Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/II.4.2
II.4.2 Geen ongestoord genot
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS380978:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Emmerig (1988), p. 322.
De Nederlandse tekst van art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM luidt: 'Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.' De Engelstalige tekst luidt: 'Every natural or legal person is entitled to the peaceful enjoyment of his possessions. No one shall be deprived of his possessions except in the public interest and subject to the conditions provided for by law and by the general principles of international law. The preceding provisions shall not, however, in any way impair the right of a State to enforce such laws as it deems necessary to control the use of property in accordance with the general interest or to secure the payment of taxes or other contributions or penalties.'
OK 10 september 1992, NJ 1993, 38 (Van den Berg), ro. 4.2. Het beroep van eisers Joop en Arjen op art. 220 EEG-Verdrag (oud, zie ook art. 293 EG-Verdrag (oud)) achtte de OK eveneens niet valide. Dit artikel spoorde lidstaten slechts aan in onderhandeling te treden ter verzekering van de aldaar genoemde rechten. Van rechtstreekse werking tussen burgers onderling was geen sprake, dus Joop en Arjen konden er geen rechten aan ontlenen. Tot slot stelden Joop en Arjen dat de geschillenregeling in strijd was met het gelijkheidsbeginsel van art. 1 Gw. De regeling zou volgens hen onverbindend zijn. De OK gaf aan dat de rechter niet in de grondwettigheid van wetten mag treden (zie art. 120 Gw), dus dit beroep faalde, zie ro. 4.5.
Conclusie A-G Van Soest sub 4.13 - 4.16 onder HR 8 december 1993, NJ 1994, 273 (Van den Berg). Hij vond zelfs, anders dan commentator Slagter (TVVS 1994, p. 16-18), dat het de OK 'op overtuigende wijze' had laten zien, dat en waarom de geschillenregeling bij toetsing aan art. 1 Eerste Protocol EVRM standhield.
HR 8 december 1993, NJ 1994, 273 (Van den Berg), ro. 3.6. Ook deelde de Hoge Raad het standpunt van de OK ten aanzien van de niet-rechtstreekse werking van art. 220 EEG-Verdrag (oud, zie ook art. 293 EG-Verdrag (oud)). Annotator Maeijer meende dat de motivering van het fair balancebeginsel niet zuiver was. Het was niet de deskundige die de prijs vaststelde, doch de rechter, na het inwinnen van advies omtrent de waarde van de aandelen bij die deskundige.
Zie het commentaar van Slagter onder OK 7 mei 1992, TVVS 1992, p. 270-272 (Van den Berg). Hij merkte op dat de aandelenoverdracht niet alleen in de vorm van uitstoting bestond, maar ook bij wijze van uitkoop (art. 2:92a/201a BW) en tijdelijke overdracht ten titel van beheer in het enquêterecht (art. 2:356 sub e BW). Volgens Slagter rekte de OK het algemeen belang op tot een `algemeen belang bij rust in vennootschapsland, te bereiken door beslechting van geschillen tussen aandeelhouders door gedwongen overdracht'. Deze redenering bood volgens Slagter geen soelaas voor de uitkoopregeling en de inbreuk op het ongestoord genot op eigendom. Zie eveneens Slagter (1998), p. 33. Heijnen (1999), p. 126-127, was het met Slagter eens. De verbinding tussen een goed functionerende BV met het algemeen belang deed geforceerd aan, vond hij.
Losbl. Rp. (Roest), § 1. Zij stelde dat niet de verhouding tussen de burgers centraal stond.
Leijten (2000), p. 2.
Zie ECRM 12 oktober 1982, zaaknr. 8588/79 en 8589/79, Decision and Report 29 (Bramelid en Malmstr6m/Zweden).
Bij de Nederlandse uitkoopregeling was de gedachte dat aan een dergelijk uitkooprecht minder behoefte zou zijn na de invoering van de geschillenregeling. Een onderdrukte minderheidsaandeelhouder kon namelijk zijn uittreding vorderen. Zie Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 7. Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer kwam het voorstel van Westbroek om de minderheidsaandeelhouder (toch) een uitkooprecht te geven, aan de orde. De minister wees onder meer wederom op de komende geschillenregeling waarin de uittreding vervat was. Zie Kamerstukken 18 904, nr. 41a (MvA), p. 1-2.
