Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.5.3
4.5.3 Rechtvaardiging door het stelsel van de wet
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS500054:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Verhagen 2004, p. 139. Verhagen merkt op dat dit onderscheid reeds door de Romeinse rechtsgeleerden werd gemaakt. Vgl. ook PG Boek 6, p. 832-833. Het onderscheid tussen een rechtvaardiging voor een rechtsverkrijging en de verrijking die daarvan het gevolg is, moet ook worden gemaakt bij de vordering uit onverschuldigde betaling. Een voorbeeld maakt dit duidelijk. Stel dat A aan zijn bank opdracht geeft om een bedrag van zijn rekening af te schrijven en bij te boeken op de rekening van C. Per vergissing vult Ain plaats van het rekeningnummer van C het nummer in van de rekening van B. Als gevolg daarvan wordt de verkeerde rekening gecrediteerd. De bijschrijving bij B is geldig, en leidt tot een rechtsverkrijging omdat B een vordering verkrijgt op diens bank. Toch is de verrijking die daarvan het gevolg is niet gerechtvaardigd. Zij kan als onverschuldigd betaald worden teruggevorderd. Zie ook Snijders 1972, p. 176-181; zie voorts Verhagen 2004, die wijst op de overeenkomsten tussen het begrip ongerechtvaardigd in artikel 6:212 en (zonder) rechtsgrond in artikel 6:203; Verhagen betoogt dat beide begrippen dezelfde betekenis hebben.
Artikel 5:14 en 5:20.
Zie Wichers 2002, p. 120.
PG Boek 5, p. 113-114.
Zie onder andere PG Boek 6, p. 510; Asser/Hartkamp & Sieburgh 2011 (6-IV*), nr. 466; Linssen 2001, p. 510; Verhagen 2004, p. 138; zie voorts HR 24 september 2010, NJ 2010/508. Opmerking verdient ten aanzien van alle hier geciteerde vindplaatsen dat t.a.p. niet wordt betoogd dat de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking beperkt moet worden tot inbreuken op absolute rechtsposities.
De wettelijke bepaling is op het eerste gezicht niet altijd duidelijk. Zo wordt verschillend gedacht over de vraag of met de regeling van de verkrijgende verjaring beoogd is dat ook de bezitter te kwader trouw de verrijking die het gevolg is van de rechtsverkrijging mag behouden. Beekhoven van den Boezem (2000, 2007) betoogt dat een verkrijging op grond van verkrijgende verjaring een ongerechtvaardigde verrijking vormt. Zwalve meende dit aanvankelijk ook (1995) maar verdedigt thans (1996, 2006, 2007) dat een dergelijke verkrijging niet ongerechtvaardigd is. Ik stem met Zwalve in. De ratio van de bevrijdende verjaring is niet primair dat de bezitter te kwader trouw wordt beschermd, maar dat over een bepaalde, schijnbare juridische toestand na verloop van lange tijd (volgens artikel 3:106 is deze periode bij bezit te kwader trouw twintig jaar) niet meer geprocedeerd kan worden. Dit komt het algemene belang ten goede. Niet alleen omdat zo de werkelijke juridische toestand in overeenstemming wordt gebracht met de schijnbare toestand, maar ook omdat de mogelijkheid om te kunnen procederen op een gegeven moment – als lange tijd daarvan geen gebruik is gemaakt – moet ophouden te bestaan. Daarom verkrijgt ook de bezitter te kwader trouw na twintig jaar het recht waarvan hij het bezit pretendeert te hebben. Dat betekent volgens mij dat op grond van deze verjaringstermijn een rechtsverkrijging plaatsvindt, en dat de wetgever ook de verrijking van de bezitter te kwader trouw die daarin ligt besloten, heeft beoogd (zij het wellicht niet van harte).
Zie over dit voorbeeld ook Nieskens-Isphording 1998, p. 105; Linssen 2001, p. 586- 589; Van Maanen 2001, p. 32-33; zie ook voor een vergelijkbare casus: Hof ’s-Hertogenbosch 7 november 1995, NJkort 1995/58 en daarover Van Maanen 1998, p. 565-566; Kritisch: Nieskens-Isphording & Van der Put-Lauwers 2002, p. 489-491.
