanuit gaat dat de rechter in staat is buiten beschouwing te laten wat buiten beschouwing moet blijven, dat een bezwaarschriftprocedure niet garandeert dat onrechtmatig verkregen bewijs niet ter kennis van de rechter komt (bijvoorbeeld via de benadeelde partij), dat de bezwaarschriftprocedure niet dwingend kan worden voorgeschreven, zodat alsnog ter terechtzitting verweer kan worden gevoerd, terwijl het bestaan van een dergelijke procedure de plicht ambtshalve de rechtmatigheid van het bewijs te toetsen niet wegneemt en een dergelijke afzonderlijke procedure tot vertraging zou leiden.9
Het invoeren van de mogelijkheid tot het toekennen van schadevergoeding aan degene die van een vormfout schade ondervond, werd ook afgewezen. Schadevergoeding verschilt volgens de Commissie Moons wezenlijk van de overige reacties van art. 359a Sv, omdat geen verrekening plaatsvindt met de beslissingen in de strafzaak. Hoewel ik geneigd ben dat juist als een groot voordeel te zien, omdat dan geen ongelijke grootheden tegen elkaar uitgewisseld behoeven te worden, keek de Commissie Moons daar klaarblijkelijk anders tegenaan. Zij wees erop dat niet duidelijk is hoe ‘deze sanctie’, daarmee doelend op schadevergoeding, zich verhoudt tot het recht op schadevergoeding als het verzuim jegens hem een onrechtmatige daad oplevert en tot het recht van de verdachte op schadevergoeding wegens bijvoorbeeld het ondergaan van andere dwangmiddelen. Voorts zou invoering van deze mogelijkheid teveel afleiden van waar het in het strafproces om moet gaan en zou zij een onwenselijke omkering van de rollen – verdachte als slachtoffer van OM als dader – teweeg kunnen brengen.10 In hoofdstuk 9 kom ik hierop terug.