OK 10 december 1992, NJ 1993, 324 (Billiton), ro. 3.3.
HR 11 september 1996, JOR 1996/113 (Offerhaus/ING), m.4.6.1. Zie de conclusie van A-G Mok sub 4.2.4.4-4.2.4.7, waarin uit de aangehaalde jurisprudentie van het Europese Hof volgt dat de burger een adequate compensatie krijgt voor het verlies van zijn eigendomsrecht. Zie ook Barkhuysen en Van Emmerik (2005), p. 78.
EHRM 16 januari 2001, JOR 2001/81 (Offerhaus/Staat). Het Hof herhaalde een door hem in 2000 geformuleerde regel: 'The Court recalls that an interference with the peaceful enjoyment of possessions must strike a fair balance between the demands of the general interest of the community and the requirements of the protection of the individual's fundamental rights. The concern to achieve this balance is rejlected in the structure of Article 1 as a whole, including therefore the second sentence, which is to be read in the light of the general principle enunciated in the first sentence. In particular, there must be a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be realised by any measure depriving a person of his possessions. Compensation terms under the relevant legislation are material to the assessment whether the contested measure respects the requisite fair balance and, notably, whether it imposes a disproportionate burden on the applicants. In this connection, the taking of property without payment of an amount reasonably related to its value will normally constitute a disproportionate interference.'
Zie ook Timmerman (2009), p. 9: 'Dit beginsel van ongestoord genot is, evenals de andere beginselen, niet absoluut. Een redelijke, objectieve rechtvaardigingsgrond kan volgens de rechtspraak van de Hoge Raad het beginsel buiten spel zetten.' Timmerman wees op HR 31 december 1993, NJ 1994, 436 (Verenigde Bootlieden).
Zie Barkhuysen en Van Emmerik (2005), p. 66-67.
In het verlengde van het vermeende onteigeningskarakter ligt de vraag of sprake is van een schending van het recht op ongestoord genot van eigendom. Emmerig meende dat uit de toelichting bij het wetsvoorstel tot invoering van de geschillen-regeling bleek dat 'volmondig' sprake was van een onteigeningskarakter. In dat verband vroeg hij zich af of uitstoting niet in strijd was met art. 1 Eerste Protocol EVRM (en art. 14 Gw). Op grond van deze artikelen mocht onteigening alleen in het algemeen belang plaatsvinden, maar art. 2:336 BW koppelde de uitstoting aan het vennootschappelijk belang. Melen deze belangen samen, bijvoorbeeld in een faillissementssituatie, dan was uitstoting gerechtvaardigd. Het was in het algemeen belang dat vennootschappen niet failliet gaan, zeker niet indien dat een banenverlies van honderden werknemers tot gevolg heeft, aldus Emmerig. Leidde het geschil tussen de aandeelhouders echter niet tot deze zeer ongewenste gevolgen, dan had hij zijn twijfels over het rechtmatige karakter van de uitstoting.1
In de uitstotingsprocedure inzake de zaak Van den Berg wierpen de uit te stoten aandeelhouders een aantal fundamentele vragen op over de rechtmatigheid van de geschillenregeling.
