Fiscaal overgangsbeleid
Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/2.11:2.11 Conclusie
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/2.11
2.11 Conclusie
Documentgegevens:
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS413769:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk heb ik onderzocht welke werkingsregels kunnen worden onderscheiden en wat de gevolgen van een bepaalde werking van een regel kunnen zijn ten opzichte van bij aanvang van de werking bestaande toestanden. Een werkingsregel geeft aan in welke periode de wet werkt, met andere woorden: in welke periode moeten feiten zich voordoen en toestanden zich bevinden, wil de wet daaraan rechtgevolgen kunnen verbinden.
Bij de bespreking van de inhoud en de gevolgen van werkingsregels heb ik gebruikgemaakt van een aantal begrippen waaraan ik de volgende betekenis heb toegekend:
In werking treden (IWT):
Het gaan gelden van een wet vanaf 1. een i de wet vermeld tijdstip dat ligt ná de datum waarop de wet is bekendgemaakt, of 2. de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van bekendmaking.
Gelden (G):
Algemeen verbindend zijn of het kunnen verbinden van formele rechtsgevolgen; de gelding vangt aan op het inwerkingtredingsmoment.
Uitgestelde inwerkingtreding:
In werking treden op een moment dat meer dan twee maanden na de bekendmaking van de wet ligt.
Werken (W):
Het in algemene zin kunnen verbinden van (materiële) rechtsgevolgen.
Werkingsmoment (WM):
Het moment waarop de werking van een wet aanvangt.
Toepassen:
Het in een specifi eke situatie daadwerkelijk kunnen verbinden van rechtsgevolgen. De toepassing van een wet kan worden beperkt of uitgebreid door overgangsmaatregelen (hfdst. 3).
Voor een nadere uitleg en een illustratie van deze begrippen verwijs ik naar par. 2.2.
Zodra een wet in werking is getreden, is van belang vast te stellen wat de werking van die wet is. De van toepassing zijnde werkingsregel blijkt veelal uit de inwerkingtredingsbepaling. In afwijking hiervan wordt uitgestelde werking de laatste jaren ook wel elders in de wet aangegeven. Indien een aanwijzing met betrekking tot de werking van een wet in het geheel ontbreekt, is de hoofdregel van onmiddellijke werking van toepassing. Ik onderscheid drie verschillende werkingsregels:
terugwerkende kracht;
onmiddellijke werking; en
uitgestelde werking.
Zowel bij het onderscheiden als het definiëren van deze werkingsvarianten ben ik gestart met in kaart te brengen wat in de algemeen juridische literatuur over overgangsrecht hierover is geschreven. Hierdoor sluiten de door mij in het kader van dit onderzoek gegeven definities zo goed mogelijk aan op een ‘geaccepteerd juridisch begrippenkader’. Het ijkpunt voor werking is het inwerkingtredingsmoment. Dit betekent dat de werkingsregel steeds de werking van een de nieuwe regel aangeeft ten opzichte van het inwerkingtredingsmoment. Aldus heb ik de drie werkingsvarianten als volgt gedefinieerd:
Terugwerkende kracht (TWK):
Ná het inwerkingtredingsmoment veranderen de materiële rechtsgevolgen die zijn verbonden aan feiten die zich voordeden vóór het inwerkingtredingsmoment of aan toestanden die bestonden op het moment van aanvang van de werking dan wel in de periode tussen aanvang van de werking en het inwerkingtredingsmoment zijn ontstaan.
Onmiddellijke werking (OW):
Een wet verbindt vanaf het inwerkingtredingsmoment rechtsgevolgen aan op het inwerkingtredingsmoment bestaande toestanden alsmede aan feiten die zich op of na het inwerkingtredingsmoment voordoen.
Uitgestelde werking (UW):
Een wet geldt, maar gedurende een vastgestelde periode werkt zij nog niet ten aanzien van op het inwerkingtredingsmoment bestaande of nadien ontstane toestanden alsmede ten aanzien van feiten die zich in de periode tussen inwerkingtreding van de wet en aanvang van de werking voordoen.
