Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/1.2.0
1.2.0 Inleiding
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661236:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Zie Damen 2018, p. 90 die met vele voorbeelden laat zien hoe ‘twee werelden met elkaar schuren en zelfs botsen: de leefwereld van een gewone burger en de harde juridische realiteit van het systeem.’
Happé 1996, p. 164; Overdijk 1993, p. 60, die beschrijft dat de inspecteur soms afwijkt van hetgeen in voorlichting is beschreven, dan ontstaat er volgens hem een probleem.
Over dit thema schreef ik eerder in o.a. Cramwinckel 2020, Cramwinckel 2016a, Cramwinckel 2014a, Cramwinckel 2014b, Cramwinckel 2013. In dit onderzoek bouw ik hierop voort.
Zie paragraaf 2.3.1.1, 6.3. Vertalen vat ik in dit onderzoek op als een technisch begrip voor het omzetten van fiscale wet- en regelgeving naar een ander register (stijl, woordgebruik, terminologie, structuur, etc. dat passend is bij een bepaalde situatie). Vgl. Steehouder en Jansen 1989a, p. 16 die spreken over de ‘vertaalslag’ die schrijvers van voorlichtingsteksten moeten leveren om formeel-juridische wetteksten begrijpelijk te maken voor de burger.
Zie paragraaf 2.5, 3.3. Zie Taal- en Tekstafspraken Belastingdienst 2014, onderdeel ‘Communicatierichtlijnen voor Belastingdienstteksten’ 2014, p. 4: ‘[Z]org voor een goede balans tussen juridische juistheid en begrijpelijkheid. We willen teksten die fiscaal juist zijn én in duidelijke taal zijn geformuleerd. Het één hoeft niet ten koste te gaan van het ander.’
Happé 1996, p. 164.
In HR 5 november 2021, nr. 20/03173, BNB 2022/10 herziet de Hoge Raad wel een deelaspect van zijn koers (het dispositievereiste). Ik bespreek dit verderop (paragraaf 4.3.1, 4.3.4).
Het juridische leerstuk dat centraal staat in dit onderzoek is het vertrouwensbeginsel. Dit leerstuk komt aan de orde in gevallen waarin de Belastingdienst anders handelt dan de burger had verwacht. Zo kan voorlichting bij de burger verwachtingen wekken over de gedragslijn van de Belastingdienst, terwijl de burger juridisch bezien in de regel daarop niet kan vertrouwen. Het perspectief van de burger botst dan met het juridisch perspectief.1 Een dergelijke situatie kan zich voordoen in het geval waarin de inspecteur bij het opleggen van de aanslag niet handelt conform die verstrekte informatie, maar terugvalt op (een andere uitleg van) de wet, bijvoorbeeld omdat die voorlichting achteraf onjuist of onvolledig bleek.2 De focus ligt dus op ‘probleemgevallen’ (paragraaf 1.5.4).
Bezien vanuit het karakter van voorlichting en de complexiteit van het belastingrecht, is goed te verklaren dat dergelijke situaties kunnen ontstaan.3 In de ‘vertaalslag’4 van complexe fiscale materie naar toegankelijke informatie voor burgers moet de Belastingdienst balanceren tussen enerzijds de eis van juridische juistheid en anderzijds de eis van begrijpelijkheid. Dat is een uitdaging en het brengt risico’s mee.5 Terecht constateert Happé bij de uitvoering van de voorlichtende taak door de Belastingdienst een spanningsveld:
‘Waar het aldus algemeen als een belang van zowel burgers als belastingadministratie wordt gezien dat de laatste zich op uitgebreide schaal van haar voorlichtende taak kwijt, roept het daarmee onvermijdelijk het spanningsveld op tussen enerzijds het vertrouwen dat door de voorlichting bij de burgers wordt opgewekt en anderzijds het risico dat aan diezelfde voorlichting onvolkomenheden zijn verbonden.’6
De huidige koers van de Hoge Raad, die zijn oorsprong vindt in 1979 en waarvan het uitgangspunt onlangs is bestendigd in het arrest HR 5 november 2021, BNB 2022/107, heeft tot gevolg dat het risico op onjuiste en/of onvolledige voorlichting in beginsel bij de burger ligt. Dat betekent dat de Belastingdienst in de regel niet wordt gebonden aan zijn voorlichting en dat de verwachtingen bij de burger in de regel niet worden beschermd. In dit boek wordt deze koers kritisch tegen het licht gehouden. Daarvoor bestaan goede redenen, die ik hierna toelicht.