De vennootschap A. van den Berg BV was jarenlang de inzet van vele procedures tussen Arie van den Berg enerzijds en zijn oom Joop en neef Arjen anderzijds. De rechtbank 's-Gravenhage wees op 17 april 1991 de door Arie ingestelde uitstotingsvordering toe. In hoger beroep klaagden Joop en Arjen vervolgens dat de uitstoting van art. 2:336 BW in strijd was met art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM.2
De OK verwierp de grief. Zij stelde dat art. 1 Eerste Protocol EVRM op een verdragspartij (een staat) de verplichting legt om het ongestoord genot op eigendom in een hoog ontwikkelde samenleving, zoveel als doenlijk, te verwezenlijken. Van een absolute eigendomsbescherming is echter geen sprake. In het vervolg van art. 1 Eerste Protocol EVRM ligt besloten, aldus de OK, dat het belang van een eigenaar op ongestoord eigendomsgenot moet worden afgewogen tegen andere belangen. Hierbij behoren waarborgen tegen willekeur in acht genomen te worden. Volgens de OK behelst de geschillenregeling zo'n afweging van belangen. Het belang bij ongestoord aandelenbezit van de uit te stoten aandeelhouder moet wijken voor het overeenkomstige belang van de andere aandeelhouder, indien eerstgenoemde de in art. 2:336 lid 1 BW opgenomen norm schaadt. De waarborgen tegen willekeur zijn tweeërlei. Naast een onafhankelijke rechter die oordeelt of van dergelijke schadelijke gedragingen sprake is, dient de overnemende aandeelhouder de door de rechter vastgestelde waarde van de aandelen te vergoeden.3
A-G Van Soest concludeerde — na een uitvoerige bespreking van de jurisprudentie en literatuur met betrekking tot art. 1 Eerste Protocol EVRM — dat een nationale wetgever op goede gronden van oordeel kon zijn dat het voortduren van permanente conflictsituaties tussen aandeelhouders zeer in strijd kan komen met the general interest. De wetgever mocht dan regelingen maken, waarbij er wel een margin of appreciation gold. Onder omstandigheden bood de beëindiging van een aandeelhouderschap een betere oplossing dan alle andere denkbare uitwegen, aldus de A-G. De vereiste fair balance was vervat in de keuzemogelijkheid. De aandeelhouder die hinder ondervond, kon zowel zelf uittreden of de uitstotingsvordering tegen de andere aandeelhouder instellen. De A-G sloot zich derhalve aan bij de motivering van de OK en concludeerde tot verwerping.4
De Hoge Raad volgde de door de A-G uitgezette lijn. Het algemeen belang dat verbonden was aan een goed functionerend bedrijfsleven wordt gediend door de geschillenregeling. Het voortduren van permanente conflictsituaties tussen aandeelhouders in kapitaalvennootschappen kan in strijd komen met dit algemeen belang. De geschillenregeling is dus noodzakelijk in het algemeen belang, ofwel in the general interest. Ook heeft de wetgever volgens de Hoge Raad voldaan aan de toegelaten mangin of appreciation. Onder omstandigheden is de beëindiging van de aandeelhoudersrechten van een aandeelhouder een betere oplossing dan andere denkbare uitwegen. Het middel 'uitstoting' staat derhalve in redelijke verhouding tot het doel van de geschillenregeling. Er wordt een definitieve oplossing van een voortdurende conflictsituatie bereikt. Tot slot geldt dat de partij die met haar gedrag het conflict veroorzaakte, wordt uitgestoten na een beoordeling door een onafhankelijke rechter tegen een door deskundige vast te stellen prijs. Hiermee wordt aan het beginsel van fair balance voldaan.5
Slagter dacht dat het beroep op het ongestoord genot van eigendom niet eenvoudig te ontzenuwen zou zijn. Art. 1 Eerste Protocol EVRM biedt weliswaar een basis voor onteigening ten algemenen nutte, maar niet voor gedwongen overdracht van aandelen aan een andere aandeelhouder. Hij achtte het betoog van de OK geforceerd en niet erg sterk. Hij gooide het over een andere boeg: zowel het EVRM als het Protocol behelzen verticale rechten. Zij gelden derhalve niet tussen burgers onderling en kenden geen horizontale werking. Van strijd met eigendomsbescherming is in het geval van de geschillenregeling geen sprake.6 Roest merkte op dat Slagters commentaar niet de kern raakte. De vraag bleef of de overheid met de invoering van de geschillenregeling, in het bijzonder de uitstoting, handelde in strijd met het EVRM.7 Leijten sloot zich aan bij de Hoge Raad. De geschillenregeling was noodzakelijk in the general interest. Uitzichtloze conflictsituaties en impasses binnen de vennootschap leiden tot kapitaalvernietiging en verlies van werkgelegenheid. Dit waren zaken van algemeen belang, vond hij.8 Het aandeel is een door art. 1 Eerste Protocol EVRM beschermd object van eigendom.
