Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/11.3
11.3 Nuancering
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS592180:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook commentaar bij art. 3:201 onder d PETL genoemde factor (“the extent of the ordinary risks of life”); zie ook BGH 15 december 1970, BGHZ 55, 86, NJW 1971, 506.
Zie nr. 501.
Zie § 7.2.3.
Dogmatisch kan dat bijvoorbeeld door de schade geheel toe te rekenen, maar vervolgens op grond van art. 6:101 BW een afslag op de schadevergoedingsplicht aan te nemen omdat de schade is veroorzaakt door omstandigheden die maakten dat de gelaedeerde steeds een bepaald risico liep dat zich heeft verwezenlijkt, en die omstandigheden aan de gelaedeerde kunnen worden toegerekend.
505. Mogelijk is dat de schade zoals geleden weliswaar een zuiver toevallig gevolg is van de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis, maar de schadesituatie tevens – qua persoon van gelaedeerde, het soort schade en de wijze van ontstaan van de schade – in hoge mate overeenkomt met schadesituaties waartegen met de geschonden norm of met de toepasselijke kwalitatieve aansprakelijkheid wel beoogd is te beschermen.
Een slachtoffer van een verkeersongeval wordt per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. De ambulance geraakt hierbij betrokken in een ander verkeersongeval ten gevolge waarvan de gelaedeerde verder letsel oploopt. Mogelijk is dat de kans op zo’n ander verkeersongeval is vergroot: bijvoorbeeld omdat vanwege de ernst van het aanvankelijke letsel van de gelaedeerde noodzakelijk was dat de ambulance met hoge snelheid een ziekenhuis probeerde te bereiken.1 De eerste aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis maakt dan in beginsel aansprakelijk voor het aanvullende letsel.2 Mogelijk is ook dat de ambulance wordt aangereden terwijl deze bijvoorbeeld in de file belandt en deze file door de politie is gecreëerd om een voortvluchtige verdachte te blokkeren. In zo’n geval is goed denkbaar om tot het oordeel te komen dat zich een risico heeft verwezenlijkt dat de gelaedeerde in het algemeen ook liep en dat niet door de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis is vergroot. De schade lijkt echter wel sterk op schade waarvoor in beginsel wel aansprakelijkheid zou bestaan.
Indien de veroorzaakte schadesituatie in hoge mate overeenkomt met schadesituaties waartegen met de geschonden norm beoogd is te beschermen, doet het normatieve gewicht van de harde kern van het beschermingsbereik van de geschonden norm zich gevoelen.3 Ingeval de schadesituatie zoals geleden een voldoende mate van gelijkenis vertoont met schade die wel toerekenbaar zou zijn, dient mijns inziens in beginsel voor de schade zoals geleden toch aansprakelijkheid te bestaan, ook al is zij een zuiver toevallig gevolg van de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis. De reden om voor de geleden schade wel aansprakelijkheid te laten bestaan – de schade lijkt sterk op schade die de norm juist beoogde te voorkomen – weegt hier ongeveer even zwaar als de reden om voor deze schade geen aansprakelijkheid te laten bestaan – de schade is de verwezenlijking van een risico dat de gelaedeerde steeds liep en dat niet is vergroot. Onder omstandigheden acht ik denkbaar om op die grond de schade over laedens en gelaedeerde te verdelen.4