Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.0:8.0
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.0
8.0
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS619065:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 2.6.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het vorige hoofdstuk stond in het teken van de wijze waarop in de rechtspraak van de Hoge Raad is vormgegeven aan de controle die de zittingsrechter uitoefent op het voorbereidend onderzoek met het oog op de mogelijke toepassing van rechtsgevolgen als reactie op vormfouten. In dit hoofdstuk staat de rechtspraak van de Hoge Raad over toepassing van de verschillende mogelijke rechtsgevolgen centraal. In hoofdstuk 2 is de initiële ontwikkeling van niet-ontvankelijkverklaring van het OM, bewijsuitsluiting en strafvermindering belicht en is de codificatie in art. 359a Sv behandeld van deze mogelijke rechtsgevolgen en is de noodzaak van een evenredige toepassing besproken. In hoofdstuk 3 is onder meer aandacht besteed aan de samenhang tussen reacties die binnen het strafproces aan vormfouten kunnen worden verbonden en reacties die buiten dat kader kunnen volgen en in hoofdstuk 4 zijn de effecten belicht waarmee de Hoge Raad bij de vormgeving van zijn rechtspraak over de toepassing van deze rechtsgevolgen rekening moet houden en zijn redenen de revue gepasseerd die een rol kunnen spelen bij de keuze voor een bepaald soort maatstaf of bij het al dan niet ontwikkelen van prophylactic rules.
In dit hoofdstuk wordt de huidige rechtspraak over het toepassingsbereik van niet-ontvankelijkverklaring van het OM, bewijsuitsluiting en strafvermindering nader geanalyseerd. Daarbij komt ook de in sommige situaties bestaande mogelijkheid te volstaan met de constatering van een vormfout aan de orde. De gevallen waarin deze reacties in aanmerking komen, worden zoveel mogelijk gecategoriseerd. Op die manier kunnen verschillende niet-ontvankelijkheidsregels (Zwolsman, Karman), bewijsuitsluitingsregels (6 EVRM, ingrijpende inbreuk op grondrechten, structurele vormfouten) en gronden voor strafvermindering (overschrijding redelijke termijn, compensatie van ander nadeel) worden onderscheiden. Met het oog op de voor evenredigheid tussen vormfout en rechtsgevolg noodzakelijke (verdere) toepassing van de in hoofdstuk 6 beschreven doel-middel benadering, wordt geanalyseerd welke doeleinden de strafrechter volgens de huidige rechtspraak met welke middelen geacht wordt te dienen en wordt geprobeerd licht te werpen op de afweging van voor- en nadelen die daaraan ten grondslag ligt. Bij de analyse van de bestaande rechtspraak staan de volgende vragen centraal, die voortvloeien uit de in hoofdstuk 6 onderscheiden aan de rechtspraak te stellen eisen: Zijn de doeleinden van de verschillende mogelijke reacties op vormfouten voldoende in de rechtspraak van de Hoge Raad geëxpliciteerd? Worden die doeleinden op een effectieve en efficiënte wijze bereikt en zonder onevenredige inbreuk op de uiteenlopende bij het strafproces betrokken belangen? Laat het rechterlijk beoordelingskader voldoende ruimte en geeft het voldoende richting om in concrete gevallen tot een passende reactie op een vormfout te komen? Laat de motivering van rechterlijke uitspraken te wensen over?
Hierna wordt eerst ingegaan op de terughoudendheid die de Hoge Raad in navolging van de wetgever1 als uitgangspunt heeft geformuleerd (par. 8.1) en op de wegingsfactoren die bij het reageren op vormfouten in het algemeen een rol spelen (par. 8.2). Daarna komt de rechtspraak aan de orde over niet-ontvankelijkverklaring van het OM (par. 8.3), bewijsuitsluiting (par. 8.4) en strafvermindering (par. 8.5).