Hier past wederom een vergelijking met de andere procedure van boek 2 BW waarin de gedwongen aandelenoverdracht centraal staat. Bij de uitkoop is de kans op strijd met het recht op ongestoord genot eveneens aanwezig. Het gaat immers om de niet-vrijwillige overdracht van aandelen. De Eerste Kamer vroeg tijdens de parlementaire behandeling aandacht voor toetsing aan art. 1 Eerste Protocol EVRM. Weliswaar was ten aanzien van de Zweedse uitkoopregeling eerder bepaald dat van onteigening in de zin van art. 1 Eerste Protocol EVRM geen sprake was, maar zo'n wettelijke regeling mocht niet een zodanige ongelijkheid creëren dat de ene persoon willekeurig en onrechtvaardig van zijn eigendom werd beroofd ten gunste van een ander.9 De wetgever moest het principle of balance in acht nemen. Deze balans werd door een wederkerige vordering bereikt, zoals in Zweden met het uitkooprecht voor de minderheidsaandeelhouder.10 De minister besteedde geen aandacht aan deze materie, maar in de jurisprudentie werd het antwoord wél gegeven.
In 1992 overwoog de OK dat de uitkoopregeling voldeed aan de in art. 1 Eerste Protocol EVRM gestelde eisen. Een inbreuk op het ongestoord genot op eigendom was toegestaan indien er andere belangen in het spel waren, en de waarborgen tegen willekeur in acht waren genomen. Er was sprake van een zorgvuldige afweging van de belangen van de meerderheidsaandeelhouder enerzijds tegen het belang op opgestoord genot van zijn eigendom van de minderheidsaandeelhouder anderzijds. Met het optreden van de rechter, zoals de ambtshalve toetsing of aan de vereisten van lid 1 BW van art. 2:92a/201a BW is voldaan, was de uitkoopprocedure met de vereiste waarborgen omgeven, aldus de 01(11 Enkele jaren later faalde een cassatieberoep dat was gebaseerd op strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM. De Hoge Raad overwoog in het arrest Offerhaus/ING dat de uit te kopen aandeelhouders recht hadden op een reële prijs ofwel de werkelijke waarde van de aandelen. Uit art. 1 Eerste Protocol EVRM viel niet af te leiden dat de gunstigste berekeningswijze voor de aandelenwaarde moest worden toegepast.12 De minderheidsaandeelhouders in deze uitkoopzaak vingen uiteindelijk ook bot bij het Europese Hof. De door de OK vastgestelde prijs van de uit te kopen aandelen stond in redelijke verhouding tot de vergoeding van de waarde zoals art. 1 Eerste Protocol EVRM vereist.13
Van een onrechtmatige schending van het recht op ongestoord genot op eigendom is dus zowel bij de uitkoop- als de geschillenregeling geen sprake. Het oordeel van de Hoge Raad in het arrest Van den Berg luidde dat de procedures van de geschillen-regeling niet in strijd zijn met het in art. 1 Eerste Protocol EVRM gegarandeerde `ongestoord genot op eigendom'. Ik deel deze opvatting. De geschillenregeling en de uitkoopprocedure sluiten op dit punt bij elkaar aan. Het ongestoorde genot op eigendom is niet een absoluut recht, een inmenging is toegestaan, mits zij gerechtvaardigd is.14 Uit de jurisprudentie van het Europese Hof volgt een toetsingskader voor nationale regels en de geoorloofde inbreuk op een eigendomsrecht. De rechtszekerheid vereist dat er geen willekeur mag zijn, de inbreuk is slechts bij wet toegestaan. Met de opname in boek 2 BW voldoet de geschillenregeling aan deze eis. De inmenging moet een fair balance inhouden tussen het algemeen belang en de bescherming van het individuele eigendomsbelang. Het uitgangspunt is dat er geen disproportionele last op de betrokkene rust. Zo'n balans is bij ontneming van eigendom des te meer belangrijk. In de literatuur spreekt men van een 'strenge toets'.15 De vergoeding van de schade, bijvoorbeeld met het betalen van de full market value of de werkelijke waarde van de aandelen, is een wijze van fair balance. Bij dit alles geldt overigens dat de nationale wetgever een ruime mangin of appreciation heeft. Het is niet aan het EHRM om te toetsen of een bepaalde regeling voor een bepaald land noodzakelijk is. Indien een regeling vereist is in verband met sociale en economische doelstellingen en zij voldoet aan de eisen van art. 1 Eerste Protocol EVRM, is de inmenging in het eigendomsrecht toegestaan.