Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/1.3.1
1.3.1 Nieuwe eisen aan de rechtspraak
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS614264:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel ook eisen gelden voor de strafmotivering en al jaren door OM en rechter initiatieven worden ontplooid om rechtsongelijkheid t.a.v. de strafmaat te vermijden, kan dit verschil worden begrepen in het licht van het feit dat straffen i.v.m. het vergeldingsdoel voor een deel een minder instrumenteel karakter heeft dan reageren op vormfouten. Iets moeilijk meetbaars als vergelding is geen doeleinde van het reageren op vormfouten.
De Lange & Reijntjes 2011, p. 24, stellen dat de strafrechter ‘zich niet louter door het concrete door hem te beslissen geval zal (en mag) laten leiden; wat hij in het ene geval beslist, zal hij – wil hij niet het verwijt van willekeur verdienen – in het andere geval herhalen. In zoverre doet hij niet alleen aan politiek, maar ook aan beleid’.
In het op 2 november 1996 ingevoerde art. 359a Sv werd bepaald dat de rechter per concreet geval dient te bepalen welk rechtsgevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden, maar vooral ook dat de rechter daarbij steeds een afweging moet maken op basis van het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Door de rechter te dwingen rekening te houden met de omstandigheden van het geval en de verschillende betrokken belangen, kon de toepassing van onevenredig ingrijpende rechtsgevolgen voortaan worden voorkomen, zo was de gedachte achter deze bepaling.
Art. 359a Sv stelde nieuwe eisen aan de rechtspraak, zowel inhoudelijk als wat betreft de motivering van de beslissingen. Een reflexmatige rigide toepassing van reacties op vormfouten op grond van onuitgesproken argumenten behoort door de invoering van deze bepaling tot het verleden. Dat betekent niet dat de in de literatuur ontwikkelde argumenten geen rol meer spelen. Integendeel. Nog steeds is het handhaven van een behoorlijke opsporing van wezenlijk rechtsstatelijk belang, net als het bieden van rechtsbescherming aan verdachten, maar nu kan ook een plaats krijgen in de belangenafweging dat daar andere belangen tegenover kunnen staan, bijvoorbeeld het belang van de samenleving en het slachtoffer bij berechting. Ook daaraan behoort in een rechtsstaat recht te worden gedaan. Ook dat is een belangrijke vorm van rechtsbescherming. Door art. 359a Sv wordt de zittingsrechter gedwongen de aan zijn beslissing ten grondslag liggende belangenafweging in het vonnis uiteen te zetten en veel preciezer dan voorheen te motiveren aan de hand van de in het tweede lid genoemde factoren. De wet stuurt de motivering sterker dan bijvoorbeeld het geval is bij het bepalen van de strafmaat, waarbij ook verschillende doeleinden een rol kunnen spelen en de rechter evenzeer een grote beoordelingsruimte heeft.1
Art. 359a Sv dwingt er in feite toe telkens de vraag te beantwoorden waarom de toepassing van een bepaald rechtsgevolg noodzakelijk is, ofwel, waarom het evenredig is de nadelen daarvan te aanvaarden. Tegelijk laat art. 359a Sv de beantwoording van die vraag geheel aan de rechter over. Dat kan, bij uiteenlopende opvattingen over wat noodzakelijk is, die voortvloeien uit verschillende opvattingen over de taak van de zittingsrechter en over het gewicht van de door hem in aanmerking te nemen belangen, gemakkelijk tot onwenselijke rechtsongelijkheid leiden. Zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat de rechtspraak – vooral bij toepassing van ingrijpende reacties – zonder valide reden uiteenloopt.2 Het is niet goed als van persoonlijke opvattingen van de rechter die de OvJ en de verdachte toevallig treffen afhankelijk kan zijn of een bepaald vormverzuim leidt tot bewijsuitsluiting met vrijspraak tot gevolg, of tot het volstaan met de constatering van het verzuim. Dat riekt naar willekeur3 en doet afbreuk doet aan de legitimiteit en aan het gezag van de beide uitkomsten in een soortgelijk geval. Onduidelijkheid over de omvang van de door de zittingsrechter uit te oefenen controle en over welke vormfouten in het strafproces tot een bepaald rechtsgevolg kunnen leiden, ondergraaft ook de efficiëntie van de procesvoering (waar te ruim wordt gecontroleerd) en kan ertoe leiden dat rechtsbescherming structureel tekort schiet (waar te beperkt wordt gecontroleerd).