Het voorgaande kan als volgt schematisch worden samengevat in een overzicht. Voor een meer gedetailleerde schematische weergave verwijs ik naar par. 2.4.2, 2.5.2 en 2.6.2.2.
Voor het analyseren van de gevolgen van werking is het van belang vast te stellen welk feit of welke toestand voor de werking van een regel relevant is. Het gaat hierbij om het aanknopingspunt voor de werking van een regel. Een hulpmiddel is het onderscheid tussen regels van materieel en formeel belastingrecht (par. 1.4.6). Binnen de regels die behoren tot het materiële belastingrecht vormen de belastbare feiten de relevante feiten. Het formele belastingrecht knoopt niet aan bij belastbare feiten, doch vereist een zelfstandige gebeurtenis voor het verbinden van rechtsgevolgen.
Indien vaststaat bij welk feit of welke toestand een regel aanknoopt en voorts bekend is wat de werking van de nieuwe regel is, kunnen de gevolgen van werking voor een specifieke wetswijziging worden vastgesteld. Deze gevolgen kunnen worden gerubriceerd in één of meer van de volgende varianten:
ingrijpen in voldongen feiten of afgeronde toestanden;
materieel terugwerkende kracht;
maatschappelijk terugwerkende kracht; of
gevolgen hebben geen binding met de oude wet.
In par. 2.10 is een stappenplan opgenomen aan de hand waarvan de gevolgen van werking kunnen worden geanalyseerd.
Kenmerkend voor de werkingsregel terugwerkende kracht is dat hij ingrijpt in voldongen feiten en afgeronde rechtstoestanden. Een voldongen feit is een feit dat zich voordeed vóór het inwerkingtredingsmoment, en waaraan destijds een materieel rechtsgevolg is verbonden. Van een afgeronde rechtstoestand is sprake indien aan een toestand reeds voor het inwerkingtredingsmoment een rechtsgevolg is verbonden dat tevens het enige rechtsgevolg was dat aan die toestand zal worden gegeven. Van belang is in dit verband dat onderscheid wordt gemaakt tussen toestanden waaraan direct een rechtsgevolg wordt verbonden en toestanden waarbij de tussenkomst van een feit is vereist. In het laatste geval kunnen de rechtsgevolgen immers ook nog op een later moment intreden.
Indien het later intredende rechtsgevolg verband houdt met een op het werkingsmoment bestaande toestand, kan de wetswijziging leiden tot materieel terugwerkende kracht. Materieel terugwerkende kracht houdt in dat aan een latent voordeel dat vóór het werkingsmoment is ontstaan ná dat moment bij het intreden van het relevante rechtsfeit andere rechtsgevolgen worden verbonden dan het geval zou zijn geweest indien het relevante rechtsfeit vóór het werkingsmoment zou zijn ingetreden.
Als verwachtingen van belastingplichtigen ten gevolge van de invoering van een nieuwe regel niet uitkomen, terwijl die regel op het moment dat de verwachtingen werden gevormd niet kon worden voorzien, is sprake van maatschappelijk terugwerkende kracht. Maatschappelijk terugwerkende kracht kan ontstaan als op het werkingsmoment niet-afgeronde toestanden aanwezig zijn of ingeval tussen het werkings- en inwerkingtredingsmoment toestanden zijn ontstaan terwijl de wetswijziging op dat moment nog niet voorzienbaar was. Ervan uitgaande dat belastingplichtigen in elk geval op het inwerkingtredingsmoment op de hoogte zijn van een nieuwe regel, kan geen maatschappelijk terugwerkende kracht ontstaan ten aanzien van ná het inwerkingtredingsmoment genomen beslissingen, ook niet ingeval de werkingsregel uitgestelde werking van toepassing is.
Indien geen van de genoemde gevolgen van toepassing is, is er geen binding met de oude wet, waardoor overgangsrechtelijke problemen zich mijns inziens niet voordoen.