Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.5.4:16.5.4 Ontwerp Heemskerk 1925
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.5.4
16.5.4 Ontwerp Heemskerk 1925
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS407983:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het ontwerp Nelissen werd door de Kamer in handen gesteld van een Commissie van Voorbereiding. Het verslag van deze Commissie met het antwoord van minister Heemskerk verscheen op 11 April 1925. Daarbij werd een “gewijzigd ontwerp van Wet” gevoegd, bekend onder de naam ‘ontwerp Heemskerk’.1 De minister gaf aan dat aan het gewijzigd ontwerp dezelfde drie beginselen ten grondslag lagen als aan het ontwerp Nelissen: (i) de openbaarheid van de inrichting van en machtsverdeling binnen de NV, (ii) de bescherming van het vermogen van de vennootschap en (iii) een regeling betreffende de aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen.2
De Commissie van Voorbereiding meende dat het ontwerp Nelissen onvoldoende oog had voor de verschillende typen onderneming die door de NV werden gedreven. Zij had de indruk dat het ontwerp met name uitging van de grote NV, die voor haar financiering een beroep op de kapitaalmarkt deed. De Commissie gaf aan dat naast deze NV-vorm ook een geheel ander type onderneming bestond, waarin de personen van de deelnemers een grotere rol speelden. Deze deelnemers waren volgens de Commissie niet uitsluitend te beschouwen als beleggers, maar als vennoten, die doorgaans nauw betrokken waren bij het “lief en leed der zaak”.3 Nu de aandelen van deze “familievennootschappen” niet bestemd waren telkens van eigenaar te wisselen, zouden bepalingen ter bescherming van aandeel- of obligatiehouders voor dergelijke maatschappijen minder nodig zijn.4 De leden van de Commissie gaven de minister daarom in overweging voor deze soort NV’s een afwijkend, meer passend recht te scheppen. Een dergelijke regeling zou volgens de Commissie – naar het voorbeeld van de Engelse Companies Consolidation Act 1908 – er in kunnen bestaan, dat voor de bedoelde maatschappijen aan verschillende voorschriften het dwingende karakter werd ontnomen. Daarvoor zou dan een onderscheidend criterium ontwikkeld moeten worden, bijvoorbeeld dat de aandelen niet aan het publiek in het algemeen werden aangeboden, de aandelen niet aan toonder mochten worden gesteld en niet te gemakkelijk overdraagbaar mochten zijn. Volgens de Commissie zou het nóg beter zijn om in de voetsporen van Duitsland en Oostenrijk te treden door de introductie van een nieuwe rechtsvorm voor de familievennootschap. Daarvoor zouden dan minder dwingende regels moeten gelden.
De minister deelde dit standpunt van de Commissie echter niet. Hoewel hij erkende dat er verschillende typen NV waren met verschillende karakters, zag hij geen noodzaak voor een aparte regeling. Met name de voorschriften in het belang van derden die met de vennootschap transacties aangingen, dienden zijns inziens voor alle vennootschappen te gelden; in het bijzonder de verplichting tot openbaarmaking van de balans en winst- en verliesrekening.