Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/4.2.4
4.2.4 Bewijslast(verdeling)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940640:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Bemelmans 2018, par. VII.4, Koopman 1996, p. 26 en Schuurmans 2005, p. 4-5, alsmede de aldaar aangehaalde strafrechtelijke literatuur.
Zie Nijboer 2011, par. 4.5.1.
Zie Schuurmans 2005, p. 5 en vgl. bijvoorbeeld Nijboer 2011, p. 29-30.
Zie Nijboer 2011, par. 4.4.
Corstens/Borgers 2014, p. 758-759, Nijboer 2011, par. 4.5. Zie over het begrip bewijsrisico nader paragraaf 7.3.4.1.2.
Zie Corstens/Borgers 2014, p. 758-759 en Koopman 1996, p. 27.
Corstens/Borgers 2014, p. 758-759, Koopman 1996, p. 27.
Zie over strafuitsluitingsgronden nader paragraaf 9.4.1-9.4.3.
Nijboer 2011, p. 75.
Corstens/Borgers 2014, p. 864-865, De Hullu 2012, par. V.8.3, Nijboer 2011, p. 164-165. Zie voor een voorbeeld HR 6 februari 2001 (strafkamer), NJ 2001/217.
Corstens/Borgers 2014, p. 865. Zie voor enkele voorbeelden HR 28 maart 1995 (strafkamer), NJ 1995/484, HR 3 juni 1997 (strafkamer), NJ 1997/657 en HR 17 mei 2011 (strafkamer), NJ 2012/244.
In de literatuur wordt wel gesteld dat het begrip ‘bewijslast’ in het strafrecht niet goed bruikbaar is en dat er geen echte bewijslastverdeling bestaat.1 Het strafrecht is er niet aan gewend om in termen van bewijslastverdeling te spreken, omdat de bewijslast nu eenmaal bij de vervolgende overheid ligt. De verdachte geniet immers steeds de bescherming van de onschuldpresumptie, waardoor hij nooit mag worden belast met het bewijs van zijn onschuld.2 In een strafproces staan geen twee min of meer gelijkwaardige partijen tegenover elkaar, die een tussen hen gerezen geschil ter beslechting aan de rechter voorleggen (zoals dat in het civiele proces en in het bestuursrechtelijke proces het geval is). In plaats daarvan oefent de strafrechter de macht van het zwaard uit, hij is degene die namens de overheid – op voordracht van de Officier van Justitie – de berechting van strafbare feiten voltrekt. Bovendien is het strafproces sterk geformaliseerd en zijn veel regels (waaronder bewijsregels) in de wet uitgeschreven. Om deze redenen is er in het strafrecht geen duidelijk theoretisch kader ontwikkeld over de bewijslastverdeling.3
Dat betekent echter niet dat er in het strafrecht geen regels over de bewijslast en de verdeling daarvan zouden bestaan. Zo heeft de officier van justitie een stelplicht ten aanzien van de tenlastelegging: hij moet alle bestanddelen van het strafbare feit ten laste leggen.4 In verband met de onschuldpresumptie ligt het uiteindelijke bewijsrisico vervolgens ook bij het OM.5 Het verkrijgen van voldoende opheldering over wat er precies gebeurd is, is echter in feite een gedeelde verantwoordelijkheid van de officier van justitie en de rechter.6 Kenmerkend voor het strafrecht is bijvoorbeeld dat feiten die door de verdachte niet worden betwist, toch moeten worden bewezen.7 Ook heeft de rechter een zekere verantwoordelijkheid ten aanzien van de aanwezigheid van eventuele strafuitsluitingsgronden.8 Weliswaar rust het bewijsrisico uiteindelijk op de verdachte, maar dat risico houdt vooral in dat bepaalde ontlastende gegevens niet aan de orde zullen komen als de verdachte ze niet stelt (vooral als hij de enige is die ze kent).9 De strafrechter heeft namelijk de verplichting om (ook) ambtshalve alert te zijn op mogelijke strafuitsluitende omstandigheden.10 Als de verdachte een beroep doet op een strafuitsluitingsgrond is de strafrechter bovendien verplicht om de feitelijke grondslag daarvan te onderzoeken, terwijl hij de last om die feitelijke grondslag aannemelijk te maken, niet uitsluitend op de verdachte mag leggen.11 Veel meer dan een stelplicht heeft de verdachte dus niet: vervolgens is de rechter aan zet.