Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/6.3.3
6.3.3 Vaststellen van de begroting voor 1 januari
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.3.2.3.
Het is echter onduidelijk wat hiermee bedoeld wordt en in welke gevallen dus kan worden teruggevallen op de uitgestelde begrotingsprocedures. Of agenda-technische problemen in de Kamers hier ook onder vallen is maar de vraag. Zie ook paragraaf 5.4.2.
Rapport commissie voor de Rijksuitgaven 2014, p. 22.
Zie bijvoorbeeld vragen van de Eerste Kamer over de Europese voorstellen COM(2011) 819 en COM(2011) 821 (nu het Two Pack), Kamerstukken I 2011/12, 33 181, nr. A, met name p. 7 en 8, nr. B en Kamerstukken I 2012/13, 33 181, nr. C. Zie ook Kamerstukken II 2013/14, 33 750, nr. U.
De commissie voor de Rijksuitgaven in de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2014/15, 31 865, nr. 67 Herdruk), het BOR (Rapport Bureau Onderzoek en Rijksuitgaven 2015), de Eerste Kamer (Kamerstukken I 2014/15, 34 000, nr. N) en de Minister van Financiën (Bijlage bij Kamerstukken I, 34 000, nr. N) hebben daartoe verschillende voorstellen gedaan.
Kamerstukken II 2014/15, 31 865, nr. 67 Herdruk, p. 9.
Kamerstukken II 2014/15, 31 865, nr. 67 Herdruk, p. 2.
Volgens artikel 65 Grondwet vindt Prinsjesdag immers plaats op de derde dinsdag van september ‘of op een eerder bij wet te bepalen tijdstip’.
Artikel 2.23 Comptabiliteitswet 2016. Aanvankelijk had de minister Prinsjesdag niet opgenomen in de wet, omdat de dag van de indiening van de wetsvoorstellen reeds is vastgelegd in artikel 65 Grondwet. De Tweede Kamer hecht er echter waarde aan om ook Prinsjesdag wettelijk te verankeren en daarom is per amendement Prinsjesdag alsnog in het wetsvoorstel neergelegd. Zie Kamerstukken II, 34 426, nr. 11 (amendement De Vries en Vermue).
Kamerstukken II 2014/15, 31 865, nr. 67 Herdruk, p. 9.
Zo kwam de commissie voor de Rijksuitgaven tot de conclusie dat het inkorten van de vergaderweken tot tien weken (normaal gesproken waren dit er dertien waardoor de stemmingen in de laatste week voor het kerstreces plaatsvonden) leidt tot een ‘te krap keurslijf’, Kamerstukken II 2014/15, 31 865, nr. 67 Herdruk, p. 1.
Bijlage bij Kamerstukken I 2014/15, 34 000, nr. N.
Rapport commissie voor de Rijksuitgaven 2014, p. 22 en 23.
Rapport Bureau Onderzoek en Rijksuitgaven 2015, p. 29 en 32. Ook in de Tweede Kamer zijn er stemmen opgegaan voor het houden van een meer integraal debat in het voorjaar, Kamerstukken II 2013/14, 33 670, nr. 9, p. 22.
Zie paragraaf 5.4.2.
Dit geldt in ieder geval voor de stemming over de begrotingswetsvoorstellen 2014 in december 2013 en de stemming over de begrotingswetsvoorstellen 2016 en 2017 in respectievelijk december 2015 en 2016. De stemming over de begrotingswetsvoorstellen 2015 vonden plaats in de laatste week van november. Hierover oordeelde de commissie voor de Rijksuitgaven echter dat dit een te krap tijdschema was waardoor de behandeling in een ‘te krap keurslijf’ werd gestopt. Zie Kamerstukken II 2014/15, 31 865, nr. 67 Herdruk, p. 1.
Dit geldt in ieder geval voor de begrotingswetsvoorstellen voor 2016 en 2014 waarvan de goedkeuring plaatsvond in respectievelijk december 2015 en december 2013. De begrotingswetsvoorstellen voor 2015 werden niet allemaal voor 1 januari goedgekeurd. De stemming over het begrotingswetsvoorstel voor Veiligheid en Justitie 2016 vond pas plaats in januari 2016, Handelingen I 2014/15, item 17, nr. 7.
Kamerstukken I 2014/15, 34 000, nr. N, p. 2. Zie bijvoorbeeld de stemmingen over het begrotingswetsvoorstel voor Veiligheid en Justitie in 2015, Handelingen I 2014/15, item 16, nr. 3 en Handelingen I 2014/15, item 17, nr. 7.
