Achtergestelde vorderingen (O&R)
Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/6.5.8:6.5.8 Conclusie
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/6.5.8
6.5.8 Conclusie
Documentgegevens:
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186789:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
375. Oneigenlijke achterstellingen vervullen een andere functie dan eigenlijke achterstellingen. Eigenlijke achterstellingen maken de voldoening van de juniorvordering ondergeschikt aan de voldoening van de seniorvordering als beide schuldeisers tegelijk verhaal proberen te nemen. Daarom hebben eigenlijke achterstellingen effect bij de verdeling van de executie-opbrengst. Oneigenlijke achterstellingen geven de ondergeschikte positie van de juniorvordering in andere situaties vorm. Dat doen oneigenlijke achterstellingen door een betalingsvolgorde te scheppen.
Achterstellingen door middel van een tijdsbepaling of voorwaarde verbonden aan de juniorvordering scheppen die betalingsvolgorde doordat die zowel vrijwillige nakoming als afgedwongen nakoming van de juniorvordering belemmeren totdat de senior is voldaan. Daarmee voorkomen oneigenlijke achterstellingen uitholling van een eigenlijke achterstelling.
Oneigenlijke achterstellingen zijn echter op hun beurt niet immuun voor uitholling of beëindiging. In het bijzonder kan de bevoegdheid van de junior om zijn geldlening op te zeggen tot beëindiging van de achterstelling leiden als de achterstellingsovereenkomst niet expliciet het mogelijke conflict tussen de achterstelling en de opeisbaarheidsbepalingen van de geldleningsovereenkomst regelt.
Oneigenlijke achterstellingen vormgegeven door een opschortende tijdsbepaling of voorwaarde voegen net als eigenlijke achterstellingen een eigenschap toe aan het vorderingsrecht van de junior in ruime zin. Daardoor hebben die oneigenlijke achterstellingen net als eigenlijke achterstellingen derdenwerking op grond van het realiteitsbeginsel. Dat betekent dat iedere andere schuldeiser van de schuldenaar daarop een beroep kan doen. Na overgang van de seniorvordering kan de nieuwe senior dat dus ook. Bovendien volgt uit het realiteitsbeginsel dat een oneigenlijke achterstelling door middel van tijdsbepaling of voorwaarde in stand blijft bij overgang van de juniorvordering. Dat geldt niet voor oneigenlijke achterstellingen door middel van verbintenissen tussen de junior en de senior.
Oneigenlijke achterstellingen kunnen een passende aanvulling vormen op een eigenlijke achterstelling. De contractuele vormgeving van dergelijke achterstellingen vraagt echter bijzondere aandacht, omdat daarbij rechtsfiguren als tijdsbepalingen en voorwaarden worden ingezet voor een ander doel dan gebruikelijk.
Tijdsbepalingen en opschortende voorwaarden zijn niet ontworpen om de voldoening van een vordering ondergeschikt te maken aan de voldoening van andere vorderingen. Daarom hebben die ook effecten die niet passen bij een achterstelling. Dat blijkt onder meer als dergelijke vorderingen in een rangregeling worden betrokken of de vervulling van de tijdsbepaling of voorwaarde uitblijft. Er is geen wettelijke grondslag om de vordering dan als tenietgegaan te beschouwen. De gebruikelijke behandeling van vorderingen onder tijdsbepaling of voorwaarde is dan vaak niet te verenigen met de beoogde rechtsgevolgen van een achterstelling. In een rangregeling kan dat worden opgelost met een eigenlijke achterstelling. In andere gevallen moet zoveel mogelijk recht worden gedaan aan de bedoeling van partijen door de functie van de voorwaarde of tijdsbepaling als achterstelling werking te geven met de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.