Wanneer wordt een verrijking gerechtvaardigd door het stelsel van de wet? Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moet een onderscheid worden gemaakt tussen een rechtvaardiging voor de verkrijging van een recht en een rechtvaardiging voor de vermogensverschuiving die daarbij optreedt.1 Vermogensverschuivingen door rechtsinbreuken vinden namelijk in sommige gevallen plaats als gevolg van wetsbepalingen die een rechtsverkrijging veroorzaken. De wetgever heeft echter niet in al die gevallen de vermogensverschuiving beoogd die het gevolg is van deze rechtsverkrijging. Dit doet zich bijvoorbeeld voor bij het leerstuk van de natrekking. Natrekking van een bestanddeel door een hoofdzaak vormt een inbreuk op het eigendomsrecht van de zaak die bestanddeel wordt. De wet rechtvaardigt hier de eigendomsverkrijging,2 omdat de wetgever daarmee een goederenrechtelijke ordening heeft willen aanbrengen. Het is namelijk onwenselijk dat een bestanddeel van een zaak een andere eigenaar zou hebben dan de zaak zelf; dit zou leiden tot rechtsonzekerheid en beperking van de verhandelbaarheid van de zaak.3 De wetgever heeft echter niet gewild dat de eigenaar van de hoofdzaak, die is verrijkt als gevolg van deze rechtsverkrijging ten koste van de eigenaar van de nagetrokken zaak, altijd zijn verrijking mag behouden.4
Ik meen – met anderen – dat een verrijking die het gevolg is van een rechtsverkrijging slechts wordt gerechtvaardigd door het stelsel van de wet indien de wetgever ook heeft gewild dat de verrijkte de verrijking mag behouden.5 Of de wetgever dit heeft beoogd, is een kwestie van uitleg van de regeling op grond waarvan het recht wordt verkregen.6
Volgens mij wordt de verrijking in ieder geval door de wet gerechtvaardigd als de verrijkte een recht heeft verkregen door een beroep te doen op een wettelijke beschermingsbepaling tegen aanspraken van de verarmde. In dat geval heeft de wetgever niet zozeer een goederenrechtelijke ordening willen aanbrengen, maar het belang van de verkrijger zwaarwegender geacht dan het belang van degene wiens aanspraken teniet zijn gegaan.
Een voorbeeld illustreert dit. Stel dat een koper te goeder trouw, C, een zaak geleverd krijgt van B. Anders dan C denkt, is niet B, maar A eigenaar van de zaak. C heeft derhalve geleverd gekregen van een beschikkingsonbevoegde. In beginsel verkrijgt C daarom niet de eigendom van de zaak artikel 3:84 lid 1) en houdt hij een zaak van A onder zich. C kan echter een beroep doen op artikel 3:86, omdat hij te goeder trouw en om baat verkreeg van de beschikkingsonbevoegde B. C wordt op grond van deze beschermingsbepaling eigenaar van de zaak, zodat sprake is van een rechtsverkrijging door C ten koste van A. C wordt derhalve ten koste van A verrijkt.
De bescherming van C die de wetgever met de eigendomsverkrijging heeft beoogd, zou ongedaan gemaakt worden als C de verrijking – die ligt besloten in de rechtsverkrijging – op grond van artikel 6:212 zou moeten afstaan aan A. Ik meen daarom dat het systeem van de wet hier de verrijking van C rechtvaardigt. De verrijking van C is derhalve niet ongerechtvaardigd.
Dat betekent overigens niet dat A met lege handen staat. In tegenstelling tot C wordt B niet beschermd door artikel 3:86. Door onbevoegd over de zaak van A te beschikken, verricht B een handeling die is voorbehouden aan A. B wordt dan ook verrijkt. B kan geen bescherming ontlenen aan het stelsel van de wet, terwijl er ook anderszins geen rechtvaardiging voor zijn verrijking bestaat. De verrijking van B wordt, naar mijn mening, derhalve niet gerechtvaardigd en is dus ongerechtvaardigd.7