In de begrotingspraktijk komt het geregeld voor dat de Eerste Kamer de ontwerpbegrotingswetten niet voor 1 januari heeft vastgesteld.1 Volgens Verordening (EU) 473/2013 dient de begroting echter voor het einde van het jaar te worden vastgesteld, tenzij er sprake is van ‘objectieve redenen buiten de macht van de overheid’.2 Dit zorgt voor druk op het begrotingsproces. De begrotingsprocedures dienen immers aangepast te worden om ervoor te zorgen dat de begroting voor 1 januari is vastgesteld. Dit dient echter te gebeuren zonder dat het ten koste gaat aan de betekenisvolle betrokkenheid van het parlement bij de begrotingsbehandeling in het najaar.
De commissie voor de Rijksuitgaven in de Tweede Kamer is van mening dat de Europese regelgeving zorgt voor ‘aanvaardbare toegenomen tijdsdruk bij de Staten-Generaal om de begroting aan te nemen.’3 De Eerste Kamer heeft daarentegen meerdere keren haar zorgen geuit over de begrotingsbehandeling en het feit dat de rol van de Eerste Kamer in het begrotingsproces en daarmee de autorisatiefunctie van het budgetrecht, mogelijk in het nauw komt.4
Er zijn een aantal mogelijkheden denkbaar voor het versnellen van de begrotingsbehandeling.5 Zoals het vervroegen van Prinsjesdag6 of het treffen van een embargoregeling met het kabinet.7 Hoewel artikel 65 Grondwet het vervroegen van Prinsjesdag mogelijk maakt,8 vergt het echter wel een wetswijziging. Bovendien is de derde dinsdag van september per amendement opgenomen in het wetsvoorstel Comptabiliteitswet 2016 als datum voor het indienen van de begrotingswetsvoorstellen en de Miljoenennota.9
Daarnaast is het ook een optie om de vergaderdagen voor de behandeling van de begroting in de Tweede Kamer uit te breiden10 of het aantal vergaderweken voor de behandeling in te korten.11 Als de Kamer het aantal vergaderdagen uitbreidt kan dit eventueel ten koste gaan van andere inhoudelijke dossiers. Het inkorten van het aantal vergaderweken kan, als de vergadertijd teveel wordt ingekort, leiden tot teveel tijdsdruk bij de behandeling van de begroting waardoor de informatiepositie van de Tweede Kamer in het gedrang komt.12
Het zou ook een mogelijkheid zijn om in de Tweede Kamer één voor één te stemmen over de begrotingshoofdstukken waardoor de Eerste Kamer eerder over de ontwerpbegrotingen kan beschikken.13 Ook dit doet volgens de commissie voor de Rijksuitgaven afbreuk aan de allocatiefunctie van de Tweede Kamer omdat dit een integrale beoordeling van amendementen moeilijker maakt en het schuiven van middelen tussen de verschillende hoofdstukken een stuk moeilijker maakt.14
Verder heeft het BOR de mogelijkheid geopperd om het parlement in het voorjaar te laten debatteren met het kabinet over de hoofdlijnen van de uitgavenkant van de begroting, waardoor er in het najaar minder uitgebreid over het algemene begrotingsbeleid hoeft te worden gedebatteerd. Daarvoor zou het Stabiliteitsprogramma kunnen worden uitgebreid met de besluitvorming uit het hoofbesluitvormingsmoment in het voorjaar dat nu plaatsvindt nadat het programma is opgesteld.15 Als een dergelijk debat in het voorjaar wordt gehouden zouden het nationale begrotingsproces en het Europees Semester meer synchroon lopen omdat de Commissie in haar beoordeling van het Stabiliteitsprogramma en het opstellen van de landenspecifieke aanbevelingen het hoofdbesluitvormingsmoment in het voorjaar kan meenemen.16 Voor de Tweede Kamer betekent dit dat zij al in het voorjaar in debat kan treden met de regering over het hoofdbesluitvormingsmoment. Dit zou de allocatiefunctie van het budgetrecht van de Tweede Kamer kunnen versterken.
In de praktijk heeft de Tweede Kamer de behandeling van de begroting versneld doordat de Kamer het aantal vergaderweken heeft ingekort en twee weken eerder dan gebruikelijk stemt over de ontwerpbegrotingen, namelijk in de eerste week van december.17 Dit heeft ervoor gezorgd dat de Eerste Kamer de begrotingen in de regel voor 1 januari goedkeurt.18 Hiermee lijkt voor zover mogelijk tegemoet te worden gekomen aan de allocatiefunctie van het budgetrecht van de Tweede Kamer en de autorisatiefunctie van het budgetrecht van de Eerste Kamer. Dit betekent echter wel dat er strak gehouden dient te worden aan het behandelschema voor de ontwerpbegrotingen. Wanneer de Eerste Kamer echter een beleidsdebat wil houden over de begroting met de minister voordat ze de begroting goedkeurt om ‘politieke druk op de ketel’ te houden, zal het gelet op de tijdsdruk niet altijd mogelijk zijn om de betreffende departementale begroting voor 1 januari goed te keuren. De Eerste Kamer zal, als dat niet lukt, een beroep moeten doen op de uitgestelde begrotingsprocedures.19